ECLI:NL:RBGEL:2026:7897

Datum uitspraak
09-10-2026
Instantie
Rechtbank Gelderland
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
05/330750-24
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke geldboete, vanwege een vernieling en het tijdelijk onbruikbaar maken van eigendommen tijdens een Pro-Palestina demonstratie. De rechtbank gaat in op de laakbaarheid van de gedragingen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/330750-24

Datum uitspraak : 9 oktober 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1971 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] in [woonplaats] .

Raadsman: mr. W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 september 2026.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

zij op of omstreeks 7 juli 2024 te Nijkerk, althans in Nederland, openlijk, te weten, op/aan [adres] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meerdere goederen te weten de muren en/of gevel en/of (voor)deur van het pand van het [organisatie] en/of stichting [organisatie] en/of camera's gevestigd

aan/nabij dat pand en/of een stoep behorend bij dat pand door:

- meermalen, althans eenmaal, verf en/of graffiti, althans een daarop gelijkende substantie, op/tegen de camera's en/of de (voor)deur en/of de (voor)gevel en/of de stoep te spuiten en/of te smeren, en/of

- met verf en/of graffiti, althans een daarop gelijkende substantie, een of meer (rode) kruisen in het midden van de pui/ingang en/of (voor)deur te spuiten en/of te smeren,

- met verf en/of graffiti, althans een daarop gelijkende substantie, de woorden "Free Gaza", althans woorden van gelijke strekking, op de stoep te spuiten en/of te smeren,

- meermalen, althans eenmaal, pamfletten, althans een daarop gelijkend voorwerp aan de pui en/of (voor)deur en/of de ramen te plakken en/of te bevestigen,

- met lijm, althans een daarop gelijkend voorwerp, het slot van de (voor)deur vol te stoppen en/of te smeren;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 7 juli 2024 te Nijkerk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk de muren en/of gevel en/of (voor)deur en/of ramen van een pand en/of camera's en/of stoep, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [organisatie] en/of stichting [organisatie] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2

zij op of omstreeks 7 juli 2024 te Soest, althans in Nederland, openlijk, te weten, op/aan de Verlengde Paltzerweg 1, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een goed te weten een waterspeelplaats van/bij het Nationaal Militair Museum door:

- verf en/of graffiti, althans een daarop gelijkende substantie, op/in de waterspeelplaats te spuiten en/of te besmeuren, en/of

- een of meerdere pamfletten te plakken en/of te bevestigen in de waterspeelplaats met daarop teksten als: "Let Gaza be free" en/of "Stop killing children", althans woorden van gelijke strekking;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 7 juli 2024 te Soest, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een waterspeelplaats, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Nationaal Militair Museum, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat in alle zaken het aangewende geweld tegen goederen zodanig was dat de drempel om te komen tot bewezenverklaring van openlijk geweld als bedoeld in artikel 141 Sr niet wordt gehaald. Daarvan wordt dus vrijspraak gevraagd. Bewezen is wel telkens de subsidiaire variant van vernieling of beschadiging.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft telkens vrijspraak bepleit voor de openlijke geweldpleging.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van alle feiten:

Zoals uit de onderstaande aangehaalde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, is er in alle zaken sprake van het bekladden en besmeuren van panden en voorwerpen die toebehoren aan de aangeduide organisaties. De vraag is hoe dit juridisch moet worden geduid. De rechtbank onderschrijft het standpunt van de officier van justitie en de raadsman dat er weliswaar sprake is van uitgeoefend geweld tegen deze voorwerpen, maar de aantasting van de betrokken voorwerpen was, met één uitzondering, allerminst destructief en in bijna alle gevallen uiteindelijk ook weer te herstellen (lees: schoon te maken). Niet is gebleken dat deze relatief lichte vormen van geweldsuitoefening zodanig schokkend waren voor betrokkenen en omstanders dat sprake is van aantasting van de openbare orde. Daarmee rechtvaardigen deze protestacties niet de kwalificatie ‘geweld’ als bedoeld in artikel 141 Sr. In alle zaken volgt daarom vrijspraak van de primaire variant van openlijk geweld tegen goederen. Resteert het subsidiaire verwijt van vernieling, beschadiging of onbruikbaar maken van een voorwerp, waaronder ook het tijdelijk onbruikbaar maken is begrepen.2

Feit 1 ( [organisatie] , 7 juli 2024)

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] namens [organisatie] , p. 48;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 71;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 september 2026.

Feit 2 (Nationaal Militair Museum Soest, 7 juli 2024)

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] namens Nationaal Militair Museum, p. 299;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 303;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 september 2026.

Gelet op de nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte [medeverdachte] is de rechtbank van oordeel dat bij de feiten sprake is van medeplegen.

Aangezien de stoep niet toebehoort aan het [organisatie] volgt op dit punt partiele vrijspraak bij feit 1.

Gelet op de nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte [medeverdachte] is de rechtbank van oordeel dat bij beide feiten sprake is van medeplegen.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1. subsidiair

zij op of omstreeks 7 juli 2024 te Nijkerk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk de muren en/of gevel en/of (voor)deur en/of ramen van een pand en/of camera's en/of stoep, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [organisatie] en/of stichting [organisatie] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2 subsidiair

zij op of omstreeks 7 juli 2024 te Soest, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een waterspeelplaats, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Nationaal Militair Museum, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 subsidiair:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en onbruikbaar maken;

feit 2 subsidiair:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken.

5 De strafbaarheid van de feiten

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitoefening van het demonstratierecht en het recht op vrije meningsuiting telkens kunnen worden beperkt. Dit was in onderhavige zaken gerechtvaardigd en te billijken. Er is geen sprake geweest van een dusdanig chilling effect dat verdachte als gevolg van de genomen strafrechtelijke maatregelen is ontmoedigd in het gebruik maken van haar vrijheid van meningsuiting en vreedzaam demonstratierecht. Verdachte is daarom strafbaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte wordt beschermd door de artikelen 10 en 11 van het EVRM. Verdachte heeft in het kader van vreedzame protesten haar mening geuit. Dat deze meningsuitingen enige schoonmaakkosten en hinder teweeg hebben gebracht, staat niet aan bescherming in de weg. Er is geen onherstelbare schade aan eigendommen veroorzaakt en ook geen geweld tegen personen gebruikt. Verdachte en haar medeverdachte hebben de redelijke kosten van hun handelen vergoed. De raadsman stelt zich daarom primair op het standpunt dat er geen sprake was van laakbaar gedrag en dat reeds om die reden strafrechtelijke maatregelen een schending van genoemde artikelen vormen. Verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de strafrechtelijke vervolgingen niet noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Daarbij zijn ook de strafrechtelijke maatregelen die al tegen verdachten zijn genomen, zoals de aanhouding en de vrijheidsberoving, relevant. Het met strafrechtelijke maatregelen inperken van de meningsuiting creëert een ontoelaatbaar chilling effect.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte en de medeverdachte hebben de toegangsdeuren van het [organisatie] in Nijkerk besmeurd met rode verf, pamfletten op de ramen geplakt, twee camera’s met krijtverf bespoten en lijm in het slot gespoten waardoor de voordeur onbruikbaar werd. Daarnaast hebben zij rood poeder in het water van de waterspeelplaats van het Nationaal Militair Museum in Soest gedaan waardoor het water rood kleurde. Hierdoor zijn de eigendommen van het [organisatie] en het Nationaal Militair Museum vernield of (tijdelijk) onbruikbaar gemaakt. Deze gedragingen zijn in beginsel strafbaar, tenzij zij geacht kunnen worden onder de bescherming van artikelen 10 en 11 EVRM te vallen.

De rechtbank zal eerst ingaan op het demonstratierecht en de beperking daarvan in het algemeen. Vervolgens zal per feit beoordeeld worden of de beperking van het demonstratierecht noodzakelijk was in een democratische samenleving.

Het demonstratierecht en het vreedzaamheidsvereiste

Het demonstratierecht is een essentieel recht binnen een democratische samenleving. Het vloeit voort uit de artikelen 7 en 9 van de Grondwet en de artikelen 10 en 11 van het EVRM. In deze bepalingen is het recht van vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging gewaarborgd. Deze rechten hangen nauw met elkaar samen en zij beschermen uiteenlopende vormen van protest. Iemand die demonstreert, mag binnen bepaalde grenzen zelf kiezen waar, wanneer en op welke wijze dat gebeurt, maar de demonstratie moet wel vreedzaam verlopen om onder de bescherming van het demonstratierecht te vallen.3 Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat een demonstratie niet vreedzaam is als de deelnemers gewelddadige intenties hebben, aanzetten tot geweld of (anderszins) de beginselen van een democratische samenleving afwijzen.4 De rechtbank overweegt dat daar in de onderhavige gevallen geen sprake van is geweest, zodat de demonstraties waaraan verdachte heeft deelgenomen kunnen worden aangemerkt als vreedzame demonstraties.

Beperking van het demonstratierecht in het algemeen

Het recht om te demonstreren is niet absoluut. Ook wanneer sprake is van een vreedzame demonstratie kunnen de rechten zoals neergelegd in de artikelen 10 en 11 EVRM onder bepaalde omstandigheden worden beperkt. Een beperking van deze rechten is mogelijk wanneer deze beperking:

  1. is voorzien bij wet;

  2. een gerechtvaardigd doel dient; en

  3. noodzakelijk is in een democratische samenleving.

De vraag of een beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving laat zich niet in algemene zin beantwoorden en is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij het EHRM een ‘overall’ toets aanlegt. De beperking moet in elk geval worden gezien als een dwingende maatschappelijke behoefte (‘pressing social need’). Daarnaast is vereist dat de beperking proportioneel is in verhouding tot het te bereiken doel en dat de redenen voor de beperking afdoende (‘relevant and sufficient’) zijn.

Demonstraties kunnen een zekere mate van verstoring van het gewone leven (‘disruption to ordinary life’) met zich brengen. Zo’n verstoring is op zichzelf nog niet voldoende om een beperking te rechtvaardigen. Dit betekent echter niet dat er nooit strafrechtelijk kan worden opgetreden tegen strafbare feiten die in relatie tot een demonstratie worden gepleegd. Als iemand die deelneemt aan een vreedzame demonstratie zelf een laakbare gedraging (‘reprehensible act’) verricht, kan diegene worden onderworpen aan (de dreiging van) strafrechtelijk ingrijpen. Daarbij is wel van belang dat het ingrijpen van de autoriteiten niet van dien aard is dat dit ervoor zorgt dat burgers uit angst voor strafrechtelijke vervolging zullen afzien van deelname aan demonstraties en protesten in het algemeen; het zogenoemde ‘chilling effect’. Hiermee kan ook rekening worden gehouden bij het bepalen van de aard en zwaarte van de eventueel op te leggen straf.5

Beperking van het demonstratierecht in deze gevallen

Ten aanzien van alle feiten:

De rechtbank is van oordeel dat de inperking van het demonstratierecht bij wet is voorzien. De beperking vindt namelijk grondslag in de strafbaarstelling van artikel 350 Sr en is niet alleen in het belang van de bescherming van het eigendomsrecht van de respectieve aangevers, maar ook ter voorkoming van (verdere) strafbare feiten. Het strafrechtelijk ingrijpen heeft daarmee een gerechtvaardigd doel gediend.

Feit 1 subsidiair: [organisatie] , 7 juli 2024

Verdachten hebben betoogd dat de organisatie [organisatie] , die het pand van het [organisatie] huurt, actief de kolonisten in de illegale nederzettingen in de Westbank steunt door hen geld en wapentuig te leveren en de verkoop van landbouwgoederen te promoten. Deze organisatie kiest daarmee bewust en actief partij voor het huidige bewind in Israël en tegen de Palestijnen die steeds meer in de verdrukking komen en wier rechten steeds meer worden geschonden. Daarmee hebben de organisaties [organisatie] en het [organisatie] zich tot legitiem doelwit gemaakt van vreedzame protestacties.

Verdachten hebben daarom de toegangsdeuren van het [organisatie] in Nijkerk besmeurd met rode krijtverf waarbij grote kruizen op de toegangsdeuren zijn gezet. Verder is lijm in het slot gespoten en zijn twee camera’s met krijtverf bespoten. Zij hebben verklaard dat ze dit gedaan hebben als symbolische actie om aan de gebruikers van het [organisatie] te laten voelen wat de inwoners van Palestina (waarmee zij met name doelen op, zo begrijpt de rechtbank, de Westelijke Jordaanoever) dagelijks voelen wanneer zij niet naar hun eigen woning kunnen. Ze hebben daarom ook pamfletten op de ramen geplakt met de tekst “Ingenomen door kolonisten”.

Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat het geheel van gedragingen van de verdachten in dit geval moet worden aangemerkt als laakbaar gedrag (‘reprehensible act’), waartegen noodzakelijkerwijs mocht worden opgetreden.

Het dichtgelijmde slot moest worden vervangen, zodat hier sprake van vernieling. De overige eigendomsaantastingen waren grotendeels gemakkelijk te herstellen. Desondanks vindt de rechtbank dat sprake is geweest van een verstoring van het gewone leven (‘disruption to ordinary life’) die verder is gegaan dan wat met het oog op het demonstratierecht nog als acceptabel moet worden gezien. De rechtbank weegt daarin mee dat het doelwit van de demonstratie een organisatie is die een politieke positie in het conflict vertegenwoordigt.

In een democratische rechtsstaat heeft ook de aangevallen organisatie recht op een mening en mag die mening ook uitdragen. Verdachten hebben door op deze wijze de toegang tot het gebouw tijdelijk te belemmeren doelbewust de gebruiksmogelijkheden van het gebouw beperkt.

De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat het strafrechtelijk ingrijpen en daarmee de inperking van het demonstratierecht in dit geval noodzakelijk was in een democratische samenleving.

Feit 2 subsidiair: Nationaal Militair Museum Soest, 7 juli 2024

Verdachte en de medeverdachte hebben bij de waterspeelplaats van het Nationaal Militair Museum in Soest een rood poeder in het water gedaan. De rechtbank is van oordeel dat hiermee schade is ontstaan aan de waterspeelplaats. Aan de orde is de vraag of deze handeling ook een laakbare gedraging (‘reprehensible act’) is, waartegen noodzakelijkerwijs mocht worden opgetreden, waarbij het volgende relevant is.

Enerzijds gaat het hier om aantasting van eigendommen van een openbare instantie die buiten het Israëlisch/Palestijnse conflict staat. Anderzijds kunnen demonstraties een zekere mate van verstoring van het gewone leven (‘disruption to ordinary life’) met zich meebrengen. De waterspeelplaats was relatief gemakkelijk en snel schoon te maken. Daarmee kan niet gesproken worden van een demonstratie waarbij sprake was van een verdergaande verstoring van het dagelijkse leven dan toegestaan. Het gedrag van verdachte kan daarom in dit geval niet als laakbaar worden aangemerkt zoals bedoeld in de jurisprudentie van het EHRM.

De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat de inperking van het demonstratierecht niet noodzakelijk was in een democratische samenleving. Verdachte zal daarom van het subsidiaire onder feit 2 ontslagen worden van alle rechtsvervolging.

Chilling effect van de wijze van aanhouding

Door de verdediging is aangevoerd dat al strafrechtelijke maatregelen tegen verdachte zijn genomen. Verdachte werd op 7 juli 2024 buiten heterdaad aangehouden in haar woning, waarna zij bijna vijf uren van haar vrijheid is beroofd. Het daarbovenop strafrechtelijk vervolgen van verdachte maakt dat het geheel van strafrechtelijk ingrijpen niet proportioneel is en kan tot effect hebben dat verdachte in de toekomst afziet van het gebruik maken van haar recht op demonstratie.

De rechtbank overweegt hierover als volgt. Als sprake is van strafbaar gedrag van demonstranten, mag door de politie worden ingegrepen. De wijze van ingrijpen kan echter zodanig zijn dat hiermee een ontoelaatbare inbreuk op het demonstratierecht wordt gemaakt. Bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van de beperking op het demonstratierecht moet, zoals hiervoor al genoemd, een ‘overall’-toets worden aangelegd. De door de politie en justitie genomen maatregelen moeten daarbij worden afgewogen tegen de ernst van het laakbare gedrag van de demonstranten. Het kan zijn dat van die maatregelen een zodanig temperend (‘chilling’) effect is uitgegaan dat de demonstranten en/of anderen in de toekomst geen gebruik meer durven te maken van hun demonstratierecht. Als dat het geval is, gaat de inperking te ver.

De rechtbank is van oordeel dat het de politie in de gegeven omstandigheden op zichzelf vrij stond om over te gaan tot de aanhouding van verdachte en de daarop volgende vrijheidsberoving, nu de verdenking bestond dat verdachte tijdens de demonstraties strafbare feiten had gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat het politieoptreden niet disproportioneel is geweest.

Conclusie

Nu ook anderszins geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, is de rechtbank van oordeel dat verdachte strafbaar is voor het subsidiaire onder feit 1.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van 300 euro.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gevraagd om aan verdachte geen straf of maatregel op te leggen.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte en de medeverdachte hebben de toegangsdeuren van het [organisatie] in Nijkerk besmeurd met rode verf en zij hebben lijm in het slot gespoten. Daarnaast zijn pamfletten met onder andere de tekst ‘Ingenomen door kolonisten’ op de ramen geplakt en zijn camera’s met krijtverf bespoten.

Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van het [organisatie] waarbij zij niet alleen hinder hebben ondervonden, maar ook schade hebben geleden. De rechtbank vindt dat de demonstratie een verdergaande verstoring van het dagelijkse leven heeft opgeleverd dan in het kader van het demonstratierecht is toegestaan en dat daarmee sprake is geweest van een strafbaar feit. Het is positief te noemen dat vrijwel alle schade door verdachte en/of de medeverdachte inmiddels is vergoed. De rechtbank constateert dat verdachte de strafbare feiten heeft gepleegd vanwege haar bezorgdheid over de situatie in Gaza en de Westelijke Jordaanoever. Tegelijkertijd stelt de rechtbank vast dat verdachte door aldus te handelen welbewust de keuze heeft gemaakt om haar mening via schending van het eigendomsrecht voorrang te geven op de andersluidende mening van het [organisatie] .

Vanwege de aard, ernst en impact van de feiten is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een schuldigverklaring zonder strafoplegging zoals bepleit door de raadsman. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het gegeven dat de strafzaak aanvankelijk was gepland bij de politierechter, maar daar is verwezen naar de meervoudige kamer. Hierdoor heeft deze strafzaak langer boven het hoofd van verdachte gehangen. Verder weegt de rechtbank mee dat van de op te leggen straf geen ‘chilling effect’ mag uitgaan: dat verdachte uit angst voor strafrechtelijke vervolging in de toekomst zal afzien van deelname aan demonstraties en protesten in het algemeen.

De rechtbank merkt op dat het recht om te demonstreren een belangrijk grondrecht is. De vrijheid van verdachte om aandacht te vragen voor maatschappelijke onderwerpen waar zij voor wil opkomen is een groot goed. De rechtbank wil met de op te leggen straf dan ook niets afdoen aan de inhoudelijke boodschap van verdachte en waar zij voor staat. Tegelijkertijd is er ook een grens waar het gaat om het uiten van deze boodschap ten koste van – in dit geval – het eigendomsrecht van een ander. Daarbij is ook van belang dat het een feit van algemene bekendheid is dat de instantie waar het strafbare feit is gepleegd veelvuldig te maken heeft met bedreigingen en dat ook deze instantie het recht heeft haar gedachtengoed kenbaar te maken in onze democratische rechtstaat.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een geheel voorwaardelijke geldboete passend is. De rechtbank komt tot een lagere geldboete dan de officier van justitie heeft geëist, omdat de rechtbank minder feiten dan de officier van justitie strafbaar vindt. De rechtbank zal aan verdachte opleggen een geldboete van € 200,-. Deze geldboete is geheel voorwaardelijk en de rechtbank verbindt hier een proeftijd van één jaar aan.

8 De beoordeling van de civiele vorderingen

De benadeelde partij [organisatie] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.388,20 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

De benadeelde partij Nationaal Militair Museum heeft in verband met feit 2 een vordering tot

schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 383,25 aan materiële schade,

vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de

schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [organisatie] met betrekking tot de kosten voor de opvolging, het downloaden en het verstrekken van de beelden waarvoor een bedrag van € 822,80 wordt gevraagd, niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De raadsman heeft hiertoe primair aangevoerd dat deze kostenpost niet kan worden aangemerkt als ‘redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid’ zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b BW. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat onvoldoende onderbouwd is waarom het bedrag zo hoog is.

De officier van justitie heeft zich voor wat betreft dit deel van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Voor het overige hebben de officier van justitie en de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen moeten worden afgewezen, omdat de gevorderde kosten al aan de benadeelde partijen zijn vergoed.

Overweging van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de schadepost die ziet op het downloaden en het verstrekken van de videobeelden onvoldoende is onderbouwd. Niet duidelijk is waarom met deze ogenschijnlijk eenvoudige handelwijze een bedrag van € 822,80 is gemoeid. De behandeling van de schadepost levert, nu nadere bewijsvoering nodig zou zijn om die duidelijkheid te krijgen, een onevenredige belasting van het strafproces op. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering verklaren.

Ten aanzien van de overige vorderingen overweegt de rechtbank als volgt. Gebleken is dat verdachte de door de benadeelde partijen gemaakte kosten zoals hierboven genoemd reeds heeft vergoed, of dat dit door één van de medeverdachten is gedaan. De rechtbank zal om die reden de vorderingen van benadeelde partijen [organisatie] en Nationaal Militair Museum (deels) afwijzen.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 47, 57 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van de onder feit 1 primair en feit 2 primair ten laste gelegde feiten;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte niet strafbaar voor het onder feit 2 subsidiair bewezenverklaarde en ontslaat verdachte voor dit feit van alle rechtsvervolging;

 verklaart verdachte voor feit 1 subsidiair strafbaar;

 legt op een geldboete van € 200,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 dagen hechtenis;

 bepaalt dat deze geldboete geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de proeftijd van één jaar schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

Benadeelde partij [organisatie]

 verklaart de benadeelde partij [organisatie] met betrekking tot de kosten voor de opvolging, het downloaden en het verstrekken van de beelden (€ 822,80) niet-ontvankelijk in de vordering;

 wijst de vordering tot materiële schade voor het overige af;

Benadeelde partij Nationaal Militair Museum

 wijst de vordering tot materiële schade van de benadeelde partij Nationaal Militair Museum af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.H. Hovens (voorzitter), mr. I. de Bruin en mr. J.M. Breimer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Hut, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 oktober 2026.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »