RECHTBANK Noord-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer / rekestnummer: C/18/250968 / HA RK 25-86 en C/18/251295 / HA RK 25-90
Beschikking van 7 september 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
te [woonplaats] ,
verzoekende partij in de zaak met kenmerk C/18/250968 / HA RK 25-86,
verwerende partij in de zaak met kenmerk C/18/251295 / HA RK 25-90,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. B. van der Vegt,
tegen
mr. [curator 1] en mr. [curator 2], handelend in hun hoedanigheid van curatoren van de besloten vennootschap [verweerder] .,
te [plaats] ,
verwerende partij in de zaak met kenmerk C/18/250968 / HA RK 25-86,
verzoekende partij in de zaak met kenmerk C/18/251295 / HA RK 25-90,
hierna te noemen: de curatoren en [verweerder] ,
advocaat: mr. B.M.J. Pelzer.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
in de zaak met kenmerk C/18/250968 / HA RK 25-86
- het oorspronkelijke verzoekschrift d.d. 16 december 2025;
- het herziene verzoekschrift ex artikel 7:681 BW d.d. 17 februari 2026;
- het verweerschrift ex artikel 7:681 BW d.d. 23 juni 2026;
in de zaak met kenmerk C/18/251295 / HA RK 25-90:
- het verzoekschrift d.d. 20 januari 2026;
- de brief van mr. Van der Vegt waarin hij verzoekt om de inhoud van het herziene verzoekschrift d.d.17 februari 2026 in de zaak met kenmerk C/18/250968 / HA RK 25-86 te beschouwen als het verweerschrift in de zaak met kenmerk C/18/251295 / HA RK 25-90.
Bij brief van de rechtbank van 2 februari 2026 is besloten om beide zaken gevoegd te behandelen. Het verdere verloop van beide procedures blijkt uit:
- de akte overlegging nadere productie 32 aan de zijde van [verzoeker] ;
- de mondelinge behandeling van 30 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitnotitie tevens eiswijziging van mr. Van der Vegt.
De beschikking is (nader) bepaald op vandaag.
2 De feiten
[verzoeker] is op 1 januari 2023 voor onbepaalde tijd bij [verweerder] in dienst getreden in de functie van statutair directeur, laatstelijk tegen een salaris van € 13.353,44 bruto exclusief vakantiegeld.
In bijlage 1 bij de arbeidsovereenkomst is voor zover van belang het volgende vastgelegd:
‘Deze Bijlage betreft de lijst met bestuursbesluiten welke voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders van de vennootschap behoeven zoals beschreven in artikel 1.2 van deze arbeidsovereenkomst;
(…)
c. het aangaan, wijzigen of beëindigen van enige verbintenis of rechtsverhouding (of reeks van samenhangende verbintenissen of rechtsverhoudingen) met een financieel belang van meer dan EUR 50.000,- exclusief BTW of buiten de normale bedrijfsuitoefening valt;
(…)’
Op 2 januari 2023 is [verzoeker] bij besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: AvA) van [verweerder] benoemd tot statutair bestuurder van [verweerder] met ingang van 1 januari 2023.
Enig aandeelhouder van [verweerder] is het [aandeelhouder] ( [aandeelhouder] , hierna: de aandeelhouder). De heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) participeert via de aandeelhouder in [verweerder] en is daarmee middellijk aandeelhouder.
[verweerder] heeft al langere tijd financiële problemen. [verzoeker] heeft in 2024 en 2025 meerdere keren een betalingsonmacht aangevraagd. Daarnaast heeft [verzoeker] in 2024 via een kapitaalinjectie een bedrag van € 53.250,00 (privégeld) in [verweerder] geïnvesteerd.
Medio juli 2025 heeft [verzoeker] bij de aandeelhouder aangegeven dat de financiële situatie bij [verweerder] naar zijn mening zeer zorgelijk begon te worden, dat er volgens hem snel geschakeld moest worden en dat er nieuwe strategische partners aangetrokken moesten worden die zowel voor inbreng van nieuw kapitaal als nieuwe ‘business’ zouden kunnen zorgen.
Begin september 2025 heeft [verzoeker] bij [naam 1] aangegeven dat de penibele situatie waarin [verweerder] zich bevond een negatieve invloed begon te hebben op zijn gezondheid. Op 10 september 2025 hebben [verzoeker] en [naam 1] hier telefonisch over gesproken.
Na voormeld telefoongesprek heeft [verzoeker] op 10 september 2025 een e-mail van [naam 1] ontvangen waarin [naam 1] onder meer schrijft:
‘Dank voor ons gesprek van zojuist, waarin je aangaf je arbeidsovereenkomst te willen beëindigen, omdat je je niet langer op je plek voelt en geen energie meer haalt uit je werkzaamheden.
Ik respecteer je beslissing en waardeer je openheid. Zoals besproken stel ik voor dat we morgen samen verder praten om duidelijke afspraken te maken over de overdracht van je werkzaamheden en de verdere afronding van je dienstverband.’
Bij e-mail van 11 september 2025 heeft [verzoeker] als volgt gereageerd:
‘We hebben elkaar niet meer gesproken naar aanleiding van je mail hieronder. Ik had in dat gesprek live m'n verbazing en boosheid willen uiten over het feit dat zowel de toon als de inhoud van ons telefoontje volledig tegenover de toon en inhoud van het mailtje staan.
In het telefoontje heb ik mijn zorgen over de toekomst binnen [verweerder] geuit, heb uitdrukkelijk aangegeven niet mijn ontslagbrief in te dienen, en dat er nog veel op mijn bordje ligt waar ik verantwoordelijkheid in neem. Je was pissed, reageerde geagiteerd, en dwong me tot een keuze om die ontslagbrief wél te sturen. Het gesprek ontspoorde, er werd niet meer geluisterd, en ik heb het gesprek beëindigd met de mededeling dat ik me voor 200% voor [verweerder] heb ingezet en dat zal blijven doen.
De mail had een tegenovergestelde toon: uiterst vriendelijk, en ook de inhoud staat haaks op ons telefoongesprek: er was geen waardering, en er was ook geen sprake van een besluit.’
Op 11 september 2025 heeft [verzoeker] zich ziekgemeld.
Diezelfde dag heeft [naam 1] een e-mail gestuurd naar [verzoeker] waarin hij onder meer schrijft:
‘Conform onze afspraak stel ik voor om op maandag 15 september om 11.00 uur in [plaats] verder in gesprek te gaan, zodat we duidelijke afspraken kunnen maken over de overdracht van je werkzaamheden en de afronding van je dienstverband.’
Bij e-mail van 12 september 2025 heeft [verzoeker] als volgt gereageerd:
‘Graag wil ik nog een keer benadrukken dat ik geen ontslag heb genomen en ook niet van plan ben dit op korte termijn te doen. Wel ben ik met jou het gesprek aangegaan over de zorgen die ik heb over de toekomst van [verweerder] en dat ik moeite heb met de positie waarin ik terecht ben gekomen in het bedrijf.’
Op 15 september 2025 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] en [naam 1] , waarin onder meer aan de orde is gekomen dat als de aandeelhouder geen vertrouwen meer heeft in [verzoeker] , [verzoeker] bereid was om mee te denken over een eventuele beëindigingsregeling. In dat kader is tussen partijen een minnelijke regeling ter sprake gekomen.
Op 17 september 2025 is [verzoeker] bij de bedrijfsarts geweest. Uit het advies van de bedrijfsarts volgt dat [verzoeker] als gevolg van ziekte beperkingen heeft voor zijn werk en dat hij met ingang van 15 september 2025 voor 50% arbeidsongeschikt is.
Op 29 september 2025 heeft er opnieuw een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] en [naam 1] . In dat gesprek heeft [naam 1] [verzoeker] met onmiddellijke ingang geschorst. [verzoeker] moest zijn laptop en telefoon inleveren, kreeg een contactverbod met werknemers en relaties opgelegd en [naam 1] dreigde met ontslag op staande voet.
Bij brief van 30 september 2025 schrijft [naam 1] aan [verzoeker] :
‘Gisteren hebben wij met elkaar gesproken naar aanleiding van vier leasecontracten die door jou zijn afgesloten namens de dochtervennootschap [verweerder] BV van [verweerder] . (" [verweerder] ") bij [bedrijf] .
Zoals mondeling toegelicht, lijkt het erop dat jij zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders ("AVA") in totaal vier leasecontracten hebt afgesloten voor een totale waarde van EUR 176.968 via een andere leasemaatschappij dan waarmee [verweerder] normaliter werkt. Drie van deze leasecontracten zijn zeer recentelijk afgesloten, voor een totale waarde van EUR 137.398. Eén van de leasecontracten betreft een contract voor maar liefst EUR 57.290 voor jezelf. In deze context is cruciaal dat jij op de hoogte bent van de financieel benarde situatie van [verweerder] en de oplopende betalingsachterstanden. Bovendien heb je mogelijk gehandeld in strijd met de bestaande financieringsovereenkomsten van Rabobank en Aegon (ALF), maar dit is onderdeel van nader onderzoek.
(…)
Het lijkt erop dat jij je plichten als bestuurder van de vennootschap ernstig hebt veronachtzaamd. Van een bestuurder mag meer zorgvuldigheid worden verwacht, des te meer gezien de financiële omstandigheden.
We hebben hier gisteren uitgebreid over gesproken en wij hebben aan jou duidelijk gemaakt dat wij dit hoog opnemen, nader onderzoek aan het doen zijn en ons juridisch moeten laten adviseren. (…)
Op 30 september 2025 heeft [verzoeker] een brief van [naam 1] ontvangen, waarin aan hem een vaststellingsovereenkomst werd aangeboden. Uit de brief volgt dat [verzoeker] tot 22.00 uur diezelfde avond de tijd heeft om de vaststellingsovereenkomst te accepteren.
[verzoeker] heeft het aanbod om een vaststellingsovereenkomst aan te gaan niet geaccepteerd.
Op vrijdag 3 oktober 2025 kreeg [verzoeker] om 17:36 uur een e-mail van [naam 1] waarin hem werd verzocht om te reageren op de bevindingen van het onderzoek. Dit heeft [verzoeker] op maandag 6 oktober 2025 om 12:40 uur gedaan.
Op dinsdag 7 oktober 2025 om 16:37 uur heeft [naam 1] de oproepingsbrieven en uitnodiging voor de AvA van [verweerder] , welke gepland stond op 17 oktober 2025, gestuurd. In de uitnodiging staat het volgende:
‘Op de agenda van de AvA staat het voorgenomen ontslag van jou als statutair bestuurder van [verweerder] . De AvA is op basis van de statuten van [verweerder] . bevoegd tot ontslag van een statutair bestuurder.
Zoals op 29 september jl. met jou is besproken bestaat de indruk dat jij je plichten als bestuurder van de vennootschap ernstig hebt veronachtzaamd en is hier een onderzoek naar gestart. Het lijkt erop dat er in totaal vier leasecontracten door jou zijn afgesloten voor een totale waarde van EUR 176.968,- via een andere leasemaatschappij dan waarmee [verweerder] . normaliter werkt, vermoedelijk zonder de vereiste toestemming te vragen van de AvA. In deze context is een cruciale omstandigheid dat jij als bestuurder op de hoogte bent van de
financieel benarde situatie waar [verweerder] zich momenteel in bevindt en de oplopende betalingsachterstanden. Jouw handelen levert bovendien mogelijk strijd op met de bestaande financieringsovereenkomsten van de Rabobank en Aegon
(ALF). Juist in jouw rol als bestuurder wordt meer zorgvuldigheid van jou verwacht. Het lijkt er dan ook op dat jij niet meer de meest geschikte persoon bent om de rol van bestuurder uit te oefenen.
Het voorgenomen ontslag volgt uit het belang van een zorgvuldig en verantwoord bestuur in het licht van de continuïteit van de onderneming.
Tijdens onze gesprekken/correspondentie is aangegeven dat wij onderzoek hebben gedaan naar jouw handelen en jouw verklaringen, hetgeen ook aan bod zal komen tijdens de AvA. Dat betekent dat jij tijdens de AvA zal worden gehoord over het voorgenomen besluit tot ontslag en dat je de gelegenheid zal krijgen een raadgevende stem uit te brengen. De agenda van de AvA tref je aan als Bijlage bij deze brief. Desgewenst kun je voorafgaand aan de AvA jouw zienswijze op het voorgenomen besluit en raadgevende stem schriftelijk kenbaar maken. Indien je daarvoor kiest, verzoeken wij je om uiterlijk op 13 oktober 2025 om 17:00 uur deze reactie te sturen. Uiteraard kun je er ook voor kiezen om jouw zienswijze tijdens de AvA toe te lichten.
We verzoeken je om uiterlijk vijf werkdagen voorafgaand aan de AvA van 17 oktober 2025 schriftelijk te laten weten of je de AvA zult bijwonen en zo ja, of je je zult laten bijstaan door een gemachtigde/advocaat onder vermelding van zijn/haar gegevens."
Bij e-mail van 13 oktober 2025 heeft [verzoeker] laten weten dat hij de brieven over het voorgenomen ontslag heeft ontvangen en dat hij zal proberen voor 17 oktober met een reactie te komen.
Bij e-mail van 15 oktober 2025 schrijft [naam 1] aan [verzoeker] :
‘Zoals opgenomen in de oproepingsbrief had jij t/m 13 oktober jl. de tijd om jouw zienswijze en raadgevende stem schriftelijk kenbaar te maken. Uiterlijk vijf dagen voor de AvA diende je schriftelijk te laten weten of je de Ava zult bijwonen en of je een gemachtigde (mr. [gemachtigde] ) zal meenemen. Jouw laatste bericht van afgelopen maandag waarin je aangeeft dat je zal proberen om voor de 17e met een reactie te komen is onduidelijk. Hieruit blijkt niet jouw zienswijze, raadgevende stem en evenmin of je aanwezig zult zijn.
We gaan er dan ook vanuit dat je a.s. vrijdag aanwezig bent bij de Ava met jouw gemachtigde mr. [gemachtigde] . Mocht dit niet zo zijn, dan dien je vandaag jouw zienswijze en raadgevende stem toe te sturen en aan te geven of er persoonlijke omstandigheden zijn waar rekening mee gehouden moet worden bij de besluitvorming. Hoe dan ook zal de AvA op vrijdag om 10.00u doorgang vinden.’
Diezelfde dag heeft [verzoeker] bij e-mail als volgt gereageerd:
‘Zoals jullie weten, heb ik mij op 12 september 2025 ziekgemeld. Ik heb nog geprobeerd deels door te werken, maar het gaat nu echt niet meer. Alles wat er nu gebeurt grijpt mij heel erg aan en daarnaast heb ik ook nog een forse longontsteking gekregen. Ik acht mij dan ook niet in staat de aandeelhoudersvergaderingen waarvoor ik ben uitgenodigd bij te wonen.
Ik zal dus niet tijdens de aandeelhoudersvergaderingen kunnen worden gehoord en in de gelegenheid zijn mijn raadgevende stem uit te brengen. Ik acht mij ook niet in staat om mij schriftelijk te laten horen en mijn raadgevende stem schriftelijk kenbaar te maken. Ik voel mij daarvoor echt te ziek.
Op dit moment ben ik ook niet goed in staat om mijn gedachten te ordenen en op deugdelijke wijze met mijn advocaat te overleggen. Daar komt nog eens bij dat mijn advocaat deze week afwezig is wegens vakantie.
Ik verzoek dan ook uitdrukkelijk de besluitvorming aan te houden totdat ik wel weer in staat ben om te worden gehoord en een raadgevende stem uit te brengen.
Ik begrijp echt niet waarom jullie maar doordenderen terwijl ik letterlijk ziek in bed lig.’
Op vrijdag 17 oktober 2025 heeft [naam 1] de notulen van de Algemene Vergadering van [verweerder] van die dag naar [verzoeker] gemaild. Blijkens de notulen is [verzoeker] op 17 oktober 2025 met onmiddellijke ingang ontslagen als bestuurder van [verweerder] .
Bij brief van 20 oktober 2025 is het ontslag op staande voet aan [verzoeker] bevestigd.
Op 30 januari 2026 zijn alle werkmaatschappijen van [verweerder] failliet verklaard. Bij beschikking van 9 maart 2026 is ook [verweerder] zelf failliet verklaard.
Op 13 maart 2026 hebben de curatoren de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] voorwaardelijk opgezegd tegen de eerst mogelijke datum, met inachtneming van de opzegtermijn.
[verzoeker] heeft sinds 1 april 2026 een nieuwe baan.
3 Het verzoek
in de zaak met kenmerk C/18/250968 / HA RK 25-86
Na herziening van het verzoek op de mondelinge behandeling verzoekt [verzoeker] om bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad als volgt:
primair, indien de eiswijziging van [verzoeker] wél toelaatbaar is:
I. het ontslag op staande voet van [verzoeker] van 17 oktober 2025 te vernietigen;
II. [verweerder] (de rechtbank begrijpt: de curatoren) te veroordelen tot betaling van het achterstallige salaris van [verzoeker] , te rekenen vanaf 17 oktober 2025, en [verweerder] (de rechtbank begrijpt: de curatoren) te veroordelen het salaris van [verzoeker] te blijven betalen zolang [verzoeker] in dienst is bij [verweerder] ;
subsidiair, indien de eiswijziging van [verzoeker] niet toelaatbaar is:
III. [verweerder] (de rechtbank begrijpt: de curatoren) te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding aan [verzoeker] ter grootte van € 14.021,12 bruto, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
IV. [verweerder] (de rechtbank begrijpt: de curatoren) te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding aan [verzoeker] ter grootte van € 21.151,86, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
V. [verweerder] (de rechtbank begrijpt: de curatoren) te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding aan [verzoeker] ter grootte van € 215.000,00 bruto, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
VI. [verweerder] (de rechtbank begrijpt: de curatoren) te veroordelen tot het voldoen van de eindafrekening, alsmede tot het verstrekken van een deugdelijke specificatie van de eindafrekening van [verzoeker] , zulks binnen zeven dagen na dagtekening van de te wijzen beschikking, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [verweerder] (de rechtbank begrijpt: de curatoren) daarmee in gebreke blijft (/blijven), zulks tot een maximum van € 25.000,00;
en in alle gevallen:
VII. te verklaren voor recht dat [verzoeker] ten onrechte op staande voet is ontslagen;
VIII. [verweerder] (de rechtbank begrijpt: de curatoren) te veroordelen tot betaling van de door [verzoeker] gemaakte buitengerechtelijke incassokosten ter grootte van € 6.775,00;
IX. [verweerder] (de rechtbank begrijpt: de curatoren) te veroordelen tot betaling van, voor zover van toepassing, de wettelijke verhogingen en de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid over de hiervoor genoemde bedragen.
De curatoren voeren verweer.
in de zaak met kenmerk C/18/251295 / HA RK 25-90
De curatoren verzoeken om bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [verzoeker] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 22.389,52 bruto aan de curatoren, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 20 oktober 2025 en met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.
[verzoeker] voert verweer.
4 De beoordeling
in de zaak met kenmerk C/18/250968 / HA RK 25-86
Eiswijziging op mondelinge behandeling
De rechtbank stelt allereerst vast dat zij op de mondelinge behandeling de “voorwaardelijke” eiswijziging van [verzoeker] heeft toegestaan, met dien verstande dat zij deze niet als voorwaardelijk ziet. De rechtbank zal dus beslissen op het verzoek zoals is weergegeven onder rechtsoverweging 3.1.
Primaire verzoek: vernietiging van het ontslag op staande voet
[verzoeker] vordert primair, indien zijn eiswijziging toelaatbaar is - daarmee bedoelt hij indien de ‘omgekeerde switch’ wél is toegestaan - om het (arbeidsrechtelijk) ontslag op staande voet van 17 oktober 2025 te vernietigen.
De rechtbank stelt voorop dat [verzoeker] een ‘dubbele’ rechtspositie heeft. Hij is zowel (statutair) bestuurder van [verweerder] als werknemer. Voor de rechtspositie als bestuurder gelden de regels van het vennootschapsrecht, voor de rechtspositie als werknemer de regels van het arbeidsrecht.
Aangezien [verzoeker] statutair bestuurder was en door een besluit van de AvA is ontslagen, welk besluit niet is aangevochten, heeft dit vennootschapsrechtelijk ontslag(besluit) in beginsel ook de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van de bestuurder tot gevolg. In het vennootschapsrechtelijk ontslagbesluit is ook de arbeidsrechtelijke opzegging begrepen. Voor een uitzondering op deze regel is alleen plaats als een wettelijk opzegverbod aan die beëindiging in de weg staat of als partijen anders zijn overeengekomen. 1 Met name wat betreft het opzegverbod tijdens ziekte is geoordeeld dat dit verbod in beginsel in de weg staat aan die beëindiging.2
Een bestuurder die door de AvA vennootschapsrechtelijk is ontslagen kan in beginsel dan ook geen vernietiging vragen van het arbeidsrechtelijk ontslag op staande voet. In geval van een bestuurder kan de werkgever namelijk op grond van artikel 7:671 lid 1, onder e, BW de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig opzeggen, zonder dat daarvoor een instemming van die bestuurder is vereist. Dat in het geval van ontslag van een bestuurder in beginsel geen vernietiging van die opzegging op grond van artikel 7:681 lid 1, onder a, BW kan worden verzocht, blijkt ook uit de wetgeschiedenis.3 De reden hiervoor is dat de wetgever vindt dat het in beginsel niet aan de overheid is om te oordelen over de vraag of de arbeidsovereenkomst van een bestuurder kan worden opgezegd, als een aandeelhoudersvergadering rechtsgeldig heeft besloten dat de bestuurder niet aan kan blijven.
Dat een werknemer die ook bestuurder is geen vernietiging kan vragen van een arbeidsrechtelijke opzegging, zoals een ontslag op staande voet, volgt ook uit artikel 2:244 lid 3 BW. Volgens dat artikel kan door de rechter namelijk geen veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst tussen de vennootschap en de bestuurder worden uitgesproken.
Artikel 2:244 lid 3 BW staat overigens alleen in de weg aan de vernietiging van een arbeidsrechtelijke opzegging, niet aan de nietigheid of vernietiging van een vennootschapsrechtelijk ontslag(besluit).4 Dat is echter niet verzocht, zodat de rechtbank ervan uit dient te gaan dat het vennootschapsrechtelijk ontslagbesluit onaantastbaar is.5
In het onderhavige geval is tussen partijen niet in geschil dat [verzoeker] vanaf 15 september 2025 ongeschikt was voor de uitvoering van zijn werkzaamheden wegens ziekte. Dit volgt uit het advies van de bedrijfsarts en [verzoeker] heeft dit op de mondelinge behandeling ook nader toegelicht. De curatoren hebben dit niet weersproken. [verzoeker] was ook ziek ten tijde van de opzegging op 17 oktober 2025, waardoor er sprake was van een opzegverbod tijdens ziekte als bedoeld in artikel 7:670 lid 1 BW.
Ingevolge artikel 7:670a lid 2 onder c BW is het opzegverbod tijdens ziekte niet van toepassing indien de opzegging geschiedt op grond van artikel 7:677 lid 1 BW (opzegging om een dringende reden) en het gegeven ontslag op staande voet geen verband houdt met de ziekte.
De door ( [verweerder] en) de curatoren gestelde dringende reden (waarover vanaf rechtsoverweging 4.21 meer) houdt geen verband met de ziekte. Zoals hierna vanaf rechtsoverweging 4.22 tot en met 4.26 zal worden overwogen, is de rechtbank echter van oordeel dat er in dit geval geen dringende reden is voor het ontslag op staande voet en dat de vennootschapsrechtelijke opzegging niet had mogen leiden tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst in arbeidsrechtelijke zin. Nu dat wel is gebeurd staat voor de bestuurder in beginsel dan wel de weg open om vernietiging te vragen. Het opzegverbod tijdens ziekte van artikel 7:670 lid 1 BW geldt namelijk ook voor een werknemer die bestuurder is. In geval van een opzegging in strijd met dat opzegverbod, heeft [verzoeker] de mogelijkheid om vernietiging te vragen van die opzegging op grond van artikel 7:681 lid 1, onderdeel b, BW.
Vraag is echter of [verzoeker] zijn verzoek in die zin nog heeft kunnen wijzigen.
De rechtbank stelt voorop dat [verzoeker] aanvankelijk in zijn eerste verzoekschrift van 16 december 2025 heeft berust in het ontslag op staande voet en een billijke vergoeding heeft verzocht. In zijn herziene verzoekschrift van 13 februari 2026 heeft [verzoeker] verzocht om het ontslag op staande voet (alsnog) te vernietigen. De curatoren stellen zich in tegenstelling tot [verzoeker] op het standpunt dat deze ‘omgekeerde switch’ niet mogelijk is. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.
In beginsel is de verzoeker op grond van artikel 283 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven, bevoegd om zijn verzoek of de gronden daarvan te verminderen, dan wel schriftelijk te veranderen of te vermeerderen.
In artikel 7:686a lid 4 aanhef en sub a BW is bepaald dat een werknemer binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd bij de rechter moet vragen om vernietiging van het ontslag. Ageert de werknemer niet binnen twee maanden, dan is hij te laat en kan hij niets meer tegen het ontslag ondernemen. Voor de beantwoording van de vraag of [verzoeker] kan terugkomen van zijn eerdere berusting in de opzegging en zich alsnog op de vernietigbaarheid van de opzegging kan beroepen, is onder meer het arrest Dibbets/Pinckers6 van belang. In dit arrest overwoog de Hoge Raad als volgt:
‘In geval een gegeven ontslag zowel in strijd met “de voor opzegging geldende bepalingen” als in strijd met een wettelijk opzegverbod is, kan de werknemer die niet reeds aanstonds ondubbelzinnig in beëindiging van de dienstbetrekking toestemt, al dan niet de nietigheid van het ontslag inroepen. Indien de werknemer tijdig en op de juiste wijze de nietigheid van het ontslag inroept, duurt de dienstbetrekking voort; doet hij dat niet, dan beëindigt het onregelmatig ontslag de dienstbetrekking tegen de aangezegde ontslagdatum, doch wordt de werkgever schadeplichtig”. Heeft de werknemer de nietigheid van het ontslag ingeroepen, dan kan hij – behoudens bijzondere omstandigheden – van die keuze terugkomen door jegens de werkgever ondubbelzinnig van zijn beroep op nietigheid afstand te doen.’
De rechtbank stelt voorop dat het arrest van de Hoge Raad niet één op één op deze situatie ziet. Immers in het arrest van de Hoge Raad ging het om de situatie dat eerst een beroep wordt gedaan op de nietigheid en vervolgens afstand wordt gedaan van dit beroep op nietigheid. In deze zaak gaat het om de omgekeerde situatie: [verzoeker] heeft eerst berust in de opzegging om vervolgens alsnog een beroep op de vernietigbaarheid te doen. Inmiddels is bovendien de WWZ ingevoerd en zijn er vervaltermijnen voor het indienen van dergelijke verzoeken opgenomen. Deze vervaltermijnen dienen de rechtszekerheid. Vraag is of na het verlopen van de vervaltermijn alsnog het verzoek kan worden gewijzigd en een verzoek kan worden ingediend tot vernietiging van het ontslag op staande voet. De rechtbank is van oordeel dat dit in beginsel wel kan, indien het aanvankelijke verzoek alsmede het latere verzoek als bedoeld in artikel 283 Rv berusten op dezelfde juridische en feitelijke grondslag. In de onderhavige zaak is sprake van dezelfde juridische grondslag van beide verzoeken, te weten artikel 7:681 BW en ook van dezelfde feitelijke grondslag, te weten een al dan niet rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet.
Naar het oordeel van de rechtbank kan een dergelijke herziening van het verzoek in de gegeven omstandigheden echter niet toegestaan worden. Daartoe is het volgende van belang.
De arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd op 17 oktober 2025.
In zijn eerste verzoekschrift, welke tijdig is ingediend, heeft [verzoeker] ondubbelzinnig geopteerd voor berusting. In dit verzoekschrift geeft hij zelf aan dat het niet realistisch is dat hij weer terug zou gaan naar [verweerder] . Door het faillissement van [verweerder] was het echter niet meer gunstig voor [verzoeker] om te berusten in het ontslag op staande voet. Dat is voor [verzoeker] de reden geweest om op 17 februari 2026 - ver na het verstrijken van de vervaltermijn van twee maanden - een herziend verzoek in te dienen waarin hij voorwaardelijk vernietiging van het ontslag op staande voet vraagt, namelijk ‘voor zover het faillissement zou worden uitgesproken’. Het (eventuele) faillissement is voor [verzoeker] dus de aanleiding geweest om alsnog vernietiging te vorderen, wetende dat hij niet terug zou kunnen keren - het is nimmer zijn intentie geweest om weer bij [verweerder] te gaan werken – maar dat dit voor hem financieel gunstiger zou (kunnen) uitpakken. De rechtbank is van oordeel dat er in deze omstandigheden, waarin [verzoeker] in eerste instantie zo duidelijk kiest voor berusting, dus ondubbelzinnig instemt met de beëindiging van de dienstbetrekking en waarin het voor hem enkel en alleen door het faillissement (financieel) gunstiger is om een verzoek tot vernietiging in te dienen om een betere financiële positie in het faillissement te hebben, geen aanleiding is om het verzoek tot vernietiging alsnog toe te staan. Dit klemt te meer omdat het verzoek aanvankelijk ook nog eens voorwaardelijk was ingesteld: voor zover er geen faillissement zou volgen dan zou hij berusten en voor zover er wel een faillissement zou volgen dan verzoekt hij vernietiging van de opzegging.
Nu de eiswijziging in het herstelde verzoek gelet op het voorgaande niet toelaatbaar is, is de voorwaarde van het primaire verzoek (na de tweede eiswijziging zoals opgenomen onder ‘De verzoeken’) niet vervuld. De verzoeken tot vernietiging van het ontslag op staande voet (I) en tot betaling van achterstallig salaris (II) hoeven daarom geen bespreking meer.
Nu de wijziging van het verzoek tot het toekennen van een billijke vergoeding in een verzoek tot vernietiging van de opzegging niet wordt toegestaan, zal de rechtbank verder in het midden laten of [verzoeker] een verzoek tot vernietiging van de opzegging wel had kunnen verzoeken bij de rechtbank of dat hij daarvoor zich tot de kantonrechter had moeten wenden.
Het ontslag op staande voet
Daarmee komt de rechtbank toe aan de subsidiaire verzoeken, namelijk die tot toekenning van een billijke vergoeding, de transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding. [verzoeker] legt aan deze verzoeken - kortgezegd - ten grondslag dat hij ten onrechte op staande voet is ontslagen. Niet alleen is er volgens hem geen sprake van een dringende reden voor ontslag op staande voet, ook is het ontslag op staande voet volgens [verzoeker] niet onverwijld gegeven. Dit wordt door de curatoren betwist. De vraag die dus voorligt is of [verweerder] [verzoeker] terecht op staande voet heeft ontslagen.
Juridisch kader
Een werknemer die ook bestuurder is, kan op grond van artikel 7:682 lid 3 BW een billijke vergoeding vragen, naast een vergoeding wegens een onregelmatige opzegging en een transitievergoeding, namelijk als er geen redelijke grond was voor de opzegging of die opzegging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
Omdat het ontslag op staande voet een uiterst middel is en mogelijk grote gevolgen heeft voor de werknemer, stelt de wet daaraan in artikel 7:677 lid 1 BW strenge eisen. Voor een dergelijke opzegging is op grond van het genoemde artikel vereist dat het ontslag onverwijld wordt gegeven, dat sprake is van een dringende reden en dat de dringende reden onverwijld is medegedeeld. Als dringende redenen voor de werkgever worden op grond van artikel 7:678 lid 1 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de dienstbetrekking te laten voortduren. De opzeggende partij, in dit geval [verweerder] , althans de curatoren namens [verweerder] , moeten de aanwezigheid van de dringende reden stellen en zo nodig bewijzen. Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een dringende reden, zijn de aan [verzoeker] opgegeven redenen zoals vermeld in de ontslagbrief maatgevend.
Dringende reden
Blijkens de ontslagbrief van 20 oktober 2025 werden door [verweerder] de volgende (vermeende) feiten aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd:
I. [verzoeker] zou in strijd met bijlage 1 van zijn arbeidsovereenkomst hebben gehandeld, want:
a. hij heeft vier operationele leasecontracten afgesloten namens [verweerder] B.V. bij [bedrijf] ;
b. de totale waarde van deze vier leasecontracten bedraagt € 176.968,00;
c. een van deze contracten heeft [verzoeker] voor zichzelf afgesloten, ter waarde van € 57.290,00;
d. [verzoeker] had voor het afsluiten van deze leasecontracten geen voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de AvA;
II. [verzoeker] zou in strijd met de bestaande financieringsovereenkomsten met de Rabobank en Aegon (ALF) hebben gehandeld;
III. het handelen van [verzoeker] niet zou stroken met het feit dat [verweerder] een melding betalingsonmacht bij de Belastingdienst heeft gedaan.
De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van een dringende reden voor het verlenen van ontslag op staande voet. Daartoe overweegt zij het volgende.
Kortgezegd komt de eerste aangevoerde ontslagreden er op neer dat [verzoeker] vier leasecontracten heeft afgesloten zonder overleg te voeren met de AvA terwijl dat volgens de curatoren gelet op de hoogte van de leasecontracten op grond van de bijlage van de arbeidsovereenkomst wel vereist was.
[verzoeker] voert aan en heeft op de mondelinge behandeling nader toegelicht dat het ging om vier afzonderlijke leasecontracten, dat ieder leasecontract zag op een auto met een waarde onder het bedrag genoemd in bijlage 1 onder c (€ 50.000,00 exclusief btw, € 60.500,00 inclusief btw), de bijlage waaruit volgt welke bestuursbesluiten voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de AvA behoeven, waardoor hij geen overleg hoefde te plegen en dat de auto’s waarvoor leasecontracten zijn afgesloten binnen het in het autoreglement gestelde budget zijn gebleven. Voornoemde betwisten de curatoren op zichzelf ook niet. De curatoren stellen zich echter op het standpunt dat alle vier leasecontracten samen moeten worden genomen en dat in dat geval het bedrag wél wordt overschreden waardoor goedkeuring van de AvA vereist is. De rechtbank kan de curatoren daar echter niet in volgen, omdat het afsluiten van de vier verschillende leasecontracten moet worden gezien als vier verschillende rechtshandelingen, welke hebben plaatsgevonden op verschillende momenten. De leasecontracten zijn afgesloten op respectievelijk 9 april 2024, 7 februari 2025, 10 maart 2025 en 7 mei 2025. Zonder nadere toelichting, die de curatoren niet hebben gegeven, valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien waarom het hier zou gaan om een reeks van samenhangende verbintenissen of rechtsverhoudingen zoals bedoeld in bijlage 1 sub c. De leasecontracten moeten daarom ieder afzonderlijk worden bekeken. Dit leidt tot de conclusie dat [verzoeker] met het aangaan van de leasecontracten het bedrag uit de bijlage niet heeft overschreden, waardoor hij geen toestemming van de AvA nodig had. Door de curatoren is ook niet gesteld dat het aangaan van leasecontracten buiten de normale bedrijfsvoering valt. Nu [verzoeker] niet in strijd heeft gehandeld met bijlage 1 van zijn arbeidsovereenkomst, levert dit geen dringende reden voor ontslag op staande voet op.
Vraag is vervolgens of [verzoeker] in strijd met de bestaande financieringsovereenkomsten met de Rabobank en Aegon (ALF) heeft gehandeld (ontslagreden II). De curatoren stellen zich op het standpunt dat het beleid was dat auto’s gekocht werden bij/via de Rabobank en dat [verzoeker] ervoor heeft gekozen om de auto’s te leasen via [bedrijf] . [verzoeker] betwist gemotiveerd dat het beleid was dat auto’s via de Rabobank moesten worden geleased. Integendeel, zo heeft [verzoeker] op de mondelinge behandeling toegelicht, voor leasecontracten kon [verweerder] helemaal niet bij de Rabobank terecht. Tot slot voert [verzoeker] hierover aan dat de financieringsovereenkomst met ALF en Rabobank waar de curatoren naar verwijzen, gaat over de financiering van het bedrijf en niet zag op het huren/leasen van auto’s. Gelet op deze betwisting had het op de weg van de curatoren gelegen om deze dringende reden nader te onderbouwen. Dit hebben zij niet gedaan. Dat het leasen via [bedrijf] een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert, is dan ook niet gebleken.
Vraag is vervolgens of er sprake is van onbehoorlijk bestuur. De curatoren stellen zich op het standpunt dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur omdat [verzoeker] dergelijke leasecontracten nooit af had mogen sluiten vanwege de financiële problemen van [verweerder] , waar [verzoeker] van op de hoogte was (ontslagreden III). Dit levert volgens de curatoren onbehoorlijk bestuur op en daarmee een dringende reden. [verzoeker] heeft niet betwist dat hij op de hoogte was van de financiële problemen, maar hij heeft daar tegenover gesteld dat de betreffende werknemers (inclusief hijzelf) op grond van hun arbeidsovereenkomst recht hadden op een lease auto. Ook heeft hij aangevoerd dat er vier auto’s kapot waren en dat een auto bovendien noodzakelijk was voor de uitvoering van de werkzaamheden. Dit is door de curatoren niet, althans niet gemotiveerd, weersproken. Evenmin hebben de curatoren, althans ook niet gemotiveerd, weersproken dat het goedkoper is om een auto te leasen dan om een kilometervergoeding te moeten betalen aan de betreffende werknemers. Daarnaast heeft [verzoeker] toegelicht dat de kosten voor de leasecontracten – na aftrek van de verkoop van de kapotte auto’s, welke verkoop een bedrag van € 20.000,00 heeft opgeleverd – in 2025 slechts € 9.000,00 bedroegen en dat het leasen ook na dat jaar nog steeds voordeliger was dan het in een eigen auto laten rijden van de werknemers. De rechtbank is van oordeel dat het afsluiten van de leaseovereenkomsten gelet op deze toelichting geen onbehoorlijk bestuur oplevert, zeker als de leasekosten afgezet worden tegen het jaarlijkse budget voor operationele kosten van € 12.000.000,00 en het feit dat [verzoeker] binnen dit budget bleef. De stelling van de curatoren dat [verzoeker] dan maar aan de betreffende werknemers had moeten uitleggen dat een (nieuwe) leaseauto niet mogelijk was, kan de rechtbank ook niet volgen. De betreffende werknemers die een auto nodig hadden voor het uitvoeren van het werk, reden immers al een auto van de zaak, die auto was kapot en de werknemers hadden er op basis van hun arbeidsovereenkomst recht op. Ook deze omstandigheden zijn door de curatoren niet weersproken. Gelet op het voorgaande is er van onbehoorlijk bestuur geen sprake en levert dit ook geen dringende reden voor ontslag op staande voet op.
Conclusie: het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig
Gelet op het voorgaande is er geen sprake van een dringende reden en is er niet voldaan aan dit vereiste voor het rechtsgeldig geven van een ontslag op staande voet. Wat er is aangevoerd omtrent de overige vereisten laat de rechtbank daarom verder in het midden. De opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft daarmee niet rechtsgeldig plaatsgevonden. De door [verzoeker] gevorderde verklaring voor recht dat hij ten onrechte op staande voet is ontslagen (vordering VII) zal daarom worden toegewezen.
Transitievergoeding
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het einde van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . De door [verzoeker] op grond van artikel 7:673 BW verzochte transitievergoeding (verzoek III) is daarom toewijsbaar. De hoogte van die vergoeding is, zo bepaalt artikel 7:673 lid 2 BW, voor elk jaar dat de arbeidsovereenkomst heeft geduurd gelijk aan een derde van het loon per maand en een evenredig deel daarvan voor een periode dat de arbeidsovereenkomst korter dan een jaar heeft geduurd. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat bij onregelmatige opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werkgever (wat hier het geval is), de hoogte van de wettelijke transitievergoeding moet worden bepaald aan de hand van het tijdstip waarop die arbeidsovereenkomst zou zijn geëindigd als de werkgever deze regelmatig zou hebben opgezegd.7 [verzoeker] becijfert deze vergoeding op € 14.021,12 bruto. De curatoren betwisten de juistheid van de door [verzoeker] berekende transitievergoeding niet. Dit bedrag zal daarom worden toegewezen.
Gefixeerde schadevergoeding
Met het onterechte ontslag op staande voet staat eveneens vast dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst onregelmatig heeft opgezegd, namelijk zonder inachtneming van de opzegtermijn. Bij regelmatige opzegging had de arbeidsovereenkomst op zijn vroegst kunnen eindigen op 1 december 2025, aldus [verzoeker] . Dit is door [verweerder] niet weersproken. De door [verzoeker] op grond van artikel 7:672 lid 11 BW verzochte vergoeding van het loon over de opzegtermijn ter hoogte van € 21.151,86 bruto inclusief vakantiegeld, die de curatoren niet hebben betwist, is dan ook toewijsbaar.
Billijke vergoeding
Daarnaast verzoekt [verzoeker] om een billijke vergoeding toe te kennen van € 215.000,00 bruto. Op grond van artikel 7:682 lid 3 BW kan de rechter aan een statutair bestuurder van een rechtspersoon, van wie herstel van de arbeidsovereenkomst op grond van Boek 2 BW niet mogelijk is (artikel 7:671 lid 1 sub e BW), op diens verzoek een billijke vergoeding toekennen, indien de opzegging:
a. in strijd is met artikel 7:669 BW, of
b. het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
Hiervoor is geoordeeld dat wat [verweerder] aan het ontslag op staande voet van [verzoeker] ten grondslag heeft gelegd, geen dringende reden oplevert, en dat zonder een rechtsgeldige dringende reden het ontslag op staande voet in strijd is met artikel 7:669 BW. Verder is opgezegd tijdens ziekte, dus in strijd met een opzegverbod. Dit leidt tot de conclusie dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, nu deze ernstige verwijtbaarheid reeds besloten ligt in de schending van de opzeggingsregels. 8
[verzoeker] stelt dat [verweerder] ook ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door op het moment dat [verweerder] ter ore kwam dat [verzoeker] arbeidsongeschikt was als gevolg van ziekte op zoek te gaan naar een manier om [verzoeker] te ontslaan, over te gaan tot het ontslag op staande voet zonder [verzoeker] in staat te stellen zijn raadgevende stem in de AvA uit te oefenen en zich onterecht op het standpunt te stellen niet bekend te zijn met het autoreglement, terwijl daaruit evident blijkt dat [verzoeker] niets fout heeft gedaan.
De rechtbank is met [verzoeker] van oordeel dat [naam 1] namens [verweerder] vanaf 10 september 2025 uit is geweest op een beëindiging van het dienstverband met [verzoeker] en toen bleek dat [verzoeker] daaraan niet wilde meewerken, [verweerder] heeft gezocht naar een reden om [verzoeker] te ontslaan. Nadat [verzoeker] op 10 september 2025 aangaf dat de zorgelijke financiële situatie van [verweerder] ook ten koste ging van zijn gezondheid, heeft [naam 1] in een aantal brieven daarna zich uitgelaten alsof [verzoeker] niet meer bij [verweerder] zou willen werken en er gesproken moest worden over de wijze van beëindigen, zelfs nadat [verzoeker] schriftelijk aangaf dat hij geen ontslag wilde nemen. [verzoeker] had zich inmiddels ziek gemeld. Toen het in gesprekken daarna niet mogelijk bleek om tot een beëindigingsovereenkomst te komen, heeft [verweerder] [verzoeker] kort daarna verwijten rondom de leasecontracten gemaakt. Dat [verweerder] daarbij niet serieus het standpunt van [verzoeker] heeft betrokken in haar afweging of [verzoeker] hierom zou moeten worden ontslagen, blijkt zowel uit het in de ontslagbrief benoemen dat niet is gebleken van enig autoreglement (waarop [verzoeker] zich onder meer beriep), terwijl die er wel was en [verweerder] zelf ook al eerder daarnaar had verwezen in de vragenlijst (productie 19 bij verzoekschrift), als uit het onvoldoende in de gelegenheid stellen van [verzoeker] om zijn raadgevende stem in de AvA uit te oefenen. [verzoeker] had immers verzocht de besluitvorming aan te houden omdat hij wegens ziekte niet in staat was bij de vergadering van de AvA aanwezig te zijn en inhoudelijk te reageren, terwijl zijn advocaat die week vakantie had. Nu niet is gesteld of gebleken waarom de vergadering van de AvA niet (in ieder geval) een week uitgesteld had kunnen worden, heeft [verweerder] door de vergadering door te zetten ondanks het aanhoudingsverzoek, naar het oordeel van de rechtbank [verzoeker] onvoldoende in de gelegenheid gesteld zijn raadgevende stem uit te oefenen. Het handelen van [verweerder] zoals hiervoor omschreven is naar het oordeel van de rechtbank ook als ernstig verwijtbaar handelen te kwalificeren.
Gelet op het voorgaande is het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding toewijsbaar.
Hoogte van de billijke vergoeding
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd.9 De rechtbank moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. Daarbij kan de hoogte van de billijke vergoeding mede worden bepaald aan de hand van de verwachte levensduur van de arbeidsovereenkomst. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
Wat betreft de hoogte van de aan [verzoeker] toe te kennen billijke vergoeding neemt de rechtbank allereerst in ogenschouw de hypothetische verwachte duur van het dienstverband als deze niet ten gevolge van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] zou zijn geëindigd op 20 oktober 2025. [verzoeker] was ziek op het moment van opzegging. Tot wanneer hij ziek is gebleven is niet gesteld, maar gelet op de omstandigheid dat hij vanaf 1 april 2026 een andere baan heeft, neemt de rechtbank aan dat er geen sprake is van blijvende arbeidsongeschiktheid wegens ziekte en dat [verzoeker] op enig moment weer aan het werk had gekund. Niet ter discussie staat dat de financiële situatie van [verweerder] zorgelijk was en dat over het aanpakken daarvan een verschil van inzicht was ontstaan tussen de bestuurders. Over de vraag of en hoe dat verschil van inzicht overbrugbaar zou zijn geweest, hebben partijen zich niet uitgelaten, maar op grond hiervan is niet de verwachting dat de arbeidsovereenkomst nog jaren zou hebben geduurd. Tegelijkertijd is het wel zo dat [verzoeker] een behoorlijk bedrag heeft geïnvesteerd in het bedrijf en hem er veel aan gelegen zal zijn geweest, zoals hij zelf ook stelt, dat het bedrijf financieel gezond zou worden en in ieder geval enige tijd zal hebben geprobeerd er met de andere bestuurder uit te komen. Naar het oordeel van de rechtbank lag het dan ook in de verwachting dat [verzoeker] nog wel bij [verweerder] in dienst zou zijn geweest op het moment dat [verweerder] is gefailleerd op 9 maart 2026. Nu de curatoren de arbeidsovereenkomst een paar dagen later voorwaardelijk hebben opgezegd, had de arbeidsovereenkomst, ook als het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] werd weggedacht, nooit langer bestaan dan tot - zoals beide partijen stellen - 1 april 2026, rekening houdende met de in acht te nemen opzegtermijn. Tussen 17 oktober 2025 en 1 april 2026 zijn circa 5,5 maanden verstreken. Nu zoals hiervoor overwogen [verzoeker] ook aanspraak heeft op een gefixeerde schadevergoeding ter hoogte van het inkomen dat hij bij voortzetting gedurende circa de eerste 1,5 maanden na ontslag aan loon zou hebben ontvangen, loopt [verzoeker] ongeveer vier maanden loon mis. [verzoeker] rekent aan gemist loon € 13.353,44, exclusief vakantiegeld van 8% en € 657,59 bruto aan gederfde werkgeversbijdragen pensioenpremie per maand. Nu deze bedragen niet zijn betwist, zal de rechtbank daarvan uitgaan. Dit komt neer op een bedrag van € 60.317,22 bruto. Dat [verzoeker] in de tussentijd inkomen heeft gehad dat daarop nog in mindering moet worden gebracht is gesteld noch gebleken. Daarbij alle omstandigheden in aanmerking nemende, namelijk het ontslag op staande voet zonder dat daarvoor een dringende reden bestond, de opzegging tijdens ziekte, het zoeken naar een reden om [verzoeker] te ontslaan en het niet serieus betrekken van het standpunt van [verzoeker] bij de afweging of er ontslag moest volgen, is de rechtbank van oordeel dat een billijke vergoeding van € 90.000,00 bruto recht doet aan de omstandigheden van het geval.
De curatoren zullen dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 90.000,00 bruto.
Eindafrekening
Tegen het verzoek van [verzoeker] om een eindafrekening te ontvangen, waaronder uitbetaling van het opgebouwde vakantiegeld en de niet-opgenomen vakantiedagen (in totaal 25 volgens [verzoeker] ) hebben de curatoren geen verweer gevoerd. Dit verzoek zal daarom ook worden toegewezen. Ook de gevorderde dwangsom zal wat betreft de veroordeling tot het verstrekken van een deugdelijke eindafrekening worden toegewezen, met dien verstande dat de termijn waarbinnen de curatoren hieraan moeten voldoen zal worden gesteld op 7 dagen na betekening van deze beschikking en de dwangsom zal worden gemaximeerd op een bedrag van € 10.000,00.
Buitengerechtelijke incassokosten
[verzoeker] verzoekt verder vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De curatoren voeren aan dat [verzoeker] in dit verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard, althans dat de procedure op grond van artikel 29 van de Faillissementswet wat dit betreft moet worden geschorst.
Nu het verzoek tot betaling van buitengerechtelijke kosten al bij het oorspronkelijke verzoekschrift is ingediend, waarna de procedures enige tijd geschorst zijn geweest, en de curatoren de procedures hebben overgenomen, mag worden aangenomen dat dat ook voor dit verzoek het geval is geweest. Dat dat anders is, is in ieder geval niet voldoende gesteld. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding [verzoeker] niet ontvankelijk te verklaren in dit verzoek en evenmin om de procedure hiervoor -nogmaals- te schorsen.
[verzoeker] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden toegewezen tot ten hoogste het bedrag van de wettelijke staffel zoals vermeld in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, zijnde een bedrag van € 2.452,34 inclusief btw.
Wettelijke rente en wettelijke verhoging
De wettelijke rente wordt toegewezen zoals in de beslissing is vermeld.
De verzochte wettelijke verhoging over de gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding en billijke vergoeding zal worden afgewezen, nu deze – zo bepaalt artikel 7:625 BW – enkel geldt voor te laat betaald loon. Een gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding en billijke vergoeding zijn geen loon waarover een wettelijke verhoging verschuldigd is. Over de bedragen die op grond van de eindafrekening nog aan [verzoeker] moeten worden betaald, zal wel de verzochte wettelijke verhoging worden toegewezen.
Proceskosten
De curatoren zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, (ambtshalve) worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
2.803,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
4.102,00 |
(2 punten × € 2.051,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
7.094,00 |
in de zaak met kenmerk C/18/251295 / HA RK 25-90
De curatoren maken aanspraak op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging als bedoeld in artikel 7:677 lid 2 en 3 BW. Zij stellen dat als geen sprake was geweest van een ontslag op staande voet, de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] in ieder geval had voortgeduurd tot 1 december 2025. Het verzoek van de curatoren is gebaseerd op de situatie dat het ontslag op staande voet terecht was gegeven. Zoals hiervoor reeds is geoordeeld is er geen sprake van een rechtsgeldig ontslag op staande voet vanwege het ontbreken van een dringende reden. Het verzoek van de curatoren zal daarom worden afgewezen.
De curatoren worden, nu zij in het ongelijk zijn gesteld, (ambtshalve) veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [verzoeker] begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
1.414,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
nihil |
|
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.603,00 |
5 De beslissing
De rechtbank
In de zaak met kenmerk C/18/250968 / HA RK 25-86
verklaart voor recht dat [verzoeker] ten onrechte op staande voet is ontslagen;
veroordeelt de curatoren tot betaling van de transitievergoeding aan [verzoeker] ter grootte van € 14.021,12 bruto;
veroordeelt de curatoren tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding aan [verzoeker] ter grootte van € 21.151,86;
veroordeelt de curatoren tot betaling van een billijke vergoeding aan [verzoeker] ter grootte van € 90.000,00 bruto;
veroordeelt de curatoren tot het voldoen van de eindafrekening, vermeerderd met de wettelijke verhoging daarover, alsmede tot het verstrekken van een deugdelijke specificatie van de eindafrekening van [verzoeker] , dit laatste binnen zeven dagen na betekening van deze beschikking, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat de curatoren daarmee in gebreke blijven, zulks tot een maximum van € 10.000,00;
veroordeelt de curatoren tot betaling van de door [verzoeker] gemaakte buitengerechtelijke incassokosten ter grootte van € 2.452,34 inclusief btw.
veroordeelt de curatoren tot betaling van de wettelijke rente over de bedragen zoals toegewezen in 5.2., 5.3., 5.4., 5.5. vanaf het moment van opeisbaarheid tot de dag der algehele voldoening en over de buitengerechtelijke incassokosten (5.6.) vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
verklaart de veroordelingen onder 5.2 tot en met 5.7 uitvoerbaar bij voorraad;
veroordeelt de curatoren in de proceskosten van € 7.094,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de curatoren niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
wijst af het meer of anders verzochte;
in de zaak met kenmerk C/18/251295 / HA RK 25-90:
wijst het verzochte af;
veroordeelt de curatoren in de proceskosten, aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 1.603,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Haisma en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2026. |
||
711/lw