RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummers: 09/239042-25, 05/029071-25 en 05/023380-25 (gev. ttz.)
Datum uitspraak : 20 oktober 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2008 in [geboortedatum] ,
wonend aan [adres] in [woonplaats] ,
raadsvrouw: mr. D. Greven, advocaat in Hengelo (OV).
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op terechtzittingen achter gesloten deuren.
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte (hierna ook: [verdachte] ) is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
in de zaak met parketnummer 09/239042-25
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 15 augustus 2025 te
Den Haag, althans in Nederland,
bij een coffeeshop gelegen aan [adres]
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
brand heeft/hebben gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft/hebben
gebracht, door
vuurwerk en/of een fles (met brandstof), althans een voorwerp, met een
aansteker aan te steken en/of met open vuur in aanraking te brengen
terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten
-
de bovenwoning(en) en/of aangrenzende panden in [adres] en/of
-
passerende en/of geparkeerde voertuigen in [adres] te duchten was
en/of
levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander,
te weten
-
de in voornoemde bovenwoning(en) aanwezige personen,
-
de in voertuigen aanwezige personen en/of
-
omstanders te duchten was;
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de
periode van 11 augustus 2025 tot en met 15 augustus 2025 te Harreveld,
althans in Nederland,
opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid,
middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- ( (via Instagram, Snapchat en/of Signal) die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] te
benaderen en/of over een c6 (Cobra 6) te spreken en/of aan te geven ‘C6
djoen nu’, ‘actief’,
- ( (via Snapchat en/of Signal) tegen die [medeverdachte 1] te zeggen dat hij en/of
[medeverdachte 2] naar Den Haag moest(en) gaan,
- ( (via Snapchat en/of Signal) die [medeverdachte 1] uit te leggen hoe hij en/of
[medeverdachte 2] naar Den Haag moest(en) gaan,
- ( (via Snapchat en/of Signal) die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] 250 euro per
persoon in het vooruitzicht te stellen,
- ( (via Snapchat en/of Signal) die [medeverdachte 1] door te geven dat er na afloop
van de klus een chauffeur voor [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] klaar stond en/of
- ( (via Snapchat en/of Signal) die [medeverdachte 1] in contact te brengen met een
derde (zodat die [medeverdachte 1] nadere instructies kon ontvangen).
in de zaak met parketnummer 05/029071-25
hij op of omstreeks 27 januari 2025 te Arnhem,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] , [aangever 2]
en/of [aangever 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of
zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of
bedreiging met geweld tegen voornoemde [aangever 1] , [aangever 4] , [aangever 5] en/of een
of meerdere onbekend gebleven personen,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te
maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan
het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te
verzekeren, door
-
met een vuurwapen in zijn hand op die [aangever 1] af te lopen,
-
tegen voornoemde [aangever 1] te zeggen en/of te schreeuwen “kassa, kassa, geef me
geld!” en/of “maak die kassa open”, althans woorden van soortgelijke aard en/of
strekking,
die [aangever 1] tegen een muur te duwen,
een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [aangever 1] ,
[aangever 4] en/of [aangever 5] te richten,
- tegen die [aangever 5] te zeggen “ga naar beneden nu”, althans woorden van soortgelijke
aard en/of strekking, en/of
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op een onbekend gebleven persoon te richten en/of (daarbij) aan die onbekend gebleven persoon de
woorden toe te voegen “leg de telefoon neer”, althans woorden van soortgelijke
dreigende aard en/of strekking;
subsidiair:
hij op of omstreeks 27 januari 2025 te Arnhem
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld
[aangever 1] , [aangever 4] en/of [aangever 5] heeft gedwongen tot de afgifte van een
geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever 1] , [aangever 2]
en/of [aangever 3] en/of een derde toebehoorde(n) door
-
met een vuurwapen in zijn hand op die [aangever 1] af te lopen,
-
tegen die [aangever 1] te zeggen en/of te schreeuwen “kassa, kassa, geef me geld!” en/of
“maak die kassa open”, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking,
-
die [aangever 1] tegen een muur te duwen,
-
een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [aangever 1] ,
[aangever 4] en/of [aangever 5] te richten,
- tegen die [aangever 5] te zeggen “ga naar beneden nu”, althans woorden van soortgelijke
aard en/of strekking, en/of
een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op een
onbekend gebleven persoon te richten en/of (daarbij) aan die onbekend gebleven
persoon de woorden toe te voegen “leg de telefoon neer”, althans woorden van
soortgelijke dreigende aard en/of strekking.
in de zaak met parketnummer 05/023380-25
hij op een of meerdere momenten in of omstreeks de periode van 30 mei 2024 tot en
met 31 mei 2024 te Zetten, gemeente Overbetuwe
[aangever 6] heeft mishandeld door
- die [aangever 6] één of meermalen tegen zijn kaak en/of zijn gezicht, althans zijn
lichaam, te slaan en/of
- die [aangever 6] één of meermalen kopstoten te geven
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had.
2 Het onderzoek op de terechtzitting
[verdachte] heeft drie dagvaardingen ontvangen. De rechtbank behandelt alle feiten op deze dagvaardingen gevoegd.
3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie
Het standpunt van de verdediging
In de zaak met parketnummer 05/023380-25 heeft de verdediging bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van [verdachte] omdat sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel. De raadsvrouw heeft gesteld dat zij zich op 15 augustus 2024 heeft gesteld als raadsvrouw van [verdachte] , onder vermelding van het proces-verbaalnummer van de politie. Op 9 oktober 2024 heeft [verdachte] een kennisgeving van niet verdere vervolging ontvangen van het OM met sepotcode 02 (onvoldoende bewijs). Hierin is vermeld dat de zaak een mishandeling in de periode 30/31 mei 2024 in Zetten betreft. In de brief wordt niets vermeld over feit 1 of feit 2 of over het onderscheid in afdoening tussen de 2 mishandelingen. Bovendien heeft de raadsvrouw op 16 oktober 2024 in reactie op haar stelbrief een bericht van het OM ontvangen waarin werd aangegeven dat de zaak tegen [verdachte] was geseponeerd, waarbij een afschrift van de sepotbrief werd verstrekt. Het OM heeft de raadsvrouw nooit op de hoogte gesteld van de Halt-verwijzing voor de zaak over de mishandeling van [aangever 6] . Zij en [verdachte] wisten niet beter dan dat het sepot op de gehele zaak zag en wisten tot 26 januari 2026 niet dat er een onderscheid was gemaakt tussen de behandeling van de zaak van [aangever 6] en de zaak van [aangever 7] . De raadsvrouw is van mening dat [verdachte] er vanaf 9 oktober 2024 gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij niet verder vervolgd zou worden. Dit is te meer het geval omdat zwaar lichamelijk letsel volgens de raadsvrouw niet bewezen kan worden, waardoor de ernst van het feit gering is. De raadsvrouw is zich ervan bewust dat de gevolgen van het feit niet gering zijn. Zij heeft er in dit verband op gewezen dat er voor [aangever 6] andere mogelijkheden zijn om de door hem geleden schade te vorderen. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing over de ontvankelijkheid van het OM niet gekleurd mag worden door de gevolgen die de niet-ontvankelijkheid zou hebben voor [aangever 6] als benadeelde partij.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de situatie op 26 januari 2026 op verzoek van de raadsvrouw verhelderd. Per e-mail heeft hij toen kenbaar gemaakt dat door het OM een onderscheid is gemaakt tussen de mishandeling van aangever [aangever 6] en de mishandeling van aangever [aangever 7] . Voor de mishandeling van [aangever 6] was [verdachte] verwezen naar Halt. Omdat [verdachte] op dat moment weggelopen was, heeft Halt de zaak over de mishandeling van [aangever 6] niet in behandeling genomen. Naar aanleiding van de terugmelding van Halt is [verdachte] gedagvaard. Ten aanzien van de mishandeling van [aangever 7] geldt dat er een sepotbeslissing is genomen, waarna een artikel 12-procedure bij het gerechtshof werd gevoerd. Vooruitlopend op de beslissing van het hof, werd [verdachte] ook voor de zaak [aangever 7] gedagvaard. Op 23 december 2025 heeft het gerechtshof de klacht van [aangever 7] ongegrond verklaard. Naar aanleiding van dat oordeel van het hof is de mishandeling van [aangever 7] vervolgens uit de tenlastelegging geschrapt. De officier van justitie is van mening dat hij gelet op de hiervoor genoemde gang van zaken nog steeds het recht heeft om [verdachte] te vervolgen voor de mishandeling van [aangever 6] .
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank overweegt dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) aan het Openbaar Ministerie (OM) de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan kan in zeer beperkte mate worden getoetst door de rechter. Alleen in heel uitzonderlijke gevallen kan het Openbaar Ministerie door de rechter niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging omdat het instellen of voortzetten van de vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde (ECLI:NL:HR:2020:228). Zo’n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd.
De rechtbank stelt het volgende vast:
-
[aangever 7] en [aangever 6] , beiden werkzaam bij [instelling 1] in Zetten, hebben ieder voor zich aangifte gedaan tegen [verdachte] in verband met mishandeling gepleegd tussen 30 mei 2024 om 23.00 uur en 31 mei 2024 om 02.30 uur in Zetten. [verdachte] is hierover op 15 augustus 2024 gehoord in aanwezigheid van zijn raadsvrouw, mr. Greven. [verdachte] bekende tijdens het verhoor dat hij [aangever 6] heeft geslagen en een kopstoot heeft gegeven. De mishandeling van [aangever 7] ontkende hij. De aangiftes en het verhoor van [verdachte] zijn opgenomen in het dossier met proces-verbaalnummer PL0600-2024248516.
-
Op 15 augustus 2024 stuurde de raadsvrouw een stelmail met betrekking tot voornoemd pv-nummer naar het OM.
-
Op 9 oktober 2024 is door het OM een sepotbrief opgemaakt en aan [verdachte] gestuurd. Als kenmerk staat (parket)nummer 05-321672-24 /205338438-BV0107 genoemd. Het zou een proces-verbaal over een mishandeling gepleegd 30-05-2024 t/m 31-05-2024 in Zetten betreffen. Als reden voor het sepot werd vermeld dat er onvoldoende bewijs was. In de brief is ook vermeld: deze zaak is hiermee afgedaan, tenzij (…) het gerechtshof alsnog een vervolging beveelt (…) als een ander (…) zich beklaagt’.
-
In het dossier zit een bericht van Halt van 21 november 2024 met betrekking tot pv-nummer PL0600-2024248516-8, betreffende een ontvangen verwijzing van 10 oktober 2024 over een (eenvoudige) mishandeling. De verwijzing kon niet in behandeling worden genomen omdat Halt geen contact kon krijgen met [verdachte] . [verdachte] stond sinds half september 2024 gesignaleerd omdat hij vermist was.
-
Op 16 oktober 2024 werd in reactie op voormelde stelmail door het Team Intake van het OM de kennisgeving sepot gestuurd onder de mededeling dat ‘De zaak tegen uw cliënt is geseponeerd.’
-
[aangever 7] heeft zich beklaagd en is in november 2024 een artikel 12 Sv-procedure gestart, welke klacht op 23 december 2025 door het gerechtshof ongegrond is verklaard.
-
Tussen het indienen van de klacht en de ongegrondverklaring door het gerechtshof is [verdachte] gedagvaard voor de mishandeling van [aangever 7] en [aangever 6] onder parketnummer 05/023380-25.
-
In haar e-mail van 8 januari 2026 heeft de raadsvrouw van [verdachte] de officier van justitie, met verwijzing naar de sepotbrief, gevraagd om opheldering omdat de zaak weer is gaan lopen onder een ander parketnummer.
-
Per e-mail van 26 januari 2026 heeft de officier van justitie vervolgens uitleg gegeven. Hieruit blijkt dat de sepotbrief zag op de aangifte van [aangever 7] en de Halt-verwijzing op de aangifte van [aangever 6] .
-
Tijdens zitting heeft de officier van justitie medegedeeld dat van een Halt-verwijzing altijd schriftelijk mededeling wordt gedaan aan de verdachte. Dit is een geautomatiseerd proces.
De rechtbank begrijpt dat door de kennisgeving van sepot van 9 oktober 2024 verwarring is ontstaan over de vervolging van de zaak over de mishandeling van aangever [aangever 6] . Desondanks vindt zij dat geen sprake is van een zodanig uitzonderlijk geval dat vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde.
Aan [verdachte] is weliswaar op 9 oktober 2024 een sepotbrief gestuurd, maar op of kort na die datum is ook de mededeling over de Halt-verwijzing aan hem gestuurd. Dat deze berichten [verdachte] niet of niet direct hebben bereikt omdat hij vermist was, doet daaraan niet af. Vanaf het verhoor was duidelijk dat sprake was van twee aangiftes. [verdachte] heeft één zaak direct bekend. Dat het sepot op beide aangiftes zou zien, mocht, mede gelet op de vermelde reden van sepot (onvoldoende bewijs), niet zomaar worden aangenomen. Bovendien was de raadsvrouw aanwezig bij het verhoor van [verdachte] op 15 augustus 2024 waarin hij de mishandeling van [aangever 6] heeft bekend. De reden van sepot (onvoldoende bewijs) die werd vermeld in de brief had ook haar daarom te denken moeten geven. Het pv-nummer van het politiedossier wordt in de sepotbrief ook niet genoemd. Wel een parketnummer. Dat het sepot zou zien op de aangifte van [aangever 6] is niet onmiskenbaar het geval. Bovendien was het sepot nog niet onherroepelijk en is er feitelijk ook een artikel 12 Sv-procedure gevolgd. Lopende de behandeling van die procedure is [verdachte] gedagvaard onder een ander parketnummer in verband met de mishandeling van [aangever 6] . Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat er bij [verdachte] op basis van de sepotbrief van 9 oktober 2024 misschien wel onduidelijkheid maar geen gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat geen vervolging zou plaatsvinden voor de mishandeling van [aangever 6] .
De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsvrouw over de niet-ontvankelijkheid van de het Openbaar Ministerie.
4 Overwegingen over het bewijs
In de zaak met parketnummer 09/239042-25 1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat op basis van het proces-verbaal van gevaarzetting niet kan worden geconcludeerd dat sprake is geweest van levensgevaar, noch van gevaar voor het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel. Omdat uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat het gevaar daadwerkelijk te duchten moet zijn geweest, moet het volgens de raadsvrouw naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest. De raadsvrouw heeft gesteld dat dit niet het geval was. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het vuur na enkele seconden uit zichzelf uit is gegaan, er geen glas is gebroken en niet is komen vast te staan dat zich andere personen in de omgeving van de ontploffing bevonden, waardoor een partiële vrijspraak voor het ten laste gelegde levensgevaar en gevaar voor personen zou moeten volgen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank volgt het verweer van de raadsvrouw over het levensgevaar en het gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Uit het onderzoek dat is verricht door de politie blijkt alleen van gevaar voor letsel, niet van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank vindt daarom het deel van de tenlastelegging dat ziet op het levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel niet bewezen. Zij zal [verdachte] daarom vrijspreken van dit deel van de tenlastelegging.
Met uitzondering van het levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel heeft [verdachte] dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen
-
het proces-verbaal van aangifte van [aangever 8] , p. 29 en 30;
-
het proces-verbaal van bevindingen, p. 39-40;
-
het proces-verbaal van bevindingen camerabeelden, p. 90-113;
-
het proces-verbaal van bevindingen, p. 123;
-
het proces-verbaal van bevindingen, p. 144-145;
-
het proces-verbaal van bevindingen, p. 148-154;
-
het proces-verbaal van bevindingen, p. 155-158;
-
het proces-verbaal van bevindingen, p. 181-186;
-
de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 6 oktober 2026.
In de zaak met parketnummer 05/029071-25 2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde diefstal met geweld in vereniging kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van het primair tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De beoordeling door de rechtbank
[verdachte] heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , p. 51 en 52;
- het proces-verbaal van bevindingen over de verklaring van getuige [aangever 4] , p. 73 en 74;
- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 85 t/m 88;
- de verklaring van [verdachte] afgelegd tijdens de terechtzitting van 6 oktober 2026.
Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat het primaire feit wettig en overtuigend is bewezen.
In de zaak met parketnummer 05/023380-25 3
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat de ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend is bewezen. Op basis van de bewijsmiddelen gaat hij er hierbij vanuit dat [verdachte] [aangever 6] één keer tegen zijn kaak heeft geslagen en één kopstoot heeft gegeven.
Het standpunt van de verdediging
Door de raadsvrouw is primair aangevoerd dat de dagvaarding partieel nietig is, omdat zowel uit de dagvaarding als uit het dossier niet blijkt waar het zwaar lichamelijk letsel uit bestaat. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het zwaar lichamelijk letsel niet is bewezen, waardoor partiële vrijspraak zou moeten volgen. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat onvoldoende bewijs aanwezig is om uit te gaan van meerdere kopstoten. Ze heeft de rechtbank gevraagd om uit te gaan van één kopstoot, zoals blijkt uit de verklaringen van [verdachte] en getuige [getuige 2] .
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad in zijn arrest van 18 januari 1949 (NJ 1949/423), een tenlastelegging zonder specificatie van het zwaar lichamelijk letsel heeft geaccepteerd, omdat de uitdrukking ‘zwaar lichamelijk letsel’ niet alleen kwalificatief, maar ook feitelijk van aard is. Dit maakt dat een nadere concretisering van het bestanddeel zwaar lichamelijk letsel niet vereist is. Dat is in de zaak van [verdachte] niet anders, omdat het voor [verdachte] en de verdediging duidelijk is wat hem wordt verweten. Daarom passeert de rechtbank het primaire verweer. Het subsidiaire verweer volgt de rechtbank wel. Hoewel de gevolgen van de mishandeling ingrijpend zijn voor [aangever 6] , blijkt uit het dossier niet dat bij [aangever 6] zwaar lichamelijk letsel is ontstaan ten gevolge van de handelingen van [verdachte] . De rechtbank zal [verdachte] daarom vrijspreken van dit deel van de tenlastelegging.
Met uitzondering van het strafverzwarende bestanddeel ‘zwaar lichamelijk letsel’ heeft [verdachte] dit feit bekend. Gelet op de partiële vrijspraak met betrekking tot het zwaar lichamelijk letsel zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die zij heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen
-
het proces-verbaal van aangifte van [aangever 6] , p. 20;
-
het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 29;
-
de verklaring van [verdachte] afgelegd tijdens de terechtzitting van 6 oktober 2026.
5 De bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten/het tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Bewezen kan worden dat:
in de zaak met parketnummer 09/239042-25
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 15 augustus 2025 te Den Haag,
althans in Nederland,
bij een coffeeshop gelegen aan [adres]
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
brand heeft/hebben gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft/hebben gebracht,
door
vuurwerk en/of een fles (met brandstof), althans een voorwerp, met een aansteker
aan te steken en/of met open vuur in aanraking te brengen
terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten
- de bovenwoning(en) en/of aangrenzende panden in [adres] en/of
- passerende en/of geparkeerde voertuigen in [adres] te duchten was
en/of
levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
-
de in voornoemde bovenwoning(en) aanwezige personen,
-
de in voertuigen aanwezige personen en/of
-
omstanders te duchten was;
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van
11 augustus 2025 tot en met 15 augustus 2025 te Harreveld, althans in Nederland,
opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid,
middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- ( (via Instagram, Snapchat en/of Signal) die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] te
benaderen en/of over een c6 (Cobra 6) te spreken en/of aan te geven ‘C6
djoen nu’, ‘actief’,
- ( (via Snapchat en/of Signal) tegen die [medeverdachte 1] te zeggen dat hij en/of
[medeverdachte 2] naar Den Haag moest(en) gaan,
- ( (via Snapchat en/of Signal) die [medeverdachte 1] uit te leggen hoe hij en/of
[medeverdachte 2] naar Den Haag moest(en) gaan,
- ( (via Snapchat en/of Signal) die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] 250 euro per
persoon in het vooruitzicht te stellen,
- ( (via Snapchat en/of Signal) die [medeverdachte 1] door te geven dat er na afloop
van de klus een chauffeur voor [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] klaar stond en/of
- ( (via Snapchat en/of Signal) die [medeverdachte 1] in contact te brengen met een
derde (zodat die [medeverdachte 1] nadere instructies kon ontvangen).
in de zaak met parketnummer 05/029071-25, primair
hij op of omstreeks 27 januari 2025 te Arnhem,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] , [aangever 2]
en/of [aangever 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of
zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of
bedreiging met geweld tegen voornoemde [aangever 1] , [aangever 4] , [getuige 1] en/of een
of meerdere onbekend gebleven personen,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te
maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan
het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te
verzekeren, door
-
met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in zijn hand op die [aangever 1] af te lopen,
-
tegen voornoemde [aangever 1] te zeggen en/of te schreeuwen “kassa, kassa, geef me
geld!” en/of “maak die kassa open”, althans woorden van soortgelijke aard en/of
strekking,
-
die [aangever 1] tegen een muur te duwen,
-
een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [aangever 1] ,
[aangever 4] en/of [getuige 1] te richten,
- tegen die [getuige 1] te zeggen “ga naar beneden nu”, althans woorden van soortgelijke
aard en/of strekking, en/of
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op een onbekend gebleven persoon te richten en/of (daarbij) aan die onbekend gebleven persoon de
woorden toe te voegen “leg de telefoon neer”, althans woorden van soortgelijke
dreigende aard en/of strekking;
in de zaak met parketnummer 05/023380-25
hij op een of meerdere momenten in of omstreeks de periode van 30 mei 2024 tot en
met 31 mei 2024 te Zetten, gemeente Overbetuwe
[aangever 6] heeft mishandeld door
- die [aangever 6] eenmaal of meermalen tegen zijn kaak en/of zijn gezicht, althans zijn
lichaam, te slaan en/of
- die [aangever 6] één kopstoot of meermalen kopstoten te geven
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had.
De rechtbank heeft taal- of schrijffouten in de tenlastelegging verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn belang geschaad.
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van die onderdelen van de tenlastelegging die niet zijn bewezen.
6 De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
in de zaak met parketnummer 09/239042-25
medeplichtigheid aan opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is ;
in de zaak met parketnummer 05/029071-25, primair
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen ;
in de zaak met parketnummer 05/023380-25
mishandeling .
7 De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
8 De strafbaarheid van de verdachte
Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van [verdachte] geheel uitsluiten. [verdachte] is strafbaar.
9 De motivering van de straf en maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 231 dagen, met aftrek van de tijd die hij in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie een voorwaardelijke PIJ-maatregel geëist, met een proeftijd van twee jaar onder de voorwaarden zoals geadviseerd door de deskundigen en de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). De officier van justitie heeft de rechtbank naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting gevraagd om als aanvulling op de geadviseerde voorwaarden op te nemen dat [verdachte] vooruitlopend op de behandeling bij [instelling 3] moet meewerken aan behandeling bij Accare of een soortgelijke hulpverlener. Ook heeft de officier van justitie de rechtbank gevraagd om te bevelen dat de aan [verdachte] op te leggen voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
De officier van justitie heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat het verzoek van de benadeelde partij [bedrijf] B.V. om een locatieverbod aan [verdachte] op te leggen kan worden afgewezen.
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om het inmiddels geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank erop gewezen dat [verdachte] al een aanzienlijk aantal dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waaronder een deel van de tijd in beperkingen. Bovendien heeft [verdachte] daarna een lange tijd een enkelband gedragen in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis en heeft hij meegewerkt aan het zeer strenge ITB Harde Kern traject van de reclassering. De raadsvrouw heeft bepleit dat een behandeling meer kans van slagen heeft als [verdachte] goed in zijn vel zit en gemotiveerd is. Zij heeft ter discussie gesteld of al voldoende is geprobeerd de behandeling te laten plaatsvinden in een ambulante setting. De raadsvrouw heeft de rechtbank gevraagd om de bijzondere voorwaarden op te leggen in het kader van een voorwaardelijke jeugddetentie, met daarbij ambulante behandeling bij Accare of een soortgelijke hulpverlener.
Over het locatieverbod heeft de raadsvrouw betoogd dat [verdachte] zelf niet in Den Haag is geweest. Ook is geen dreiging uitgegaan van [verdachte] sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis. De raadsvrouw heeft daarom te kennen gegeven geen aanleiding te zien om een locatieverbod voor [adres] in Den Haag op te leggen.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan [verdachte] moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] en met de inhoud van de volgende stukken:
-
het uittreksel justitiële documentatie van 1 september 2026 (het strafblad);
-
het rapport van de Raad van 7 september 2026;
-
het psychiatrisch rapport Pro Justitia van I.T.M. Nurmohamed van 3 juli 2026;
-
het psychologisch rapport Pro Justitia van drs. D.B. Wisman van 12 mei 2025.
In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
De ernst van de feiten
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan drie strafbare feiten.
In de eerste plaats was hij betrokken bij het veroorzaken van een explosie met gevaar voor goederen, door via Instagram en Signal de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te benaderen voor een klus met een Cobra 6. [verdachte] heeft [medeverdachte 1] instructies gegeven via Signal en hem en [medeverdachte 2] € 250,- per persoon in het vooruitzicht gesteld voor het veroorzaken van de explosie. Ook heeft [verdachte] [medeverdachte 1] in contact gebracht met een derde persoon zodat [medeverdachte 1] verdere instructies voor de klus kon ontvangen. [verdachte] zou hiervoor zelf € 2.000,- ontvangen.
De rechtbank overweegt dat van geluk mag worden gesproken dat door de explosie geen lichamelijk letsel is veroorzaakt. De rechtbank overweegt ook dat het voor omwonenden traumatiserend kan zijn als er in hun buurt een explosief tot ontploffing wordt gebracht. Als gevolg van de explosie is de coffeeshop op last van de burgemeester van Den Haag een maand gesloten geweest. Naast de materiële schade en de financiële gevolgen van de sluiting ondervinden de personen die de coffeeshop exploiteren tot op heden nog last van het feit dat voor hen onduidelijk is gebleven waarom zij het doelwit zijn geweest van de explosie. Tijdens de zitting heeft [verdachte] verteld dat hij niet weet waarom de coffeeshop doelwit was en dat hij hier ook niet over heeft nagedacht.
Naast zijn betrokkenheid bij de explosie heeft [verdachte] zich samen met medeverdachte [medeverdachte 3] schuldig gemaakt aan een overval op een lunchroom. Zij zijn samen, met bivakmutsen op, de lunchroom binnengegaan. Vervolgens hebben zij de medewerkers van de lunchroom en de aanwezige klanten bedreigd met een (al dan niet echt) vuurwapen. [verdachte] en [medeverdachte 3] hebben hun (nep)wapen gericht op de medewerkers en de klanten. Zij dwongen de medewerker achter de kassa om deze te openen. [verdachte] kon zo het geld wegnemen en [medeverdachte 3] bewaakte de in- en uitgang van de lunchroom. Dit alles heeft voor een zeer dreigende situatie in de lunchroom gezorgd. De rechtbank kan zich indenken dat deze gewapende overval voor de slachtoffers een traumatische ervaring moet zijn geweest die nog lang kan blijven doorwerken. Hier hebben [verdachte] en [medeverdachte 3] in het geheel niet bij stilgestaan. Het heeft hen er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van anderen, te proberen op deze manier snel aan geld te komen. Dit soort misdrijven hebben een grote impact op de slachtoffers en zorgen ook voor maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid. De rechtbank rekent dit [verdachte] aan.
Tot slot heeft [verdachte] zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van een groepsleider toen hij binnen de gesloten jeugdzorg verbleef bij [instelling 1] in Zetten. [verdachte] heeft de begeleider hierbij een vuistslag en een kopstoot gegeven. Tijdens de zitting heeft de groepsleider verteld en voelbaar gemaakt welke impact de mishandeling nog altijd heeft op hem zelf en op zijn gezin.
De persoon van [verdachte]
De rechtbank heeft gelet op het strafblad van 1 september 2026, waaruit volgt dat [verdachte] één keer eerder door de rechtbank is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
Over [verdachte] is een Pro Justitia rapportage opgemaakt. De psycholoog heeft in eerste instantie zelfstandig gerapporteerd op 12 mei 2025. De rechtbank onderkent dat deze rapportage inmiddels is verouderd. Door de psychiater is gerapporteerd op 3 juli 2026. Uit deze rapportage blijkt dat er meermaals contact is geweest met de psycholoog en dat er overeenstemming is over de diagnostische bevindingen, het interventieadvies, de inschatting van het recidiverisico en het geadviseerde juridisch kader.
De deskundigen hebben gerapporteerd dat bij [verdachte] sprake is van een reactieve (hechtings) stoornis met secundair een normoverschrijdende gedragsstoornis, een stoornis in het gebruik van cannabis en een ernstig bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale persoonlijkheidskenmerken. Deze stoornissen waren ook aanwezig toen [verdachte] de strafbare feiten pleegde. De deskundigen adviseren om [verdachte] de feiten bij een bewezenverklaring in verminderde mate toe te rekenen. Het recidiverisico op toekomstig gewelddadig en crimineel gedrag wordt hoog ingeschat bij het uitblijven van afdoende interventie binnen een passend kader. Om het recidivegevaar te beperken wordt door de deskundigen een gesloten klinische behandeling geadviseerd, gericht op een motiveringstraject, de persoonlijkheidsproblematiek en de forse regulatieproblematiek, behandeling van het cannabisgebruik, delict analyse en scholing. Ook wordt geadviseerd in de behandeling aandacht te besteden aan het vormen van pro-sociale contacten en vrijetijdsbesteding. Bij stabilisatie is verder onderzoek naar onderliggend trauma, autisme en ADHD gewenst. De deskundigen adviseren verder om zo mogelijk te werken aan contactherstel met biologische familieleden en de pleegouders. Bij een positieve ontwikkeling van [verdachte] kan worden toegewerkt naar ambulante behandeling of begeleiding en een passende dagbesteding/ vrijetijdsbesteding en woonsituatie. De deskundigen zijn van mening dat een PIJ-maatregel nodig is om de benodigde behandelsituatie (gesloten en gedwongen) te creëren. In het kader van deze maatregel is benodigde behandeling gewaarborgd. De deskundigen adviseren de rechtbank om aan [verdachte] een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen met bijzondere voorwaarden die aansluiten bij het interventieadvies. Gelet op de voorgeschiedenis en complexe problematiek van [verdachte] verwachten de deskundigen dat veel tijd nodig zal zijn om met [verdachte] tot een werkrelatie (motivatie, klik, vertrouwen) te kunnen komen.
De Raad heeft op 7 september 2026 een rapport over [verdachte] opgesteld. De Raad kan zich vinden in de uitkomsten van de Pro Justitia onderzoek en begrijpt het gegeven advies en de noodzaak tot behandeling. De Raad adviseert de rechtbank om aan [verdachte] een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen die van gelijke duur is als het voorarrest. Daarnaast adviseert de Raad een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen met een proeftijd van twee jaar onder de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de jeugdreclassering, wonen bij [instelling 2] , behandeling bij FPK [instelling 3] in [plaats] , zich houden aan de regels en aanwijzingen van FPK [instelling 3] en de jeugdreclassering, zich inzetten voor een passende dagbesteding, vrijetijdsbesteding of onderwijstraject, inzicht geven in zijn middelengebruik en meewerken aan door de jeugdreclassering noodzakelijk bevonden hulpverlening. De Raad heeft de rechtbank geadviseerd om begeleiding en toezicht van de jeugdreclassering van Jeugdbescherming Overijssel op te leggen en de dadelijke uitvoerbaarheid te bevelen van de voorwaarden en het toezicht.
De jeugdreclasseerder heeft tijdens de zitting verteld dat [verdachte] zich sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis naar zijn kunnen heeft ingezet om zich aan de opgelegde voorwaarden te houden. Dit was zwaar voor hem, omdat hij lange tijd in detentie of een gesloten setting heeft verbleven. In de rapportages over [verdachte] zijn mooie doelen geformuleerd. Op dat vlak is nog veel te doen. De jeugdreclasseerder heeft aangegeven het recidiverisico te groot te vinden als de behandeling van [verdachte] ambulant zou plaatsvinden en niet in een klinische setting zoals bij [instelling 3] . De jeugdreclasseerder is van mening dat het advies van de deskundigen passend is voor een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van [verdachte] .
Overschrijding redelijke termijn
De rechtbank heeft rekening gehouden met het tijdsverloop in deze strafzaak. De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Europese Verdrag inzake de Rechten van de Mens (EVRM) het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Voor jeugdigen geldt dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen. De termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
Voor de zaak met de parketnummer 05/029071-25 (overval op de lunchroom) geldt dat het eerste verhoor van [verdachte] op 28 januari 2025 heeft plaatsgevonden. Vanaf dat moment had hij redelijkerwijs mogen verwachten dat tegen hem in deze zaak vervolging ingesteld zou worden. De rechtbank doet op 20 oktober 2026 uitspraak. De redelijke termijn is dan met een periode van ruim 4 maanden overschreden. Deze overschrijding is niet aan [verdachte] toe te rekenen. Daarom zal dit in strafmatigende zin worden meegewogen en vormt dit mede de aanleiding om de hierna op te leggen jeugddetentie in duur te beperken.
De strafoplegging
Alles afwegende komt de rechtbank tot de volgende conclusie. De rechtbank neemt de adviezen van de deskundigen over en zal bij de bepaling van de straf uitgaan van de verminderde toerekenbaarheid van [verdachte] . Verder houdt de rechtbank rekening met het hiervoor beschreven tijdsverloop in de zaak met parketnummer 05/029071-25. De rechtbank overweegt verder dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige strafbare feiten waar forse straffen op staan. Zeker bij feiten als de overval en de medeplichtigheid aan het veroorzaken van een explosie is normaal gesproken een forse onvoorwaardelijke jeugddetentie op zijn plaats. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank echter de duur van die onvoorwaardelijke jeugddetentie beperken.
Zoals volgt uit de rapportages van de deskundigen en de Raad is het gelet op de belaste voorgeschiedenis van [verdachte] en de bij hem geconstateerde stoornissen van belang dat een voor hem passende behandeling kan gaan starten. De rechtbank is van oordeel dat is voldaan aan de vereisten voor het opleggen van een voorwaardelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel), zoals bedoeld in artikel 77s lid 1 Sr. Dit blijkt uit het volgende.
Ten tijde van het plegen van de strafbare feiten bestond bij [verdachte] een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, zoals hiervoor beschreven. [verdachte] heeft twee misdrijven gepleegd waarop in het Wetboek van Strafrecht (Sr) een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. De veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen vereist het opleggen van de maatregel, gelet op het door de deskundigen ingeschatte recidivegevaar. Tot slot is de maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van [verdachte] .
De rechtbank overweegt dat de PIJ-maatregel onder meer wordt opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat. De rechtbank volgt het advies van de deskundigen en zal de maatregel voorwaardelijk opleggen met daarbij een proeftijd van twee jaar. Hieraan worden de bijzondere voorwaarden verbonden zoals geadviseerd door de Raad, aangevuld met een voorwaarde die ziet op de behandeling bij Accare, vooruitlopend op de plaatsing van [verdachte] bij FPK [instelling 3] .
Naast de voorwaardelijke PIJ-maatregel legt de rechtbank aan [verdachte] een onvoorwaardelijke jeugddetentie op die gelijk is aan de tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Dit betekent dat [verdachte] niet terug hoeft naar de JJI.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank zal tot slot de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden bevelen, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat [verdachte] opnieuw een misdrijf zal begaan dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De aard van de bewezen verklaarde feiten en de inschatting van het recidiverisico door de deskundigen maken dat de rechtbank van oordeel is dat aan het criterium van artikel 77za Sr is voldaan. De rechtbank vindt het van groot belang dat de jeugdreclassering de begeleiding van [verdachte] direct na de uitspraak kan voortzetten, ook als [verdachte] in hoger beroep zou gaan tegen dit vonnis.
De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
10 De beoordeling van de civiele vorderingen
In de zaak met parketnummer 09/239042-25
[bedrijf] B.V., vertegenwoordigd door [aangever 8] en tijdens de terechtzitting bijgestaan door mr. T.A. Lindsen, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 27.040,96 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en € 1.672,- aan proceskosten. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toe te wijzen. Daarnaast heeft de officier van justitie een proceskostenveroordeling verzocht en de betaling van de wettelijke rente. Tot slot heeft de officier van justitie verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij in verband met de leeftijd van [verdachte] geen gijzeling wordt toegepast.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd. Volgens haar ligt het voor de hand om jaarcijfers van de onderneming van meerdere jaren te vergelijken voordat een beoordeling van de vordering kan plaatsvinden. De raadsvrouw is van mening dat het te ver voert om de strafzaak tegen [verdachte] aan te houden om meer inzicht te krijgen in de jaarcijfers van de onderneming. Daarom geldt voor de vordering van Space Bal dat deze niet zo eenvoudig van aard is dat deze zich leent voor behandeling in de strafzaak. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting oplevert voor de strafzaak, althans in elk geval voor zover de vordering ziet op de gederfde winst. Zij is daarom van mening dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering.
De beoordeling door de rechtbank
Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting wordt vastgesteld dat de
benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde
feit. Voor zover de vordering betrekking heeft op de post herstelwerkzaamheden aan
de gevel, is deze namens de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende
onderbouwd. De rechtbank zal de vordering voor wat betreft deze schadepost van € 2.700,- daarom toewijzen. Dit bedrag is exclusief de gevorderde btw.
Als gevolg van de ontploffing is de coffeeshop op last van de burgemeester van de
gemeente Den Haag gesloten van 15 augustus 2025 03.00 tot 15 september 2025 03.00 uur.
Op het moment van de ontploffing was de benadeelde partij in het buitenland. De
benadeelde partij was van plan om op 28 augustus 2025 de werkzaamheden in de
coffeeshop te hervatten. De benadeelde partij heeft voldoende onderbouwd aangedragen dat zij door de sluiting van 28 augustus 2025 tot 16 september 2025, in totaal 19 dagen, winst heeft misgelopen als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde feit. De winst van de maanden juli en september 2025 is doorberekend naar 19 dagen om tot een billijke schatting te komen van de misgelopen winst. Uit de stukken die als bijlage bij de vordering zijn gevoegd, blijkt dat de winst in de maand september 2025 aanzienlijk lager lag dan die in de maand juli 2025. Het gevorderde bedrag aan gederfde winst voor de periode van 28 augustus 2025 tot en met 15 september 2025 is daarmee door de benadeelde partij al teruggebracht en gematigd aan de hand van objectief toetsbare gegevens. De wijze van berekenen komt uit op een al sterk gematigd eindbedrag. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 24.340,96 daarom toewijzen.
Het toe te wijzen totaalbedrag als vergoeding van de materiële schade bedraagt € 27.040,96.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente over de herstelkosten toe met
ingang van 11 november 2025, omdat uit de stukken blijkt dat de betreffende kosten op die
datum zijn gemaakt. De wettelijke rente over de gederfde winst wordt toegewezen
vanaf 28 augustus 2025, omdat de coffeeshop vanaf die datum gedwongen gesloten moest
blijven.
Omdat de vordering wordt toegewezen, wordt [verdachte] ook veroordeeld in de kosten die
de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De
benadeelde partij heeft verzocht de proceskosten vast te stellen door aan te sluiten bij het
liquidatietarief. De rechtbank zal de kosten van de rechtsbijstand begroten aan de hand van
het liquidatietarief voor rechtbanken. De gevorderde proceskosten zullen worden begroot
aan de hand van het toepasselijke liquidatietarief van € 836,- x 2 punten: een punt voor het
opstellen en indienen van de vordering en een punt voor het toelichten van de vordering ter
zitting, te weten een bedrag van € 1.672,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de
vijftiende dag na dit vonnis. Daarnaast wordt [verdachte] veroordeeld in de kosten die de
benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Omdat [verdachte] het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Daarbij geldt dat [verdachte] , voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Om te bevorderen dat de schade door [verdachte] wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze, waarbij de maatregel alleen ziet op het toegewezen bedrag. In verband met de leeftijd van [verdachte] wordt geen gijzeling toegepast.
In de zaak met parketnummer 05/029071-25
De benadeelde partijen [aangever 1] , [aangever 4] en [getuige 1] hebben in verband met de ten laste gelegde gewapende overval een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partijen vorderen € 3.500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van elk van de benadeelde partijen kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente. De officier van justitie vordert ook oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de grondslag van de vordering niet betwist. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partijen kan worden toegewezen tot een maximum van € 2.000,- per persoon.
De beoordeling door de rechtbank
Een benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
-
verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
-
de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
-
de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
-
de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
In de jurisprudentie is bepaald dat van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ niet alleen sprake is als geestelijk letsel kan worden vastgesteld, maar ook als de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij die conclusie rechtvaardigen. De nadelige gevolgen kunnen zo voor de hand liggen dat een aantasting van de persoon kan worden aangenomen, zonder onderbouwing aan de hand van stukken (HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376).
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat tijdens zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partijen door de bewezenverklaarde gewapende overval alle drie schade hebben geleden die binnen één van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Door de overval zijn de benadeelde partijen immers op andere wijze in de persoon aangetast. Dit is aan [verdachte] toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De rechtbank wijst voor alle drie de benadeelde partijen de volledige vordering van € 3.500,- toe.
[verdachte] is wettelijke rente verschuldigd vanaf 27 januari 2025.
De rechtbank overweegt dat [verdachte] en de medeverdachte ( [medeverdachte 3] ) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. [verdachte] hoeft niet meer te betalen indien en voor zover [medeverdachte 3] de schade heeft vergoed.
Om te bevorderen dat de schade door [verdachte] wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze, waarbij de maatregel alleen ziet op het toegewezen bedrag. In verband met de leeftijd van [verdachte] wordt geen gijzeling toegepast.
In de zaak met parketnummer 05/023380-25
De benadeelde partij [aangever 6] heeft in verband met de bewezenverklaarde mishandeling een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 24.565,32 aan materiële schade en € 33.000,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering vanwege het gevoerde preliminaire verweer over de ontvankelijkheid van het OM. Subsidiair is de raadsvrouw van mening dat een behandeling van de vordering een onevenredige belasting vormt voor de strafzaak. Ze heeft in dat verband opgemerkt dat het een uitgebreide vordering betreft en dat een hoog schadebedrag wordt gevorderd. De late indiening van de vordering verdraagt zich niet met de eisen van een eerlijk proces, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Subsidiair is de raadsvrouw van mening dat een niet-ontvankelijkheid moet volgen vanwege een onevenredige belasting van het strafproces. Zij heeft er in dit verband op gewezen dat in de medische verklaring wordt gesproken van ‘schoppen tegen het hoofd’, terwijl daarvan geen sprake is. Verder valt op dat de medische informatie over de kaakklachten en de hoofdpijnklachten een gat heeft van ongeveer twee jaar. Daar komt bij dat in de informatie van het UMC wordt gesproken over ‘mogelijk posttraumatisch van aard’ en ook de bedrijfsarts spreekt over ‘een mogelijke oorzaak’. Gelet hierop heeft de raadsvrouw het causaal verband tussen de klap en de kopstoot en de gepresenteerde klachten ter discussie gesteld. Zij heeft gesteld dat het voor de hand ligt om hier verder onderzoek naar te doen, maar dat de strafzaak daar geen ruimte voor biedt. Aanhouding van de strafzaak voor nader onderzoek levert een onevenredige belasting voor het strafproces op. De raadsvrouw heeft tot slot de vraag gesteld waarom de schade van de benadeelde partij niet op grond van artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek (BW) door de werkgever van de benadeelde partij is vergoed. Zij heeft gesteld dat de gevorderde schade normaliter door de verzekeraar van de werkgever wordt vergoed. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, zodat de vordering aan de burgerlijke rechter kan worden voorgelegd.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij grotendeels onvoldoende is onderbouwd. De vordering is betwist en de rechtbank constateert dat twee jaar aan medische gegevens ontbreekt bij de onderbouwing van de vordering.
Op basis van de beschikbare gegevens kan de rechtbank geen causaal verband vaststellen tussen de door [verdachte] gegeven klap en de kopstoot en de nog steeds aanwezige medische klachten van de benadeelde partij. Wel kan de rechtbank op basis van de beschikbare medische informatie vaststellen dat bij de benadeelde partij sprake was van een hersenschudding na de mishandeling.
De rechtbank is van oordeel dat een heropening van de zaak om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen om nadere stukken over de nog aanwezige medische klachten in te dienen een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Ook vindt de rechtbank een heropening van de strafzaak niet in het belang van [verdachte] . De rechtbank zal daarom gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid voor het bepalen van de hoogte van de (in ieder geval toewijsbare) immateriële schade die ziet op de hersenschudding die de benadeelde partij opliep als gevolg van de mishandeling. De rechtbank zoekt hiervoor aansluiting bij de Rotterdamse Schaal in de categorie ‘gering hersenletsel’, onder III. De rechtbank vindt in dit geval de toewijzing van € 3.500,- passend.
Gelet op de onduidelijkheid over de nog steeds aanwezige medische klachten verklaart de rechtbank de benadeelde partij voor het overige, waaronder ook de overige gevorderde immateriële schadevergoeding, niet-ontvankelijk in de vordering. Indien gewenst kan de benadeelde partij zijn vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
[verdachte] is wettelijke rente verschuldigd vanaf 31 mei 2024.
Om te bevorderen dat de schade door [verdachte] wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze, waarbij de maatregel alleen ziet op het toegewezen bedrag. In verband met de leeftijd van [verdachte] wordt geen gijzeling toegepast.
11 De toegepaste wettelijke bepalingen
12 De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een jeugddetentie voor de duur van 231 dagen;
legt aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van 3 (drie) jaren op;
bepaalt dat de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaar onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, en
stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:
1. zich meldt op afspraken met de jeugdreclassering, zo vaak en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt. De jeugdreclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De jeugdreclassering zal contact met verdachte opnemen voor het plannen van de eerste afspraak;
2. verblijft bij [instelling 2] , of een vergelijkbare instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de jeugdreclassering, voor zover en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de jeugdreclassering opstelt;
3. meewerkt aan de behandeling bij jeugd FPK [instelling 3] in [plaats] of een soortgelijke instelling, ter beoordeling van de jeugdreclassering, voor zover en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de regels en aanwijzingen die door of namens de leiding van jeugd FPK [instelling 3] en de medewerkers van de jeugdreclassering worden gegeven;
4. meewerkt aan behandeling bij Accare of een soortgelijke zorgverlener, in afwachting van de plaatsing bij jeugd FPK [instelling 3] in [plaats] , voor zover en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt;
5. zich inzet voor het verkrijgen en het behouden van passende, door de jeugdreclassering goedgekeurde dag- en vrijetijdsbesteding of onderwijs(trajecten) en wisselt niet van dag- en vrijetijdsbesteding of onderwijs(traject) zonder expliciete toestemming van de jeugdreclassering;
6. inzicht geeft in zijn middelengebruik, zodat de jeugdreclassering met verdachte kan bepalen of hiervoor hulp of behandeling moet worden ingezet. De verdachte werkt mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik van en/of het gebruik leren te beheersen van alcohol en verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) van de Opiumwet. De controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en/of een speekseltest. De jeugdreclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
7. meewerkt aan door de jeugdreclassering noodzakelijk geachte ondersteuning of verwijzing naar hulpverleningsinstanties, om het recidiverisico te verkleinen;
geeft de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Overijssel de opdracht om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
onder de voorwaarden dat verdachte:
-
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
-
medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in art. 77aa, eerste tot en met vierde lid, Wetboek van Strafrecht, uit te voeren door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Overijssel, waaronder de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk vindt, daaronder begrepen;
beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
beveelt dat de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht;
heft het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis op;
veroordeelt verdachte ten aanzien van parketnummer 09/239042-25 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [bedrijf] B.V. van een bedrag van € 2.700,- (tweeduizendzevenhonderd euro) aan materiële schade (herstelkosten), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald en € 24.340,96 (vierentwintigduizend driehonderdveertig euro en zesennegentig cent) aan materiële schade (gederfde winst), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op € 1.672,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dit vonnis en in de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [bedrijf] B.V., een bedrag te betalen van € 2.700,- (tweeduizendzevenhonderd euro) aan materiële schade (herstelkosten), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald en € 24.340,96 (vierentwintigduizend driehonderdveertig euro en zesennegentig cent) aan materiële schade (gederfde winst), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als deze bedragen niet worden betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
veroordeelt verdachte ten aanzien van parketnummer 05/029071-25 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 1], van een bedrag van € 3.500,- (drieduizendvijfhonderd euro) aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij [aangever 1] in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 1] , een bedrag te betalen van € 3.500,- (drieduizendvijfhonderd euro) aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
veroordeelt verdachte ten aanzien van parketnummer 05/029071-25 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 4], van een bedrag van € 3.500,- (drieduizendvijfhonderd euro) aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij [aangever 4] in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 4] , een bedrag te betalen van € 3.500,- (drieduizendvijfhonderd euro) aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij [aangever 4] in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
veroordeelt verdachte ten aanzien van parketnummer 05/029071-25 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [getuige 1], van een bedrag van € 3.500,- (drieduizendvijfhonderd euro) aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij [getuige 1] in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [getuige 1] , een bedrag te betalen van € 3.500,- (drieduizendvijfhonderd euro) aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij [getuige 1] in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
veroordeelt verdachte ten aanzien van parketnummer 05/023380-25 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 6], van een bedrag van € 3.500,- (drieduizendvijfhonderd euro) aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij [aangever 6] in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 6] , een bedrag te betalen van € 3.500,- (drieduizendvijfhonderd euro) aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij [aangever 6] in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
verklaart de benadeelde partij [aangever 6] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.L. Tomassen (kinderrechter en voorzitter), mr. C.A.H. Pouwels en mr. A. Bril, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. I.C.G.M. van Lammeren-van Dijck, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 oktober 2026. |
||
|
mrs. A. Bril en I.C.G.M. van Lammeren-van Dijck zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. |
||