RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12180330 \ UC EXPL 26-3190
Vonnis van 5 augustus 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V., HANDELENDE ONDER DE NAAM [handelsnaam],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: KVN Gerechtsdeurwaarders & Juristen,
tegen
1. [gedaagde sub 1], voormalig vennoot van de opgeheven vennootschap onder firma [bedrijfsnaam] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1]
procederend in persoon,2. [gedaagde sub 2], voormalig vennoot van de opgeheven vennootschap onder firma [bedrijfsnaam] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
procederend in persoon
gedaagde partijen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 april 2026,
- de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 1] ,- de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 2] ,- de conclusie van repliek.
Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet meer gereageerd.
Daarna heeft de rolrechter bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.
2 De kern van de zaak
[eiseres] leverde een beveiligingssysteem en beveiligingsdiensten aan [bedrijfsnaam] . [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] waren van [bedrijfsnaam] de beherend vennoten. [bedrijfsnaam] is opgeheven, maar een aantal facturen van [eiseres] met een totaalbedrag van € 923,98 zijn onbetaald gebleven. [eiseres] verhaalt dat bedrag, met rente en kosten, nu op beide voormalig vennoten. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] willen allebei wel betalen, maar alleen ieder hun aandeel in de schuld. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiseres] toe.
3 De beoordeling
[gedaagde sub 1] en [eiseres] zijn beiden volledig verantwoordelijk voor betaling van het bedrag van € 923,98
[eiseres] heeft facturen gestuurd aan [bedrijfsnaam] met een totaalbedrag van € 1.079,10. Na aanmaning van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] heeft er tweemaal een betaling van € 77,56 plaatsgevonden waardoor er nu nog een bedrag van 923,98 openstaat. [eiseres] vordert dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke handelsrente en € 138,60 aan buitengerechtelijke incassokosten.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben apart van elkaar beiden laten weten hun verantwoordelijkheid te willen nemen door de vordering van [eiseres] te betalen. Zij willen dat beiden alleen doen voor het gedeelte van de schuld dat hen in hun onderlinge verhouding aangaat. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet meer willen betalen dan hun aandeel in de schuld, maar de wet1 bepaalt dat (voormalig) vennoten van een vennootschap onder firma hoofdelijk verbonden zijn voor de verbintenissen die de vennootschap is aangegaan. Dat betekent dat zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] volledig verantwoordelijk is voor het nakomen van een verplichting, zodat [eiseres] het volledige bedrag bij één van hen kan opeisen. Als de één meer betaalt dan het gedeelte van de schuld dat hem in hun onderlinge verhouding aangaat, dan kan diegene dat bedrag wat hij meer heeft betaald, verhalen op de ander. Maar dat moeten [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dan onderling uitzoeken. De kantonrechter begrijpt dat dit lastig is gezien de verstoorde verstandhouding tussen partijen, maar dat kan niet ten nadele van [eiseres] werken. Dat betekent dat [eiseres] de vordering van € 923,98 volledig op zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] kan verhalen. De vordering zal dan ook worden toegewezen.
[eiseres] vordert over de hoofdsom de wettelijke handelsrente2 vanaf de vervaldatum van de laatste incassobrief. De gevorderde rente zal worden toegewezen vanaf 19 maart 2022, omdat in de incassobrief van 16 maart 2022 (de enige in het dossier) een betalingstermijn van 3 dagen staat.
De buitengerechtelijke incassokosten
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiseres] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 138,60 worden toegewezen.
De proceskosten
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
127,08 |
|
|
- griffierecht |
€ |
350,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
288,00 |
(2 punten × € 144,00) |
|
- nakosten |
€ |
72,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
837,08 |
Hoofdelijke veroordelingen
De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
4 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 923,98, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 19 maart 2022, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 138,60 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 837,08, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026. |
||
69134