ECLI:NL:RBMNE:2026:4362

Datum uitspraak
13-05-2026
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
12040247 \ UC EXPL 26-39 VL/58599
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Lease van auto's op basis van een mantelovereenkomst. Betalingsachterstand wordt erkend. Verzoek om betalingsregeling. Vorderingen toegewezen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: 12040247 \ UC EXPL 26-39 VL/58599

Vonnis van 13 mei 2026

in de zaak van

[eiser] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. S. Aartsen,

tegen

[gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

vertegenwoordiger: de heer [gemachtigde] .

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 9 december 2025;

  • de conclusie van antwoord van 28 januari 2026;

  • de e-mail van [eiser] van 19 maart 2026, waarin zij afziet van het nemen van een conclusie van repliek.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De kern van de zaak

2.1

Op 5 november 2019 hebben partijen een mantelovereenkomst gesloten. Op basis van deze overeenkomst heeft [gedaagde] op 31 december 2020 en 21 februari 2022 twee auto’s met, respectievelijk, kentekens [kenteken] en [kenteken] geleased van [eiser] . Op enig moment laat [gedaagde] facturen van [eiser] onbetaald en komt zij de gesloten betalingsregelingen niet na. [eiser] heeft daarom op 24 november 2025 conservatoir derdenbeslag laten leggen. [eiser] vordert in deze procedure het openstaande factuurbedrag van € 24.489,20, vermeerderd met rente en (beslag)kosten. [gedaagde] erkent de vordering en verzoekt een betalingstermijn tot 28 februari 2026. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] toe.

3 De beoordeling

[gedaagde] moet het openstaande factuurbedrag betalen

3.1

[eiser] vordert € 24.489,20 aan openstaande facturen. [gedaagde] erkent dat zij dit bedrag aan [eiser] is verschuldigd, maar zij verzoekt de kantonrechter om een betalingstermijn tot 28 februari 2026 te bepalen. Volgens haar is namelijk geen sprake van betalingsonwil, maar van betalingsonmacht.

3.2

Los van het feit dat deze datum inmiddels is verstreken, is de kantonrechter niet bevoegd om een betalingsregeling op te leggen. De vordering tot betaling van € 24.489,20 zal worden toegewezen.

3.3

[eiser] vordert de wettelijke (handels)rente over € 24.489,20 vanaf 30 september 2025. [gedaagde] heeft dit niet betwist. Aangezien de facturen voortvloeien uit een door partijen gesloten handelsovereenkomst, zal de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) worden toegewezen op de hierna onder r.o. 3.5. en het dictum beschreven wijze.

[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen

3.4

[eiser] vordert € 500,00 aan vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is lager dan het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen op de onder r.o. 3.5. en in het dictum beschreven wijze..

Beperking vordering tot € 25.000 vanwege competentiegrens kantonrechter

3.5

[eiser] heeft in de dagvaarding haar vordering inclusief verschenen rente en buitengerechtelijke incassokosten vanwege proceseconomische redenen beperkt tot een bedrag van € 25.000,00 en afstand gedaan van het haar toekomende bedrag boven

€ 25.000,00. Dit betekent dat de hoofdsom, wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen tot een bedrag van € 25.000,00.

[gedaagde] moet de proceskosten betalen

3.6

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

122,35

- griffierecht

€

1.461,00

- salaris gemachtigde

€

577,00

(1 punt × € 577,00)

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

2.304,35

3.7

[eiser] vordert de wettelijke (handels)rente over de proceskosten vanaf de 15e dag na de datum van dit vonnis. Aangezien de proceskosten niet voortvloeien uit een handelsovereenkomst, maar worden aangemerkt als schade, zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen. Dit zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

[gedaagde] moet de beslagkosten betalen

3.8

[eiser] vordert € 250,83 en € 247,88 aan beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. [eiser] heeft deze kosten onderbouwd met producties 17 en 18 en [gedaagde] heeft deze kosten niet betwist. Deze vordering zal worden toegewezen.

3.9

[eiser] vordert de wettelijke (handels)rente over de beslagkosten vanaf de 15e dag na de datum van dit vonnis. [gedaagde] heeft dit niet betwist. Aangezien de beslagkosten niet voortvloeien uit een handelsovereenkomst, maar worden aangemerkt als schadevergoeding, zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen.

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard

3.10

De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 24.489,20, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW, met ingang van 30 september 2025 tot de dag van volledige betaling, alsmede een bedrag van € 500,00 aan buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van in totaal maximaal € 25.000,00,

4.2

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.304,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.3

veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,

4.4

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 498,71 aan beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de 15e dag na de datum van dit vonnis,

4.5

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.6

wijst al het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J.M. Hendriks en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »