ECLI:NL:RBNHO:2026:13072

Datum uitspraak
23-09-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
C/15/361845
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Nakoming franchiseovereenkomst. Geen tussentijdse opzegging mogelijk; geen ontbinding mogelijk. Uitleg overeenkomst. 7:916 BW en 7:919 BW. Wet Franchise. Verwijzing schadestaat voor schending informatieplicht franchisegever.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/373270 / HA ZA 25-828

Vonnis van 23 september 2026

in de zaak van

ERA NEDERLAND N.V.,

te Utrecht,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: ERA,

advocaat: mr. D.A. Boor,

tegen

1 [gedaagde 1] v.o.f.,

te [plaats 1] ,2. [gedaagde 2] B.V.,

te [plaats 1] ,3. [gedaagde 3] B.V.,

te [plaats 2] ,

gedaagde partijen in conventie,

eisende partijen in reconventie,

hierna samen te noemen: [gedaagden] ,

advocaat: mr. M.J.W. Hoek.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 15 april 2026

- de akte overlegging producties 33 t/m 40 tevens vermeerdering van eis van ERA

- de akte overlegging producties 7 t/m 14 van [gedaagden]- de met zaaknummer C/15/373425 gecombineerde mondelinge behandeling van 17 juni 2026.

1.2.

De rechtbank heeft – na bezwaar van ERA – beslist dat van de akte van [gedaagden] tot het overleggen van de producties 7 t/m 14 de alinea’s 2 t/m 7 en productie 5 buiten beschouwing worden gelaten, omdat [gedaagden] zich niet hebben beperkt tot een reactie op productie 18 van ERA in haar akte tot het overleggen van de producties 33 t/m 40, zoals haar was toegestaan.

1.3.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben de advocaten van beide partijen het woord gevoerd aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen. Voor het overige zijn door de griffier zittingsaantekeningen bijgehouden.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald. In dit vonnis wordt tevens beslist op de provisionele vorderingen van ERA op grond van artikel 223 Rv, die zijn opgenomen in dezelfde dagvaarding als waarmee de hoofdzaak is ingeleid.

2 De feiten

2.1.

ERA is een onderneming die actief is in de makelaardij en optreedt als franchisegever.

2.2.

De vennootschap onder firma [gedaagde 1] (hierna: [gedaagde 1] ) exploiteert als franchisenemer van ERA een makelaarskantoor. De v.o.f is opgericht op 1 januari 2013 en heeft twee vennoten: [gedaagde 2] B.V., gedaagde sub 2, en [gedaagde 3] B.V., gedaagde sub 3. De vennootschap [gedaagde 2] B.V. heette voorheen [bedrijf B.V.] en heeft het KvK-nummer [kvk nummer] . De bestuurder van deze vennootschap is [betrokkene 1] .

2.3.

[gedaagde 3] B.V. heeft vanaf 1998 een franchiseovereenkomst met ERA. In de loop der jaren is [gedaagde 3] gegroeid naar zes vennootschappen, die elk een makelaarskantoor exploiteren en die alle franchisenemer van ERA zijn en handelen onder de naam [gedaagde 3] (hierna gezamenlijk te noemen: [gedaagde 3] ). [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zijn de (indirect) bestuurders van de vennootschappen van [gedaagde 3] .

2.4.

In 1994, 1998 en 2004 heeft [bedrijf B.V.] een franchiseovereenkomst gesloten met ERA.

2.5.

In een brief van 8 november 2005 heeft [betrokkene 1] namens ‘ERA [gedaagde 1] ’ toestemming gevraagd aan ERA om de bestaande franchiseovereenkomst met [bedrijf B.V.] te mogen voortzetten. Bij die brief is het KvK-uittreksel gevoegd van [bedrijf B.V.] i/o. ERA heeft schriftelijk gereageerd dat zij hiertegen geen bezwaar heeft. ERA heeft verder geschreven: ‘Wij zullen uw naam als nieuwe eigenaar aanpassen in onze bestanden’.

2.6.

In 2009 heeft ERA een nieuwe franchiseovereenkomst toegezonden aan ‘ [bedrijf B.V.] B.V., t.a.v. [betrokkene 1] ’. De begeleidende brief en de franchiseovereenkomst zijn ondertekend door [betrokkene 1] .

2.6.1.

In de begeleidende brief van 26 maart 2009 staat, voor zover van belang, dat [gedaagde 1] zich voor de komende contractperiode verplicht tot:

  • het bijwonen van ERA bijeenkomsten op regionale en landelijke schaal;

  • het (laten) trainen van (in ieder geval nieuwe) medewerkers om een optimale dienstverlening te kunnen waarborgen.

2.6.2.

In de franchiseovereenkomst uit 2009 staat voor zover van belang dat:

  • de overeenkomst een looptijd heeft van vijf jaar en stilzwijgend wordt verlengd met vijf jaar;

  • de franchisenemer aan ERA een maandelijkse vergoeding is verschuldigd, bestaande uit een vergoeding van het franchiserecht en een bijdrage aan het marketingfonds van 6% respectievelijk 2% van de bruto-omzet.

2.7.

[gedaagde 3] en [gedaagde 1] hebben bij gezamenlijke brief van 26 juni 2025 aan ERA geschreven dat zij de franchiseovereenkomsten beëindigen per 31 december 2025. Voor zover van belang staat in de brief:

Wij zijn netjes gestart in de samenwerking met ERA en wij willen ook netjes de

samenwerking beëindigen. Bij brief van 14 februari 2007 hebben wij de samenwerking formeel opgezegd en niet omdat wij geen samenwerking meer wilde met ERA maar wel omdat wij deze samenwerking alleen wilde voortzetten zonder contractduur van 5 jaar en met een redelijke opzegtermijn.

Hier is enige correspondentie schriftelijk en face to face gesprekken op gevolgd en toen heeft ERA het bij deze opzegging gelaten.

Met de opzegging -nu tegen het einde van de maand juni 2025- en door een (faire) termijn van opzegging te hanteren -180 dagen- zeggen wij formeel op per (afgerond) 31 december 2025.

Wij stellen ons voor om feitelijk de samenwerking te stoppen tussen 31 december 2025 en 31 maart 2026.

De samenwerking stopt hiermee voor onze vestigingen in:

- [plaats 3]

- [plaats 4]

- [plaats 5]

- [gedaagde 1] [plaats 1]

2.8.

De advocaat van ERA heeft bij brief van 8 juli 2025 gereageerd dat de overeenkomst niet opgezegd kan worden, omdat tussen ERA en [gedaagde 1] de franchiseovereenkomst van maart 2009 van toepassing is, deze geen mogelijkheid biedt voor tussentijdse opzegging en dat de overeenkomst steeds stilzwijgend is verlengd, laatstelijk tot 12 april 2029.

2.9.

De advocaat van [gedaagden] heeft op 25 augustus 2025 jegens de advocaat van ERA (onder meer) het standpunt ingenomen dat [gedaagde 1] de franchiseovereenkomst wél rechtsgeldig heeft opgezegd en dat als de overeenkomst niet kan worden opgezegd, [gedaagde 1] de overeenkomst dan ontbindt per 31 december 2025 vanwege tekortkomingen van ERA in de nakoming van de overeenkomst, gelegen in het marketingsysteem van ERA dat volgens [gedaagde 1] weinig of geen toegevoegde waarde biedt.

2.10.

Op 9 september 20251 heeft ERA het standpunten gehandhaafd dat [gedaagde 1] de overeenkomst niet kan opzeggen noch ontbinden per 31 december 2025. Daarnaast heeft zij [gedaagde 1] in gebreke gesteld en gesommeerd de volledige periodieke vergoeding binnen zeven dagen te voldoen.

2.11.

[gedaagde 1] heeft vanaf november 2025 geen maandelijkse vergoeding meer voldaan aan ERA. ERA heeft hiervoor maandelijkse betalingsherinneringen gestuurd aan [gedaagde 1] .

2.12.

Op 5 december 2025 heeft [gedaagde 1] ERA op grond van de transparantieplicht voor franchisegevers verzocht rekening en verantwoording af te leggen over de door [gedaagde 1] betaalde periodieke vergoedingen. Ook heeft [gedaagde 1] gewezen op de zorgplicht van ERA. [gedaagde 1] heeft ERA tevens bericht haar betalingsverplichtingen jegens ERA op te schorten en te verrekenen met de schadevergoeding die zij van ERA vordert.

De kick back fee

2.13.

In januari 2016 hebben ERA en [gedaagde 3] een afspraak gemaakt die inhoudt dat [gedaagde 3] een kick back krijgt van de maandelijkse vergoeding die de verschillende kantoren betalen ter hoogte van 1/3 van de vergoeding exclusief de marketing fee. Dit komt neer op 2% van de maandelijkse bruto-omzet. Onderdeel van de afspraak is dat [gedaagde 3] slechts voor één kantoor de vaste EIS-bijdrage betaalt in plaats van voor alle kantoren. Partijen hebben hier via de e-mail over gecorrespondeerd waarbij [betrokkene 2] en ERA spreken over het mee-investeren door ERA in een pilot.

2.14.

[bedrijf] B.V. (de holding van [gedaagde 3] B.V.) heeft vervolgens facturen gestuurd naar ERA, waarbij ook een door ERA te betalen fee van 2% van de bruto-omzet van [gedaagde 1] in rekening werd gebracht. Die facturen bevatten een bijlage met de berekening, waarin de hoogte van de fee per vennootschap van [gedaagde 3] en ook voor [gedaagde 1] was weergegeven ( [gedaagde 1] [plaats 1] , [gedaagde 3] [plaats 3] , [plaats 4] , [plaats 5] , [plaats 6] , [plaats 7] en [plaats 8] ). ERA heeft deze facturen voldaan.

2.15.

ERA wenste de kick back afspraak op 3 januari 2025 met terugwerkende kracht te beëindigen per 1 januari 2025. [gedaagde 3] en [gedaagde 1] meenden dat daar geen ruimte voor was omdat sprake is van een duurovereenkomst. In plaats van het sturen van een factuur door [bedrijf] B.V. zijn [gedaagde 3] en [gedaagde 1] vanaf 2025 maandelijks 2% van de bruto-omzet minder gaan afdragen aan ERA met de vermelding ‘75%’.

2.16.

Op 2 mei 2025 hebben [gedaagde 3] en ERA een gesprek gevoerd over de kick back afspraak. Daarbij hebben zij hebben afgesproken dat in elk geval tot 1 juli 2025 de afspraak gecontinueerd zal worden en dat [gedaagde 3] en ERA vóór 1 juli 2025 nieuwe afspraken zouden maken. Op 13 mei 2025 heeft [gedaagde 3] aan ERA geschreven:

De inhoud van het gesprek ga ik nu niet in een verslag omzetten maar jullie willen, n.a.v. het mailbericht van 3 januari 2025 de korting van 2% die [betrokkene 4] [de rechtbank: ERA] jaren terug heeft toegezegd eenzijdig stopzetten.

Als je dat wilt moet je komen tot nieuwe afspraken en daar is het tot op heden niet van gekomen. Ook in het gesprek van 2 mei niet.

(…)

Op vrijdag 2 mei vroeg [betrokkene 4] aan het einde van het gesprek aan [betrokkene 5] [de rechtbank: [betrokkene 3] ] gevraagd over hoe [betrokkene 5] het zich voorstelt en toen hebben we het volgende met elkaar afgesproken:

1. 2024 definitief afwikkelen conform de bestaande afspraken (wij betalen december en jullie betalen de korting/kickback van 2% over hee l2024 inclusief oktober t/m december)

2. 2025 betalen wij nu tot 1 juli conform de afspraak van 6% (netto – 8% minus 2% korting is 6%) daar waar jullie van mening zijn dat wij vanaf 1 januari van 8% zouden moeten betalen.

3. Over punt 2 verschillen wij met elkaar van mening en moeten tot nieuwe afspraken komen en blijft voorlopig (tot 1 juli) punt 2 in werking.

2.17.

ERA heeft op 24 mei 2025 op deze e-mail geantwoord dat er nooit sprake is geweest van een korting, maar van een investering, dat [gedaagde 3] gehouden zijn het contract na te leven en daarom 8% van de bruto-omzet moeten voldoen.

2.18.

[gedaagde 3] en ERA hebben geen nieuwe afspraken gemaakt over deze kick back fee.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

ERA vordert – samengevat en na wijziging van eis – dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat de franchiseovereenkomst door de opzegging per brief van 26 juni 2025 door [gedaagden] is beëindigd per 12 april 2029, en derhalve voor recht verklaart dat [gedaagden] verplicht zijn de volgende bepalingen van de franchiseovereenkomst na te komen op straffe van een dwangsom:

II. artikel 1 van de franchiseovereenkomst door het gebruiken van de ERA-merken, de handelsnaam, de logos, aanduidingen, emblemen, reclame-uitingen, slagzinnen, vertrouwelijke informatie en het ERA Marketing Systeem met producten van ERA Nederland,

III. artikel 3 lid 2 van de franchiseovereenkomst door zich naar cliënten, andere franchisenemers en (overige) derden toe te manifesteren als lid van het ERA-netwerk, zonder dat daarbij echter de indruk gewekt mag worden dat de Franchisenemer een filiaal van Franchisegever zou zijn, of dat de Franchisenemer en (of) zijn personeel en medewerkers aan Franchisegever ondergeschikt zouden zijn of een ander kantoor zouden vertegenwoordigen, ,

IV. artikel 4 lid 2 van de franchiseovereenkomst door het voldoen van de periodieke vergoeding van 6% en 2% van de bruto-omzet;

V. [gedaagden] veroordeelt tot betaling van € 54.816,28, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente;

VI. [gedaagden] veroordeelt om artikel 3 lid 1 sub a t/m d van de franchiseovereenkomst na te komen door:

a) in het kader van de bedrijfsuitoefening van [gedaagde 1] aan haar eigen handelsnaam het ERA-logo toevoegen;

b) in alle schriftelijke stukken, zoals visitekaartjes, briefpapier, onroerend goed stukken, advertenties, facturen en dergelijke die door [gedaagde 1] worden gebruikt te vermelden: “iedere ERA makelaar is zelfstandig en onafhankelijk”;

c) in alle schriftelijke stukken, alle uitingen op het internet, elk ander mediagebruik, waaronder ook het gebruik van ERA tuinborden en ERA-tuinpalen alsmede bij verbale communicatie de naam “ERA” of “ERA-makelaar” of “ERA makelaars” of “ERA-makelaardij’ opnemen in de bedrijfsnaam;

op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per dag of dagdeel dat [gedaagden] in gebreke blijven met een maximum van € 50.000,00,

VII. voor recht verklaart dat [gedaagden] verplicht zijn hetgeen is overeengekomen in de brief van 26 maart 2009 na te komen, te weten:

- het bijwonen van ERA-bijeenkomsten op regionale en landelijke schaal, en

- het (laten) trainen van de (in ieder geval nieuwe) medewerkers van franchisenemer,

één en ander op straffe van een dwangsom;

met veroordeling van [gedaagden] in de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente.

3.2.

ERA vordert daarnaast bij wijze van provisionele voorziening - kort gezegd - nakoming door [gedaagde 1] van een aantal bepalingen in de franchiseovereenkomst op straffe van een dwangsom voor de duur van de bodemprocedure.

3.3.

ERA legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagden] de franchiseovereenkomst uit 2009 moeten nakomen en dat geen sprake is van andersluidende afspraken tussen partijen. ERA stelt dat [gedaagde 2] in 2013 de lopende franchiseovereenkomst met [bedrijf B.V.] (feitelijk) heeft ingebracht in de toen opgerichte v.o.f. [gedaagde 1] . Dit betekent dat [gedaagde 1] de overeenkomst niet tussentijds kan opzeggen. Ook meent ERA dat voor [gedaagde 1] geen grond bestaat de overeenkomst te ontbinden, omdat ERA niet is tekortgeschoten in de nakoming. ERA stelt verder dat de met [gedaagde 3] gemaakte afspraak over de kick back niet voor [gedaagde 1] geldt. Volgens ERA is [gedaagde 1] daarom nog gehouden om 2% van de bruto-omzet te betalen over de jaren dat zij dit niet heeft gedaan. Het gaat om een totaalbedrag van ruim € 50.000,00.

3.4.

[gedaagden] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van ERA, met veroordeling van ERA in de proceskosten. [gedaagden] voeren aan dat de rechtsverhouding tussen ERA en [gedaagde 1] v.o.f niet wordt beheerst door de franchiseovereenkomst uit 2009. Die overeenkomst heeft ERA immers gesloten met [bedrijf B.V.] Die overeenkomst laat niet toe dat deze zonder toestemming van ERA wordt ingebracht in welke samenwerking dan ook. ERA heeft voor de inbreng van de overeenkomst in [gedaagde 1] v.o.f., ook geen toestemming gegeven. Ook is de tenaamstelling van die franchiseovereenkomst onjuist, omdat [bedrijf B.V.] niet bestaat. Volgens [gedaagden] bestaat er tussen ERA en [gedaagde 1] wel een franchiseverhouding, maar ontbreekt een schriftelijke overeenkomst en zijn partijen geen opzegtermijn overeengekomen. [gedaagde 1] kon daarom opzeggen per 31 december 2025, met inachtneming van een redelijke opzegtermijn. Subsidiair voeren [gedaagden] aan dat [gedaagde 1] de franchiseverhouding met ERA rechtsgeldig heeft ontbonden bij brief van 18 september 2025.

[gedaagden] voeren (subsidiair) verder aan dat de bepaling in de schriftelijke overeenkomst over de stilzwijgende verlenging onredelijk bezwarend is en daarom vernietigbaar. Ten aanzien van de kick back fee, betogen [gedaagden] dat deze afspraak ook voor hen geldt. Dat blijkt volgens [gedaagde 1] uit het feit dat partijen ook voor [gedaagde 1] jarenlang aan deze afspraak uitvoering hebben gegeven.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie

3.6.

[gedaagden] vorderen – samengevat – dat de rechtbank:

  1. voor recht verklaart dat de rechtsverhouding tussen [gedaagde 1] en ERA per 31 december 2025 is geëindigd;

  2. voor recht verklaart dat ERA haar wettelijke verplichting ex artikel 7:919 BW tot het leveren van commerciële bijstand en ondersteuning aan [gedaagde 1] tenminste over de periode 2019-2025 niet is nagekomen;

  3. bepaalt dat de periodieke vergoeding en de marketingbijdrage van respectievelijk 6% en 2% van de bruto-omzet voor 2025 gematigd wordt tot 0% althans subsidiair tot 6%, zoals in de kortingsregeling in 2016 is bepaald;

  4. de nietigheid uitspreekt van artikel 2 lid 1 van de franchiseovereenkomst, de bepaling betreffende de stilzwijgende verlenging;

  5. ERA veroordeelt om de transparantieplicht en informatieplicht ex artikel 7:916 lid 2 BW na te komen door over de jaren 2019-2024 gespecificeerd aan te geven in hoeverre de opslagen en andere financiële bijdragen die [gedaagde 1] heeft betaald de kosten en investeringen dekken die ERA in de franchiseformule heeft geïnvesteerd en gespecificeerd rekening en verantwoording af te leggen over deze investeringen en bedragen;

  6. ERA veroordeelt tot betaling van de schade die [gedaagde 1] heeft geleden, te weten een reductie van de door haar betaalde fee over de periode 2019-2024, en daartoe nadat ERA alsnog aan de wettelijke verplichtingen zoals hiervoor genoemd heeft voldaan, haar vordering op te stellen en in de schadestaat procedure te specificeren;

  7. ERA veroordeelt in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.7.

[gedaagden] leggen aan hun vorderingen 2, 3, 5 en 6 ten grondslag dat ERA de wettelijke verplichtingen die op haar rusten als franchisegever niet is nagekomen. Volgens [gedaagden] heeft ERA geen rekening en verantwoording afgelegd over de door [gedaagde 1] betaalde fee en daarom niet aan haar informatieplicht voldaan. Ook heeft geen jaarlijks overleg plaatsgevonden en heeft ERA geen bijstand en commerciële ondersteuning verleend aan [gedaagde 1] . Ook stellen [gedaagden] dat ERA de franchiseovereenkomst niet correct is nagekomen, omdat een marketingstrategie afwezig is, sprake is van kwaliteitsverlies van de salestrainingen voor het personeel en het ICT-systeem ondermaats is. [gedaagden] hebben hier zelf in moeten investeren en daardoor schade geleden. De overige vorderingen vloeien voort uit de stellingen van [gedaagden] in conventie.

3.8.

ERA concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagden] , met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure. ERA betwist dat zij niet voldoet aan haar wettelijke verplichtingen. ERA informeert haar franchisegevers onder andere met een maandelijkse nieuwsbrief. Ook is er een jaarlijks landelijk evenement waarin ERA informatie verstrekt over de activiteiten, ontwikkelingen en de strategie. ERA voert verder aan dat ERA een soft franchiseformule is waardoor de te verwachten bijstand en ondersteuning beperkt is. Zij verleent de te verwachten bijstand die bij deze formule hoort, maar [gedaagden] kiezen ervoor om daar geen gebruik van te maken, aldus ERA. ERA voert tevens als verweer dat [gedaagden] niet binnen een bekwame tijd hebben geklaagd zoals bedoeld in artikel 6:89 BW door pas op 5 december 2025 te stellen dat verplichtingen uit 2019 niet zijn nagekomen.

3.9.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

De vorderingen in conventie en in reconventie lenen zich voor gezamenlijke beoordeling.

4.2.

De geschilpunten van partijen spitsen zich toe op drie onderwerpen: de opzegging van de franchiseovereenkomst door [gedaagden] , de afspraak over de kick back fee en de verplichtingen van ERA als franchisegever.

[gedaagden] zijn gehouden de franchiseovereenkomst uit 2009 na te komen

4.3.

Partijen twisten over de vraag of [gedaagde 1] de franchiseovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd per 31 december 2025. Meer concreet twisten zij over de vraag of de franchiseovereenkomst van ERA met [bedrijf B.V.] uit 2009 ook van toepassing is tussen ERA en [gedaagde 1] v.o.f.

De franchiseovereenkomst uit 2009 is van toepassing tussen ERA en [gedaagde 1] v.o.f.

4.4.

De rechtbank volgt ERA in haar standpunt dat tussen [gedaagde 1] en ERA de overeenkomst uit 2009 van toepassing is. Zij zal dit uitleggen.

4.5.

Vaststaat dat de franchiseovereenkomst uit 1994 in 2005 op verzoek van [betrokkene 1] en met goedkeuring van ERA is voortgezet door de vennootschap met Kvk-nummer [kvk nummer] . Die vennootschap heette destijds [bedrijf B.V.] (i/o) en heet nu [gedaagde 2] B.V. In 2009 is [gedaagde 1] / [gedaagde 2] met ERA een nieuwe franchiseovereenkomst aangegaan. Anders dan door [gedaagde 1] aangevoerd, brengt het feit dat de tenaamstelling in de overeenkomst en de brief uit 2009 ‘ [bedrijf B.V.] B.V.’ vermeldt (en niet [bedrijf B.V.] ) niet mee dat er op dat moment geen vernieuwde overeenkomst met de vennootschap (destijds genaamd) [gedaagde 1] tot stand is gekomen. Evident is namelijk welke vennootschap door ERA werd bedoeld, gelet op de correspondentie met de bestuurder [betrokkene 1] , de verwijzingen naar de al lopende franchiseovereenkomst en de nagenoeg gelijkluidende vennootschapsnamen ( [gedaagde 1] of [gedaagde 1] ERA, waarbij van belang is dat ERA van franchisegevers verlangt dat zij ook de naam ERA voeren in hun handelsnaam).

4.6.

[gedaagde 2] B.V. en [gedaagde 3] B.V. hebben vervolgens in 2013 een v.o.f. opgericht met de naam [gedaagde 1] . Uit het feitelijk handelen door [gedaagden] en de verklaringen van partijen volgt dat [bedrijf B.V.] / [gedaagde 2] B.V. de lopende franchiseovereenkomst uit 2009 heeft ingebracht in de v.o.f. [gedaagde 1] . [gedaagde 1] v.o.f. is vervolgens aan die overeenkomst uitvoering gaan geven. Vast staat verder dat de franchiseovereenkomst met [bedrijf B.V.] nooit is opgezegd. Het makelaarskantoor [gedaagde 1] is feitelijk voortgezet door [betrokkene 1] en voor de uitvoering van de franchiseovereenkomst is ERA ook met hem blijven corresponderen.

4.7.

De bepaling in artikel 7.2 van de algemene bepalingen van de franchiseovereenkomst uit 2009, waarin staat dat de franchisenemer zijn rechten en verplichtingen uit de overeenkomst niet zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van ERA zal overdragen, staat niet in de weg aan de inbreng door [bedrijf B.V.] / [gedaagde 2] B.V. van de lopende franchiseovereenkomst in de v.o.f. [gedaagde 1] . Schriftelijke toestemming van ERA voor inbreng in de v.o.f. [gedaagde 1] ontbreekt weliswaar, maar dit brengt hoogstens een schending van de overeenkomst door [gedaagde 2] B.V. mee. Deze contractuele bepaling werpt geen juridische barrière op voor de inbreng in de vennootschap. Overigens is op deze bepaling, die klaarblijkelijk ten behoeve van ERA is opgenomen, door ERA zelf ook geen beroep gedaan. ERA heeft altijd geaccepteerd dat de franchiseovereenkomst door [gedaagde 1] v.o.f. is voortgezet.

Met de opzegging door [gedaagde 1] eindigt de franchiseovereenkomst per 12 april 2029

4.8.

De franchiseovereenkomst uit 2009 bevat de bepaling dat de overeenkomst telkens wordt verlengd voor een periode van vijf jaar en bevat geen bepalingen voor een tussentijdse opzegging. Gegeven de ingangsdatum van 12 april 2009, is de overeenkomst laatstelijk op 12 april 2024 met vijf jaar verlengd tot 12 april 2029. De rechtbank concludeert dat de brief van [gedaagde 1] van 26 juni 2025 waarbij zij de overeenkomst heeft opgezegd niet het door [gedaagde 1] beoogde rechtsgevolg heeft van opzegging per 31 december 2025. De overeenkomst is met deze brief wel opgezegd. Maar voor de datum waartegen is opgezegd geldt op grond van de overeenkomst het einde van de lopende periode van vijf jaar en dat is 12 april 2029.

4.9.

Het verweer van [gedaagden] dat de bepaling over de looptijd onredelijk bezwarend is en daarom vernietigbaar, slaagt niet. De opzegbepaling staat in de (hoofd)overeenkomst tussen partijen en [gedaagden] handelen in de uitoefening van hun bedrijf. Artikel 6:236 sub j BW, de zogenoemde zwarte lijst, waarnaar [gedaagden] verwijzen, heeft betrekking op algemene voorwaarden en geldt in beginsel alleen in de verhouding tussen een handelaar en een consument. [gedaagden] hebben geen feiten en omstandigheden aangevoerd die maken dat ook zij in dit geval een beroep op deze lijst kunnen doen (reflexwerking). Ook overigens valt niet in te zien waarom het beding in de gegeven relatie onredelijk bezwarend zou zijn. De vordering in reconventie van [gedaagde 1] (onder 5) tot nietigverklaring van deze bepaling zal de rechtbank dan ook afwijzen.

4.10.

Subsidiair betogen [gedaagden] dat de overeenkomst is ontbonden bij brief van 29 augustus 2025. Dit betoog faalt. Zoals ERA terecht heeft aangevoerd, ontbreekt een ingebrekestelling en is ERA niet in verzuim komen te verkeren. [gedaagden] hebben – ook desgevraagd – niet geconcretiseerd op welk moment en op welke wijze [gedaagde 1] ERA in gebreke heeft gesteld. Dat sprake is van een situatie dat nakoming blijvend of tijdelijk onmogelijk is, en daarom voor het verzuim geen ingebrekestelling vereist is, is niet gesteld en ook niet gebleken.

Conclusie voor de vorderingen tot nakoming van de franchiseovereenkomst

(conventie I t/m IV, VI en VII en reconventie 1 en 3)

4.11.

Uit het voorgaande volgt dat de franchiseovereenkomst niet is ontbonden en de opzegging van [gedaagde 1] van 26 juni 2025 pas effect heeft per 12 april 2029. Dit betekent dat de rechtbank de door ERA in conventie gevorderde verklaring voor recht onder I dat de franchiseovereenkomst door de opzegging van [gedaagde 1] is beëindigd per 12 april 2029 zal toewijzen. De vordering van [gedaagden] in reconventie onder 1 te verklaren voor recht dat de rechtsverhouding tussen haar en ERA is geëindigd per 31 december 2025 zal de rechtbank daarom afwijzen.

4.12.

Omdat de franchiseovereenkomst eindigt per 12 april 2029 is [gedaagde 1] tot die tijd gehouden de overeenkomst na te komen. De vorderingen van ERA in conventie die strekken tot een verklaring voor recht dat [gedaagden] bepaalde bepalingen uit de franchiseovereenkomst moeten nakomen, zal de rechtbank daarom toewijzen, voor zover in die bepalingen daadwerkelijk de verplichtingen staan zoals geformuleerd in de vorderingen. Een dwangsom kan niet verbonden worden aan een verklaring voor recht, zodat de rechtbank de gevorderde dwangsommen zal afwijzen. Dit leidt concreet tot het volgende.

4.13.

De gevraagde verklaring voor recht onder vordering II zal de rechtbank gedeeltelijk toewijzen. In deze vordering wordt gerefereerd aan artikel 1 van de franchiseovereenkomst. In artikel 1.2 staat de verplichting voor de franchisenemer om het ERA Marketing Systeem te gebruiken. De verklaring voor recht, voor zover die betrekking heeft op het ERA Marketing Systeem, zal de rechtbank daarom toewijzen. Voor wat betreft het overige (het gebruiken van de ERA-merken, de handelsnaam, de logos, aanduidingen, emblemen, reclame-uitingen, slagzinnen en vertrouwelijke informatie) verleent ERA in artikel 1.2 van de franchiseovereenkomst het recht aan franchisenemer deze te gebruiken, maar bevat het artikel geen verplichting voor de franchisenemer. In zoverre zal de rechtbank de vordering daarom afwijzen.

4.14.

De gevraagde verklaring voor recht onder vordering III zal de rechtbank toewijzen, omdat de daarin omschreven wijze waarop [gedaagde 1] zich als aangesloten lid van het ERA-netwerk moet manifesteren jegens derden rechtstreeks voortvloeit uit de franchiseovereenkomst.

4.15.

De gevraagde verklaring voor recht onder vordering IV heeft betrekking op de verplichting een periodieke vergoeding van 8% van de bruto-omzet te betalen. De rechtbank zal deze vordering eveneens toewijzen, omdat ook deze verplichting voortvloeit uit de franchiseovereenkomst. [gedaagden] vorderen in reconventie (onder 3) te bepalen dat de periodieke vergoeding voor 2025 gematigd wordt tot 0%, en subsidiair tot 6% van de bruto omzet van de franchisenemer. Deze vordering zal de rechtbank afwijzen wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Pas ter zitting hebben [gedaagden] toegelicht dat de grondslag van deze vordering ligt in een wijziging van de overeenkomst, maar een onderbouwing daarvan ontbreekt. Of [gedaagde 1] vanwege de kick back fee een verrekenbevoegdheid heeft en daarom van de te betalen periodieke vergoeding van 8% feitelijk slechts 6% hoeft te betalen, zal de rechtbank hierna beoordelen (vanaf rov. 4.19 e.v.).

4.16.

Onder vordering VI vordert ERA om [gedaagden] te veroordelen om de verplichtingen na te komen zoals opgenomen in artikel 3 lid 1 sub a t/m d van de franchiseovereenkomst om (kort gezegd) de naam ERA bij de handelsnaam van [gedaagde 1] en in schriftelijke stukken te vermelden. [gedaagden] hebben als verweer tegen deze vordering aangevoerd dat ERA expliciet heeft aanvaard dat [gedaagde 1] ERA niet in haar handelsnaam vermeldt, maar dit verweer hebben [gedaagden] niet onderbouwd. Van een expliciete aanvaarding is niet gebleken. Deze vordering zal de rechtbank daarom toewijzen. De daarbij gevorderde dwangsom zal de rechtbank ook toewijzen. De termijn voor nakoming zal de rechtbank bepalen op tien dagen na betekening (in plaats van de gevorderde dagtekening) van het vonnis.

4.17.

Vordering VII strekt tot een verklaring voor recht dat [gedaagden] de verplichtingen moeten nakomen zoals opgenomen in de begeleidende brief bij de franchiseovereenkomst van 2009, waarbij het gaat om het bijwonen van ERA-bijeenkomsten en het laten trainen van medewerkers. Ook deze vordering zal de rechtbank toewijzen. Deze verplichtingen zijn onderdeel van de franchiseovereenkomst tussen ERA en [bedrijf B.V.] die is ingebracht in de v.o.f. [gedaagde 1] . Dit volgt uit de formulering en de ondertekening door [bedrijf B.V.] van de bij de overeenkomst gevoegde brief.

4.18.

Ten aanzien van alle vorderingen geldt dat deze ook zullen worden toegewezen met betrekking tot [gedaagde 2] B.V. en [gedaagde 3] B.V., omdat zij als vennoten hoofdelijk verbonden zijn voor verbintenissen van de v.o.f. [gedaagde 1] .2

[gedaagden] hebben recht op de kick back fee en zij mogen deze verrekenen

4.19.

Vaststaat dat ERA met [gedaagde 3] heeft afgesproken dat zij voor haar vennootschappen een kick back ontvangt van eenderde van de maandelijkse vergoeding exclusief de marketing fee. Daarmee kreeg zij dus een terugbetaling van 2% van de bruto omzet. Verder hebben zij afgesproken dat [gedaagde 3] de vaste EIS-bijdrage slechts betaalt voor één vennootschap in plaats van alle vennootschappen. In geschil is of deze afspraak ook voor [gedaagde 1] geldt.

4.20.

Partijen twisten ook over de aard van deze afspraak. ERA stelt dat het ging om een investeringsbijdrage voor een pilot die [gedaagde 3] zouden uitvoeren, als investering in de franchiseformule. [gedaagden] voeren aan dat het een kortingsregeling was, omdat de hoogte van de franchisevergoeding niet in overeenstemming was met de prestaties van ERA. De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van de vraag of [gedaagde 1] partij is bij de overeenkomst het doel van de overeengekomen terugbetaling in het midden kan blijven. De rechtbank hanteert de term kick back fee.

4.21.

ERA vordert [gedaagden] te veroordelen tot betaling van 2% van haar bruto omzet vanaf 1 januari 2025 en betaling van 8% van haar bruto omzet vanaf november 2025 tot en met maart 2026. ERA legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde 1] de franchiseovereenkomst moet nakomen. [gedaagde 1] heeft volgens ERA geen recht op de kick back fee omdat zij geen partij is bij de afspraak die ERA daarover met [gedaagde 3] heeft gemaakt. Voor zover [gedaagde 1] wel partij is bij die afspraak, heeft zij volgens ERA geen recht meer op de kick back fee omdat ERA deze overeenkomst per 1 januari 2025, dan wel 1 juli 2025, heeft opgezegd. Bovendien mag [gedaagde 1] op grond van de franchiseovereenkomst niet verrekenen en komt haar geen opschortingsrecht toe, aldus ERA.

4.22.

Het antwoord op de vraag of een overeenkomst is tot stand gekomen, is afhankelijk van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden; zij kunnen in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in een of meer gedragingen.

4.23.

Met inachtneming van bovenstaande maatstaf is de rechtbank van oordeel dat de afspraak over de kick back fee ook voor [gedaagde 1] geldt. Vanaf de start van de afspraak in 2016 heeft [bedrijf] B.V. facturen aan ERA gestuurd voor de kick back fee waarbij ook [gedaagde 1] in de specificaties stond opgenomen. [bedrijf] B.V. heeft daarmee ook 2% van de bruto omzet van [gedaagde 1] aan ERA gefactureerd. Zonder protest heeft ERA deze facturen negen jaar lang volledig voldaan. Uit deze gedragingen heeft [gedaagde 1] gerechtvaardigd mogen afleiden dat de afspraak ook voor haar geldt. De facturen zijn gestuurd via [bedrijf] B.V., maar dat doet niet af aan de rechten die [gedaagde 1] aan deze afspraak kan ontlenen. ERA heeft namelijk niet weersproken dat onderdeel van de afspraak over de kick back fee was dat voor alle vestigingen van [gedaagde 3] de facturering via [bedrijf] B.V. zou lopen. Daarbij is [gedaagde 1] , via [gedaagde 3] B.V. als vennoot van de v.o.f. [gedaagde 1] , gelieerd aan [gedaagde 3] . Voor ERA was die betrokkenheid van [gedaagde 3] bij [gedaagde 1] ook kenbaar.

4.24.

Vervolgens is de vraag of deze afspraak op 1 januari 2025 ofwel 1 juli 2025 is beëindigd naar aanleiding van de mededeling van ERA dat zij deze regeling wenst te beëindigen. De rechtbank is met [gedaagde 1] van oordeel dat ERA deze overeenkomst niet rechtsgeldig heeft opgezegd. Hiervoor is van belang dat de overeenkomst moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst voor onbepaalde tijd, waarbij partijen geen afspraken hebben gemaakt over opzegmogelijkheden. In de e-mailcorrespondentie over deze afspraak wordt weliswaar geschreven dat het een tijdelijke afspraak betreft, maar concrete afspraken over de looptijd hebben partijen niet gemaakt. Vervolgens hebben partijen jarenlang uitvoering gegeven aan de afspraak.

4.25.

Bij gebreke van wettelijke of contractuele bepalingen wordt de inhoud van de bevoegdheid tot opzegging bepaald door de redelijkheid en billijkheid. De overeenkomst kan in beginsel worden opgezegd met inachtneming van een redelijke opzegtermijn. Dat ERA dat gedaan heeft, is niet gebleken. In het dossier bevindt zich geen eenduidige opzegging door ERA waarbij zij een redelijke opzegtermijn in acht heeft genomen. Aan de mededeling van ERA in januari 2025 dat de afspraak over de kick back fee met terugwerkende kracht ten einde komt, komt in elk geval geen rechtsgevolgen toe. Een opzegging met terugwerkende kracht houdt immers zeker geen redelijke opzegtermijn in. Ter zitting is naar voren gekomen dat partijen vervolgens in mei 2025 de kick back afspraak met elkaar hebben geëvalueerd. Daarbij hebben zij afgesproken dat zij (in elk geval) tot 1 juli 2025 de kick back fee zouden handhaven en voor de periode na 1 juli 2025 nieuwe afspraken zouden maken. Een dergelijke nieuwe afspraak hebben partijen niet gemaakt, maar van een rechtsgeldige opzegging (na 1 juli 2025) door ERA is evenmin gebleken. Dit betekent dat ERA nog steeds gebonden is aan de afspraak over de kick back fee.

4.26.

Verder staat vast dat ERA in het gesprek met [gedaagde 3] in mei 2025 heeft gezegd dat ERA in verband met haar plicht tot een correcte afhandeling van haar administratie geen betalingen meer kon voldoen aan [bedrijf] B.V., als houdstermaatschappij waar ERA geen franchiseovereenkomst mee heeft. [betrokkene 2] heeft onweersproken verklaard dat hij vervolgens in het gesprek met ERA heeft aangekondigd dat hij dan 2% van de bruto omzet minder aan ERA zou gaan afdragen in plaats van de kick back fee die [bedrijf] B.V. voorheen bij ERA in rekening bracht. De rechtbank is van oordeel dat partijen daarmee een (nieuwe) wijze van uitvoering van de afspraak over de kick back fee zijn overeengekomen, omdat ERA zelf heeft aangegeven dat betalingen niet meer via [bedrijf] B.V. mochten lopen en ERA geen andere suggestie heeft aangedragen voor de wijze van uitvoering die [gedaagde 3] heeft voorgesteld door de kick back fee te verrekenen met de periodieke franchisevergoeding. Deze verrekening wordt dan ook geacht te zijn gedaan met (stilzwijgende) instemming van ERA. Omdat [gedaagde 1] ook partij was bij de afspraak over de kick back fee, moet worden aangenomen dat [betrokkene 2] de gewijzigde uitvoering van de afspraak ook namens [gedaagde 1] heeft voorgesteld en dus ook geldt voor [gedaagde 1] . Dat blijkt ook uit het feit dat [gedaagde 1] net als [gedaagde 3] de verrekening vervolgens heeft toegepast. Het met [gedaagde 1] contractueel overeengekomen verbod tot verrekening staat daaraan niet in de weg staat omdat deze afspraak over verrekenen later tot stand is gekomen er ERA daarmee heeft ingestemd.

4.27.

De conclusie van het voorgaande is dat [gedaagde 1] recht heeft op een kick back fee ter hoogte van 2% van de bruto omzet en deze kick back fee mag verrekenen met de maandelijks te betalen vergoeding van in totaal 8% van de bruto omzet.

4.28.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 1] geen recht heeft om de (resterende) betalingsverplichting van haar periodieke vergoeding aan ERA op te schorten of te verrekenen. In artikel 3.1. van de Algemene ERA-franchisebepalingen is opschorting en verrekening namelijk contractueel uitgesloten. [gedaagde 1] is dus nog wel gehouden 6% van de bruto-omzet als periodieke vergoeding te voldoen.

4.29.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat de vordering van ERA tot betaling van € 54.816,28 niet in zijn geheel kan worden toegewezen, maar slechts voor zover het 6% van de bruto omzet van [gedaagde 1] betreft. Uitgaande van de overgelegde facturen van ERA, die [gedaagde 1] inhoudelijk niet heeft betwist, komt dit neer op een totaalbedrag van € 17.349,90, zoals hieronder gespecificeerd:

november 2025 € 4.676,37

december 2025 € 2.336,45

januari 2026 € 3.316,10

februari 2026 € 2.483,38

maart 2026 € 4.537,60

Totaal € 17.349,90

4.30.

De rechtbank zal [gedaagden] veroordelen tot betaling van € 17.349,90, te vermeerderen met 21% btw en de wettelijke handelsrente. De wettelijke handelsrente is over de maandelijkse bedragen verschuldigd vanaf de 30e dag na de betreffende factuurdatum tot de dag van algehele voldoening. De factuurdata zijn per maand als volgt:

november 2025 24 december 2025

december 2025 30 januari 2026

januari 2026 6 maart 2026

februari 2026 27 maart 2026

maart 2026 6 mei 2026

4.31.

ERA vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). ERA heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. ERA heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 948,50 worden toegewezen.

De provisionele vorderingen op grond van artikel 223 Rv

4.32.

De rechtbank zal de provisionele vorderingen van ERA op grond van artikel 223 Rv afwijzen. In dit vonnis beslist de rechtbank in de hoofdprocedure, zodat het belang bij de gevraagde voorzieningen ontbreekt.

4.33.

De rechtbank zal de proceskosten van het incident compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Geen van de partijen is immers als het in het ongelijk gesteld te beschouwen, omdat de rechtbank de provisionele vorderingen alleen afwijst omdat de zij in de hoofdzaak al beslist.

ERA voldoet slechts deels aan haar verplichtingen als franchisegever

4.34.

[gedaagden] vorderen in reconventie (vorderingen 2 en 5) ERA te veroordelen om verplichtingen na te komen uit hoofde van de Wet Franchise.3

4.35.

De rechtbank stelt voorop dat de Wet Franchise op 1 januari 2021 in werking is getreden en dat de bepalingen waarop [gedaagden] een beroep doen onmiddellijke werking hebben.

Bijstand en ondersteuning door ERA

4.36.

[gedaagden] c.s. vorderen kort gezegd voor recht te verklaren dat ERA als franchisegever haar verplichting om [gedaagde 1] als franchisenemer bijstand en ondersteuning te leveren niet is nagekomen.

4.37.

Op grond van artikel 7:919 BW is de franchisegever verplicht de franchisenemer de bijstand alsmede de commerciële en technische ondersteuning te verlenen die redelijkerwijs en in relatie tot de aard en de strekking van de franchiseformule verwacht mag worden met het oog op de exploitatie van de franchiseformule door de franchisenemer.

4.38.

[gedaagden] hebben onvoldoende onderbouwd gesteld dat ERA de afgelopen jaren onvoldoende bijstand heeft verleend. ERA heeft deze stelling van [gedaagden] gemotiveerd betwist door onder meer te wijzen op haar activiteitenkalender met (onder meer) meerdere trainingen. Zij heeft verder aangevoerd dat zij haar franchisenemers ondersteunt met een pakket aan commerciële diensten, bijvoorbeeld met marketing- en acquisitietools. In het licht van deze betwisting, lag het op de weg van [gedaagden] hun stelling dat ERA aan [gedaagde 1] geen bijstand heeft verleend te concretiseren, maar zij hebben dit nagelaten. [gedaagden] hebben geen concrete stellingen aan hun vordering ten grondslag gelegd maar slechts in zijn algemeenheid verwezen naar brieven en e-mails van [gedaagde 3] en de advocaat van [gedaagden] Dat is onvoldoende. Bij deze stand van zaken komt de rechtbank daarom niet toe aan het bewijsaanbod van [gedaagden] De vordering in reconventie met betrekking tot het tekortschieten door ERA in het leveren van bijstand en ondersteuning aan [gedaagden] zal de rechtbank daarom afwijzen omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Informatieplicht ERA

4.39.

[gedaagden] vorderen daarnaast dat ERA als franchisegever haar informatieplicht aan [gedaagde 1] als franchisenemer moet nakomen.

4.40.

Op grond van artikel 7:916 lid 2 BW informeert de franchisegever de franchisenemer jaarlijks in hoeverre de opslagen of andere financiële bijdragen die de franchisenemer in het voorafgaande boekjaar conform de eis van de franchisegever heeft gedaan, de kosten of investeringen dekken die de franchisegever met deze bijdragen beoogt. Het gaat om specifiek voor een bepaald doel verlangde bijdragen om kosten te dekken of investeringen te doen, zoals bijvoorbeeld voor marketing. Het gaat uitdrukkelijk niet om franchise fees en andere vergoedingen waar door de franchisegever niet van is aangegeven waar deze voor bedoeld zijn.4

4.41.

[gedaagden] verlangen dat ERA over de volledige fee rekening en verantwoording aflegt. Zoals volgt uit bovenstaande overweging, heeft ERA terecht aangevoerd dat deze informatieplicht niet ziet op de franchise fee van 6% van de bruto omzet. ERA is wel gehouden om [gedaagden] te informeren over de besteding van de marketingbijdrage van 2% van de bruto omzet. Dat is immers een bijdrage voor een specifiek doel, om de kosten van de marketing van ERA te dekken. De rechtbank zal daarom de vordering van [gedaagden] voor zover die op andere financiële bijdragen (dan de marketingbijdrage) afwijzen. De rechtbank volgt ERA gelet op de strekking van artikel 7:916 lid 2 BW niet in haar (niet gemotiveerde) standpunt dat zij ook ten aanzien van de marketingbijdrage geen verplichting heeft om daarin inzicht te verschaffen.

4.42.

ERA heeft toegelicht dat zij haar franchisenemers informeert bij de jaarlijkse kick-off bijeenkomst door in grote lijnen te vertellen wat er afgelopen jaren is gedaan aan marketing. Het marketingfondsverslag deelt zij niet met haar franchisenemers. In deze procedure heeft ERA het marketingfondsverslag over 2025 overgelegd. Hierin staan de marketinginkomsten en -uitgaven toegelicht en hieruit volgt dat een positief saldo van circa € 120.000 resteert. In het verslag staat dat dit saldo in het fonds blijft ten behoeve van campagnes en ontwikkeling.

4.43.

De rechtbank is van oordeel dat ERA met deze werkwijze tekortschiet in haar informatieverplichting uit hoofde van artikel 7:916 lid 2 BW. De informatieplicht van de franchisegever biedt een aanknopingspunt aan de franchisenemer om tot op zekere hoogte te kunnen nagaan of de gevraagde bijdragen niet onredelijk hoog zijn.5 Daaraan voldoet de door ERA verstrekte informatie niet. ERA heeft onvoldoende onderbouwd dat uit de toelichting die zij geeft op de jaarlijkse kick-off bijeenkomst voor de franchisenemers duidelijk wordt in hoeverre de marketing fee van de franchisenemers de marketingkosten van ERA dekt en welke uitgaven zij beoogt of heeft beoogd. Daarbij staat vast dat ERA de marketingfondsverslagen niet met haar franchisenemers deelt. Uit het marketingfondsverslag van 2025 volgt ook niet wat het bestedingsdoel van ERA is voor het overschot van circa € 120.000,00 en ook anderszins is dit niet aan [gedaagden] kenbaar gemaakt. De vordering in reconventie onder 5 van [gedaagden] zal de rechtbank dan ook toewijzen, voor zover het betreft de informatieplicht van ERA over de besteding van de marketing fee. Voor de periode vanaf 2021 – met de inwerkintreding van de Wet Franchise – heeft ERA deze verplichting op grond van artikel 7:916 lid 2 BW. Voorafgaand aan de Wet franchise volgde uit de redelijkheid en billijkheid die franchisegever en franchisenemer als contractspartijen jegens elkaar in acht dienen te nemen,6 dat afspraken over het doorbelasten van bepaalde kosten naar de franchisenemer, de franchisegever geen recht geven om eventuele overschotten ten opzichte van de werkelijk gemaakte kosten bij zich te houden.7 Daaruit volgt dat de redelijkheid en billijkheid ook meebrengt dat de franchisegever de franchisenemer moet informeren over de besteding van doorbelaste kosten. Daarom is ERA ook over de periode van 2019 tot 2021 gehouden informatie te verschaffen over de besteding van de marketingbijdrage.

Het tweede deel van de vordering, het afleggen van rekening en verantwoording, zal de rechtbank afwijzen omdat de verplichting uit hoofde van de informatieplicht op grond van artikel 7:916 lid 2 BW alleen het eerste deel van de vordering beslaat: informeren in hoeverre de marketingbijdrage de kosten of investeringen dekken die de franchisegever met deze bijdragen beoogt of heeft beoogd te dekken.

Verwijzing naar de schadestaatprocedure

4.44.

In reconventie vorderen [gedaagden] ERA te veroordelen tot betaling van de door [gedaagden] geleden schade door een reductie toe te passen op de door hen betaalde fee over de periode 2019-2024. Zij vorderen een verwijzing naar de schadestaatprocedure zodat zij hun vordering kunnen specificeren nadat ERA alsnog heeft voldaan aan de (wettelijke) informatieverplichting zoals hiervoor bedoeld.

4.45.

Verwijzing naar de schadestaatprocedure vereist dat er grond is voor toewijzing van schadevergoeding, de aansprakelijkheidsgrondslag. [gedaagden] noemen als grondslag voor de aansprakelijkheid:

  • de toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de franchiseovereenkomst;

  • de niet nakoming van de zorgplicht;

  • de niet nakoming van de informatieplicht uit hoofde van 7:916 lid 2 BW; en

  • de niet nakoming van de verplichting tot het verlenen van commerciële en technische ondersteuning op grond van het bepaalde in artikel 7:919 BW.

4.46.

De aansprakelijkheidsgrondslag die slaagt is het niet nakomen door ERA van de informatieplicht uit hoofde van artikel 7:916 lid 2 BW voor de besteding van de marketingbijdrage (voor de periode vanaf 2021) of op grond van de redelijkeid en billijkheid (voor de periode vanaf 2019). Dat de rechtbank van oordeel is dat ERA niet voldaan heeft aan deze verplichting staat in 4.43. Ook is de rechtbank van oordeel dat voldaan is aan het tweede vereiste voor een verwijzing naar de schadestaat: de mogelijkheid van schade is aannemelijk. Uit het marketingfondsverslag van 2025 blijkt dat ruim € 120.000,00 (nog) geen bestedingsdoel had. ERA heeft daarom mogelijk een te hoge fee in rekening gebracht bij haar franchisenemers. Door het schenden van de informatieplicht zijn de franchisenemers hier niet van op de hoogte geraakt en hebben zij dit niet kunnen terugvorderen. Het is daarom voldoende aannemelijk dat [gedaagde 1] – in elk geval voor 2025 – schade heeft geleden doordat ERA mogelijk ten onrechte overschotten van de marketingbijdragen van franchisenemers onder zich heeft gehouden. De rechtbank acht zich niet in staat de vordering dadelijk te begroten. De rechtbank zal daarom de vordering in reconventie onder 6 van [gedaagden] om ERA te veroordelen tot schadevergoeding toewijzen wat betreft schade die voortvloeit uit de schending door ERA van de informatieplicht en de zaak daarvoor verwijzen naar de schadestaatprocedure.

4.47.

Voor zover [gedaagden] schadevergoeding vorderen als gevolg van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de (overige) verplichtingen van de franchiseovereenkomst, geldt dat ERA niet in verzuim is komen te verkeren omdat [gedaagde 1] haar niet in gebreke heeft gesteld door haar te wijzen op de verplichtingen uit de franchiseovereenkomst die zij niet zou zijn nagekomen en haar een termijn te stellen om daaraan alsnog te voldoen. De e-mails en gesprekken waar [gedaagden] aan refereren voldoen niet aan de wettelijke vereisten voor het intreden van verzuim. Aan een schadeveroordeling van ERA komt de rechtbank dan ook op deze aansprakelijkheidsgrondslag niet toe. Overigens hebben [gedaagden] in het kader van hun schadevordering slechts genoemd dat zij schade hebben geleden door ‘de toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de franchiseovereenkomst’ zonder te concretiseren welke tekortkoming zij bedoelen.

4.48.

De stelling van [gedaagden] dat ERA de zorgplicht heeft geschonden hebben zij niet onderbouwd, zodat ook die aansprakelijkheidsgrondslag niet komt vast te staan.

4.49.

Zoals geoordeeld in 4.38 hebben [gedaagden] onvoldoende onderbouwd dat ERA onvoldoende bijstand heeft verleend aan [gedaagde 1] , zodat deze gestelde schending van de franchiseovereenkomst evenmin grondslag biedt voor een schadeveroordeling en verwijzing naar de schadestaat.

Proceskostenveroordeling

4.50.

[gedaagden] zijn in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in conventie betalen. Deze proceskosten van ERA worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

119,40

- griffierecht

€

2.995,00

- salaris advocaat

€

1.672,00

(2 punten × € 836,00)

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

4.975,40

4.51.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.52.

De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat in dat geval iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.

4.53.

In reconventie krijgen beide partijen gedeeltelijk ongelijk. Daarom zullen de proceskosten in reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

compenseert de kosten van de procedure in het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in conventie

5.3.

verklaart voor recht dat de franchiseovereenkomst door de opzegging per brief van 26 juni 2025 door [gedaagden] is beëindigd per 12 april 2029,

5.4.

verklaart voor recht dat [gedaagden] verplicht zijn artikel 1 van de franchiseovereenkomst na te komen door het gebruiken van het ERA Marketing Systeem,

5.5.

verklaart voor recht dat [gedaagden] verplicht zijn artikel 4 lid 2 van de franchiseovereenkomst na te komen om bij wijze van periodieke vergoeding voor het franchiserecht en de daarmee gemoeide producten en dienstverlening van franchisegever, alsmede voor bijdrage aan het marketingfonds, een vaste vergoeding te voldoen van zes procent (6%) en twee procent (2%) van franchisenemers bruto omzet (exclusief btw),

5.6.

verklaart voor recht dat [gedaagden] verplicht zijn hetgeen is overeengekomen in de brief van 26 maart 2009 na te komen, te weten:

  • het bijwonen van ERA-bijeenkomsten op regionale en landelijke schaal, en

  • het (laten) trainen van de (in ieder geval nieuwe) medewerkers van [gedaagde 1] om zo een optimale dienstverlening te kunnen waarborgen,

5.7.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis artikel 3 lid 1 sub a t/m d van de franchiseovereenkomst na te komen door:

  1. in het kader van de bedrijfsuitoefening van [gedaagde 1] aan haar eigen handelsnaam het ERA-logo toevoegen;

  2. in alle schriftelijke stukken, zoals visitekaartjes, briefpapier, onroerend goed stukken, advertenties, facturen en dergelijke die door [gedaagde 1] worden gebruikt te vermelden: “iedere ERA makelaar is zelfstandig en onafhankelijk”;

  3. in alle schriftelijke stukken, alle uitingen op het internet, elk ander mediagebruik, waaronder ook het gebruik van ERA tuinborden en ERA-tuinpalen alsmede bij verbale communicatie de naam “ERA” of “ERA-makelaar” of “ERA makelaars” of “ERA-makelaardij’ opnemen in de bedrijfsnaam;

op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 50.000,00,

5.8.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van € 17.349,90, te vermeerderen met 21% btw en de wettelijke handelsrente zoals overwogen in 4.30,

5.9.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan ERA te betalen een bedrag van € 948,50 aan buitengerechtelijke kosten,

5.10.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 4.975,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

5.11.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.12.

verklaart dit vonnis wat betreft 5.7 t/m 5.11 uitvoerbaar bij voorraad,

5.13.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.14.

veroordeelt ERA om binnen een maand na dagtekening van dit vonnis de informatieplicht op grond van artikel 7:916 lid 2 BW na te komen door over de jaren 2019 t/m 2024 gespecificeerd aan te geven in hoeverre de bijdrage voor het marketingfonds de kosten en investeringen dekken die ERA met deze bijdragen heeft beoogd,

5.15.

veroordeelt ERA tot vergoeding van door [gedaagden] geleden schade als gevolg van de schending van de informatieplicht over de besteding van de bijdrage voor het marketingfonds, zoals bedoeld in artikel 7:916 lid 2 BW, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

5.16.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.17.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.18.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Kluit, mr. W.S.J. Thijs en mr. J.H. van Woudenberg en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.

1604

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »