ECLI:NL:RBLIM:2026:10492

Datum uitspraak
08-10-2026
Instantie
Rechtbank Limburg
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Zaaknummer
12329910 AZ VERZ 26-106
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Wwz. Werkneemster heeft berust in de beëindiging van het dienstverband. Ontslag op staande voet niet gerechtvaardigd. De verwijten die werkgever maakt aan het adres van werkneemster zijn niet met ter zake dienende stukken onderbouwd, maar enkel gebaseerd op aannames en vermoedens. Verzoeken van werkneemster tot toekenning transitievergoeding, vergoeding wegens onregelmatige opzegging en billijke vergoeding, alsmede betaling achterstallig loon, toegang tot de woning die op terrein van werkgever is gelegen en rectificatie toegewezen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer / rekestnummer: 12329910 \ AZ VERZ 26-106

Beschikking van 8 oktober 2026

in de zaak van

[werknemer] ,

te [plaats ] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen: [werknemer] ,

gemachtigden: mr. D.L. Reuver en mr. H.J. Willems,

tegen

[werkgever] B.V.,

te [plaats ] ,

verwerende partij,

hierna te noemen: [werkgever] ,

gemachtigde: mr. D. Korzec.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen 1 tot en met 19

- het verweerschrift met bijlagen 1 tot en met 15

- de door [werknemer] in het geding gebrachte aanvullende bijlagen 20 tot en met 23

- de door [werkgever] in het geding gebrachte aanvullende bijlagen 16 tot en met 18

- de spreekaantekeningen van mr. Reuver en mr. Willems

- de spreekaantekeningen van mr. Korzec.

- de mondelinge behandeling van 17 september 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

1.2.

De beschikking is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

[werkgever] exploiteert een internationaal opleidingsinstituut op het gebied van butler- en hospitalityopleidingen. [werkgever] is opgericht door de heer [persoon 1]. In 2019 heeft [persoon 1] de onderneming verkocht en sindsdien is mevrouw [persoon 2] de directeur. [persoon 1] is in 2022 op verzoek van [persoon 2] teruggekeerd bij [werkgever] om te ondersteunen. In 2024 is de heer [persoon 3] als general manager bij [werkgever] aangesteld.1

2.2.

[werknemer] , geboren [datum] 1976, is sinds 2016 betrokken bij [werkgever] . Zij was eerst werkzaam voor [werkgever] in China, heeft vervolgens als freelancetrainer werkzaamheden voor [werkgever] verricht en is later opnieuw betrokken geraakt bij [werkgever] in Nederland als gasttrainer bij diverse internationale trainingsprojecten. Op [datum] 2023 hebben partijen een arbeidsovereenkomst gesloten met het oog op het verkrijgen van een verblijfsvergunning voor [werknemer] . Op 18 december 2023 is deze verblijfsvergunning verkregen, waarna [werknemer] op 21 januari 2024 naar Nederland is gekomen2. Vervolgens hebben partijen een nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten en is [werknemer] op 22 januari 2024 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij [werkgever] in dienst getreden en ook feitelijk werkzaamheden gaan verrichten. Vervolgens hebben partijen een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten, welke van rechtswege op 9 oktober 2026 zal eindigen.3 De functie van [werknemer] is Executive Head Butler met een loon van laatstelijk € 5.543,91 bruto per maand.

2.3.

[werknemer] is onder meer verantwoordelijk voor de begeleiding van studenten, het verzorgen en organiseren van trainingen, het ondersteunen van het management bij administratieve en organisatorische werkzaamheden, het onderhouden van trainingsmateriaal en documentatie en het coördineren van de dagelijkse gang van zaken binnen [bedrijf 1]. Daarnaast ondersteunt zij bij de ontvangst en begeleiding van gasten.

2.4.

In februari 2026 heeft [persoon 1] [bedrijf 2] opgericht, een particulier adviesbureau voor koninklijke paleizen, vooraanstaande huishoudens en diplomatieke instellingen.4

2.5.

Bij e-mailbericht van 11 april 2026 heeft [persoon 1] zijn actieve betrokkenheid bij [werkgever] met onmiddellijke ingang beëindigd. Daarin heeft hij aangegeven dat zijn naam aan de school verbonden mag blijven, maar dat hij niet inhoudelijk, operationeel of representatief zal deelnemen.5

2.6.

Op 2 juni 2026 is de heer [persoon 4], vertegenwoordiger van Koninklijke Zaken van het Sultanaat Oman, een voorname en belangrijkste klant van [werkgever] , bij [werkgever] gearriveerd en heeft aldaar verbleven. [werknemer] heeft de heer [persoon 4] kort begroet en is vervolgens van 2 juni tot 8 juni 2026 met studenten naar Sardinië gegaan. Na haar terugkomst op 8 juni 2026 heeft zij via WhatsApp aan de heer [persoon 4] gevraagd of zijn verblijf goed verliep en of hij nog iets nodig had.6

2.7.

Op 4 juni 2026 heeft [persoon 1] aan [persoon 4] een e-mail gezonden op diens privé-mailadres.

2.8.

Op 9 juni 2026 heeft [persoon 1] een e-mail vanaf het adres [e-mailadres] gestuurd naar de beheerder van de server met een verzoek om advies over de website van [bedrijf 2].

2.9.

Op 16 juni 2026 is [werknemer] op staande voet ontslagen. Uit de brief blijkt dat [werkgever] samengevat aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd:7

  1. het delen van het wachtwoord en/of inloggegevens van het e-mailaccount van [werkgever] met [persoon 1] na 2 mei 2026;

  2. het op 8 juni 2026 in contact brengen van een klant van [werkgever] met [persoon 1];

  3. de vermelding van het telefoonnummer van [werknemer] op de website van [bedrijf 2] en dat [werknemer] werkzaamheden zou verrichten voor (de onderneming van) [persoon 1], die zich in dezelfde branche bevindt als [werkgever] .

2.10.

De gemachtigde van [werknemer] heeft op 6 juli 2026 [werkgever] meegedeeld dat het ontslag op staande voet geen stand kan houden, verzocht het ontslag in te trekken en [werknemer] toe te laten tot haar werkzaamheden.8

2.11.

[werkgever] heeft laten weten haar standpunt te handhaven en het ontslag op staande voet niet in te trekken.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[werknemer] verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • te verklaren voor recht dat het door [werkgever] aan [werknemer] gegeven ontslag op staande voet van 16 juni 2026 onterecht is verleend als bedoeld in artikel 7:681 BW,

  • veroordeling van [werkgever] tot betaling van € 71.849,04 bruto aan billijke vergoeding althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente,

  • veroordeling van [werkgever] tot betaling van € 22.700,00 bruto aan gefixeerde schadevergoeding, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente,

  • veroordeling van [werkgever] tot betaling van € 3.642,75 bruto aan transitievergoeding, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente,

  • veroordeling van [werkgever] tot betaling van € 6.877,42 bruto aan achterstallig loon over de periode van 22 januari 2024 tot en met 29 februari 2024, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de optelsom te vermeerderen met de wettelijke rente,

  • veroordeling van [werkgever] tot rectificatie op een prominente plaats op de homepage van haar website, waarin wordt erkend dat het aan [werknemer] verleende ontslag op staande voet onrechtmatig is geweest, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat [werkgever] daarmee in gebreke blijft,

  • veroordeling van [werkgever] om [werknemer] toegang te verlenen tot de woning op het terrein van [werkgever] waar zij voorafgaand aan het ontslag verbleef, teneinde haar persoonlijke eigendommen op te halen, althans deze persoonlijke eigendommen aan [werknemer] af te geven, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat [werkgever] daarmee in gebreke blijft,

  • veroordeling van [werkgever] in de (daadwerkelijke) proceskosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

[werkgever] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna voor zover relevant nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[werknemer] berust in beëindiging van het dienstverband. Aan de orde is of [werknemer] onder meer aanspraak kan maken op een transitievergoeding, een billijke vergoeding en een gefixeerde vergoeding wegens onregelmatige opzegging.

Transitievergoeding

4.2.

[werknemer] verzoekt [werkgever] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding. Op grond van artikel 7:673 lid 7, onderdeel c, BW is de transitievergoeding niet verschuldigd, indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer.

4.3.

Nu [werknemer] heeft berust in de beëindiging van het dienstverband, hoeft de kantonrechter geen oordeel uit te spreken over de rechtsgeldigheid van het gegeven ontslag op staande voet. Wel dient de vraag beantwoord te worden of [werknemer] voldoende heeft aangetoond dat zij niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld als gevolg waarvan [werknemer] aanspraak kan maken op een transitievergoeding ex artikel 7:673 BW.

4.4.

Hoewel een dringende reden niet zonder meer samenvalt met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, kan de aan- of afwezigheid van een dringende reden wel een rol spelen bij de beoordeling van de vraag of aan de zijde van [werknemer] sprake is van (ernstige) verwijtbaarheid. Om die reden zal worden beoordeeld of [werknemer] [werkgever] een dringende reden voor ontslag heeft gegeven.

4.5.

De in de brief van 16 juni 2026 opgegeven redenen kunnen het ontslag op staande voet naar het oordeel van de kantonrechter niet rechtvaardigen. De verwijten die [werkgever] maakt aan het adres van [werknemer] zijn niet met ter zake dienende stukken onderbouwd, maar enkel gebaseerd op aannames en vermoedens. [werkgever] trekt conclusies uit het feit dat [persoon 1] en [werknemer] bevriend zijn en kort een relatie hebben gehad.

4.6.

Op 30 april 2026, na het terugtreden van [persoon 1] bij [werkgever] , zijn de wachtwoorden die toegang gaven tot het systeem van [werkgever] gewijzigd. Op 2 mei 2026 heeft [werknemer] via WeChat bij mevrouw [persoon 5] het gewijzigde wachtwoord en inloggegevens opgevraagd. [persoon 1] heeft op 9 juni 2026 gebruik gemaakt van de gewijzigde inloggegevens. Gelet op het tijdsverloop tussen de verschillende gebeurtenissen is volgens [werkgever] slechts één conclusie mogelijk, namelijk dat [werknemer] de inloggegevens aan [persoon 1] heeft verstrekt. Dit is evenwel slechts een aanname van [werkgever] en een onderbouwing daarvoor ontbreekt.

Met het enkele feit dat [werknemer] het gewijzigde wachtwoord en inloggegevens heeft opgevraagd staat niet vast dat zij deze gegevens met [persoon 1] heeft gedeeld. Voorts is onweersproken dat binnen [werkgever] meerdere personen toegang hadden tot het e-mailadres [e-mailadres] en dat wachtwoordwijzigingen onderling werden gedeeld. Evenmin is uit het door [werkgever] verrichte IT-onderzoek op de laptop van [werknemer] naar voren gekomen dat zij deze gegevens heeft gedeeld met [persoon 1]. Dat [persoon 1] het privé-emailadres van [persoon 4] alleen via [werkgever] kan hebben verkregen is eveneens een aanname / vermoeden. [persoon 1] heeft verklaard dat hij en [persoon 4] tijdens een diploma-uitreiking in november 2025 e-mailadressen hebben uitgewisseld, hetgeen niet onaannemelijk is gelet op het feit dat [persoon 1] jarenlang verbonden was aan en oprichter was van [werkgever] .

4.7.

Uit de enkele vermelding van het telefoonnummer van [werknemer] op de website van [bedrijf 2], de onderneming van [persoon 1], kan niet worden afgeleid dat [werknemer] heeft gewerkt voor of betrokken was bij [bedrijf 2] en aldus concurrerende activiteiten heeft verricht. Iedere onderbouwing voor dit verwijt ontbreekt.

4.8.

Verder stelt [werkgever] dat [werknemer] de heer [persoon 4] bewust heeft benaderd met het doel hem als belangrijke klant onder te brengen bij de onderneming van [persoon 1]. [werkgever] heeft dit enkel gesteld en niet nader met stukken onderbouwd. Uit de WhatsAppcommunicatie9 kan dit in ieder geval niet worden afgeleid. Daaruit blijkt enkel dat [werknemer] bij de heer [persoon 4] informeert of zijn verblijf goed verloopt en of hij nog iets nodig heeft. Dit, te weten het welkom heten van gasten en het zorgdragen voor hun ontvangst en verblijf, behoort tot de werkzaamheden van [werknemer] . Uit het enkele feit dat [werknemer] de heer [persoon 4] vervolgens naar de woning van [persoon 1] op het terrein van [bedrijf 1] heeft begeleid, kan niet volgen dat zij dat heeft gedaan met het doel om de heer [persoon 4] als klant voor [bedrijf 2] te werven. Dit blijkt ook niet uit de door de heer [persoon 4] opgestelde schriftelijke verklaring en kan ook niet afgeleid worden uit het gegeven dat de heer [persoon 4] zich ongemakkelijk voelde10, dan wel uit het sluiten van gordijnen. Met betrekking tot dit laatste heeft [werknemer] gesteld dat er een gordijn voor de deur hangt om vliegen buiten te houden en dat ze dit bij binnenkomst achter zich heeft gesloten.

4.9.

Geconcludeerd moet worden dat in dit geval een dringende reden voor onverwijlde opzegging ontbreekt, en dat - voor zover al nodig - een andere minder verstrekkende maatregel hier had volstaan, te meer nu niet gebleken is van eerder getroffen disciplinaire maatregelen. Nu de gehanteerde ontslaggronden in rechte geen stand houden, heeft [werkgever] de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opgezegd in de zin van artikel 7:671 BW. De verzochte verklaring voor recht zal dan ook worden gegeven. De vraag of tevens onverwijld opgezegd is (onder onverwijlde mededeling van de daarvoor gehanteerde reden), behoeft gelet op het ontbreken van een voldoende dringend te achten reden geen bespreking meer.

4.10.

Nu de arbeidsovereenkomst is geëindigd doordat [werkgever] heeft opgezegd en van ernstig verwijtbaar handelen van [werknemer] geen sprake is, heeft [werknemer] recht op een transitievergoeding. Het door [werknemer] berekende bedrag is niet weersproken, zodat de transitievergoeding zal worden toegewezen zoals verzocht.

4.11.

Met toepassing van artikel 7:686a lid 1 BW zal de gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding worden toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

Vergoeding wegens onregelmatige opzegging

4.12.

[werknemer] maakt aanspraak op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging. Artikel 7:672 lid 11 BW bepaalt dat de partij die opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt aan de wederpartij een vergoeding verschuldigd is gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig gegeven, zodat [werkgever] deze vergoeding aan [werknemer] verschuldigd is. Het door [werknemer] berekende bedrag is niet weersproken, zodat de verzochte vergoeding wegens onregelmatige opzegging eveneens zal worden toegewezen.

4.13.

Met toepassing van artikel 7:686a lid 1 BW zal de gevorderde wettelijke rente over de toe te wijzen vergoeding worden toegewezen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

Billijke vergoeding

4.14.

Het verzoek van [werknemer] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is.11 Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt.12

4.15.

Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd.13 De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.

4.16.

De kantonrechter zal de verzochte billijke vergoeding van € 71.849,04 bruto, waarvan [werkgever] de hoogte niet heeft betwist, toekennen. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen. [werknemer] is ten behoeve van haar dienstverband met [werkgever] naar Nederland gekomen. Voorts is onweersproken dat er een reëel vooruitzicht bestond op voortzetting van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd na 9 oktober 2026. Met het verlies van haar baan verliest zij ook haar woning, die op het terrein van [werkgever] gelegen is. [werknemer] heeft verklaard dat het risico bestaat dat ze gedwongen moet terugkeren naar China en het leven dat zij hier de afgelopen jaren heeft opgebouwd achter zich moet laten. Het is voornamelijk aan [werkgever] te wijten, door [werknemer] niet rechtsgeldig te ontslaan, dat [werknemer] nu in deze situatie zit. De kantonrechter is van oordeel dat aan deze omstandigheid veel gewicht toekomt bij het vaststellen van de hoogte van de billijke vergoeding. Verder heeft [werknemer] de financiële zorg voor haar studerend kind.

Verder heeft de kantonrechter bij de bepaling van de omvang van de billijke vergoeding rekening gehouden met de leeftijd van [werknemer] , de duur van het dienstverband, de hoogte van het loon, en [werknemer] kansen op de arbeidsmarkt.

4.17.

De gevorderde wettelijke rente over de billijke vergoeding zal eveneens worden toegewezen.

Achterstallig loon over de periode 22 januari 2024 tot en met 29 februari 2024

4.18.

Nu [werknemer] vanaf 22 januari 2024 feitelijk werkzaamheden voor [werkgever] heeft verricht en [werkgever] het door [werknemer] berekende bedrag niet heeft weersproken, ligt de verzochte achterstallige loonbetaling van € 6.877,42 bruto over de periode 22 januari 2024 tot en met 29 februari 2024 voor toewijzing gereed. De verzochte wettelijke verhoging en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat [werkgever] te laat heeft betaald.

Rectificatie

4.19.

De door [werknemer] verzochte rectificatie en de daarover gevorderde dwangsom zullen worden toegewezen. De dwangsom zal worden gemaximeerd zoals hierna bepaald.

Toegang tot de woning / afgifte van goederen

4.20.

[werknemer] wenst toegang te krijgen tot haar woning op het terrein van [werkgever] en haar zich aldaar bevindende persoonlijke eigendommen. Dit deel van het verzoek zal eveneens worden toegewezen. De kantonrechter ziet geen aanleiding een dwangsom op te leggen, omdat [werkgever] haar toegang tot de woning en de aldaar bevindende eigendommen heeft aangeboden, maar [werknemer] daarvan om haar moverende redenen (nog) geen gebruik heeft gemaakt.

Proceskosten

4.21.

[werknemer] heeft tot slot verzocht om vergoeding van de werkelijk door haar gemaakte advocaatkosten.

4.22.

Voor een volledige proceskostenvergoeding is echter geen plaats, nu niet gebleken is dat sprake is van onrechtmatig handelen of misbruik van procesrecht. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat pas sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen als het instellen van het verzoek of het voeren van een verweer, gezien de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als verzoekster haar verzoek of verweerster haar verweer baseert op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM. Op grond van het voorgaande zal de kantonrechter de proceskosten hierna begroten volgens het liquidatietarief.

4.23.

De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat [werkgever] ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [werkgever] . De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 1.274,00 (€ 265,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

4.24.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

verklaart voor recht dat het door [werkgever] aan [werknemer] gegeven ontslag op staande voet van 16 juni 2026 onterecht is verleend als bedoeld in artikel 7:681 BW,

5.2.

veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen:

  • € 71.849,04 bruto aan billijke vergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (16 juni 2026) tot de dag van volledige betaling,

  • € 22.700,00 bruto aan gefixeerde schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (16 juni 2026) tot de dag van volledige betaling,

  • € 3.642,75 bruto aan transitievergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot de dag van volledige betaling,

  • € 6.877,42 bruto aan achterstallig loon over de periode van 22 januari 2024 tot en met 29 februari 2024, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de optelsom te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [werkgever] tot rectificatie op een prominente plaats op de homepage van haar website, waarin wordt erkend dat het aan [werknemer] verleende ontslag op staande voet onrechtmatig is geweest, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [werkgever] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,00,

5.4.

veroordeelt [werkgever] om [werknemer] toegang te verlenen tot de woning op het terrein van [werkgever] waar zij voorafgaand aan het ontslag verbleef, teneinde haar persoonlijke eigendommen op te halen, althans deze persoonlijke eigendommen aan [werknemer] af te geven,

5.5.

veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.274,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,

5.6.

veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.7.

verklaart deze beschikking voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad14,

5.8.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Kuster en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »