RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.51306 (beroep)
NL26.51307 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , geboren op [geboortedag] 1992, van Marokkaanse nationaliteit,
eiser en verzoeker, hierna: eiser (gemachtigde: mr. C. Mayne)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag motiveringsgebreken bevat, maar dat deze gebreken met toepassing van artikel 6:22 van de Awb1 gepasseerd kunnen worden. Eisers beroep is ongegrond en de afwijzing van zijn asielaanvraag blijft in stand. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Hierna legt de rechtbank/voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staat eisers asielrelaas. Onder 4 staat het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 27 augustus 2026 deze aanvraag in de versnelde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank/voorzieningenrechter heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 29 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Lazar als tolk in de taal Berber (Tarifit), en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. In 2017 is eiser aangehouden vanwege zijn deelname aan een protest van de Hirak-beweging. Hij is toen na twee maanden weer vrijgelaten. In 2018 heeft eiser Marokko verlaten en is hij naar Spanje gegaan. In 2020 is eiser teruggegaan naar Marokko, waar hij opnieuw heeft deelgenomen aan een protest. Daarop is hij nog een keer aangehouden en heeft hij nog eens tien maanden vastgezeten. Eiser verblijft sinds juli 2026 in Nederland.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. problemen vanwege betrokkenheid bij de Hirak-beweging.
De minister heeft asielmotief 1 deels geloofwaardig geacht. Volgens de minister zijn eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar is zijn identiteit niet geloofwaardig. Eiser heeft namelijk geen documenten overgelegd ter onderbouwing van zijn identiteit en hij heeft geen goede verklaring gegeven waarom hij geen documenten kan overleggen ter onderbouwing van zijn identiteit. De minister heeft asielmotief 2 ook deels geloofwaardig geacht. De minister heeft het geloofwaardig geacht dat eiser in 2017 problemen heeft gehad, maar heeft de gestelde problemen van na 2017 niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft namelijk geen documenten overgelegd om zijn problemen van na 2017 te onderbouwen en hij heeft geen goede verklaring gegeven waarom hij geen documenten kan overleggen om zijn problemen na 2017 te onderbouwen. Daarnaast is het onlogisch dat eiser in 2017 vervroegd zou zijn vrijgelaten, maar dat hij in 2020 vervolgens opnieuw is vastgezet voor de veroordeling uit 2017. De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eiser in grote lijnen als niet geloofwaardig kan worden beschouwd, omdat hij zich niet zo snel als mogelijk heeft gemeld voor zijn asielaanvraag. Eisers veroordeling in 2017 en zijn politieke overtuiging zijn onvoldoende voor verlening van de vluchtelingenstatus. Eiser heeft de straf die hem in 2017 is opgelegd uitgezeten. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer vanwege zijn politieke overtuiging opnieuw in de negatieve belangstelling van de Marokkaanse autoriteiten zal staan. De minister heeft eisers asielaanvraag kennelijk ongegrond verklaard, hem een terugkeerbesluit opgelegd en een inreisverbod voor de duur van twee jaren tegen hem uitgevaardigd.
Identiteit
5. Eiser voert aan dat de minister zijn identiteit ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser heeft zijn identiteit zo goed als hij kon onderbouwd. Hij heeft een foto van zijn oude identiteitskaart overgelegd. Het nummer op die kaart komt overeen met het nummer dat is vermeld in het overgelegde vonnis uit 2017. Verder heeft de minister ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij zijn identiteitskaart in Spanje niet heeft verlengd. Eiser verbleef daar illegaal en meende dat hij afhankelijk was van derden om zijn identiteitskaart te verlengen. Eiser heeft destijds van verlenging afgezien omdat de persoon die hem hierbij zou helpen opeens meer geld vroeg.
De rechtbank is van oordeel dat de minister eisers identiteit ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Het klopt dat de foto die eiser van zijn identiteitskaart heeft overgelegd niet op echtheid kan worden gecontroleerd. De rechtbank constateert echter dat het nummer op de identiteitskaart inderdaad overeenkomt met het nummer dat vermeld is in het door eiser overgelegde vonnis uit 2017. Nu de minister het wel geloofwaardig heeft geacht dat dit vonnis betrekking heeft op eiser en dat eiser hiermee zijn problemen in 2017 onderbouwd heeft, kan de rechtbank niet volgen dat de minister eisers identiteit nog steeds ongeloofwaardig vindt enkel omdat de foto van de identiteitskaart – met hetzelfde identiteitsnummer – niet op echtheid kan worden gecontroleerd. Dit levert een motiveringsgebrek op. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 6:22 van de Awb het geconstateerde gebrek te passeren en het bestreden besluit niet reden te vernietigen, omdat aannemelijk is geworden dat eiser door dit gebrek niet is benadeeld. De minister is namelijk terecht tot de conclusie gekomen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Marokko gevaar loopt van de autoriteiten vanwege zijn deelname aan de protesten. Voor de uitkomst van eisers beroep maakt het daarom geen verschil of zijn identiteit geloofwaardig wordt geacht. De rechtbank legt dit hieronder, vanaf 6.3.1, uit.
Problemen na 2017
6. Eiser voert aan dat de minister zijn problemen na 2017 ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht. Eiser heeft gewaarmerkte kopieën en vertalingen overgelegd van een vonnis uit 2017 en een vonnis uit 2018. Het vonnis uit 2018 is een hogerberoepsuitspraak op het vonnis uit 2017. Eiser heeft in 2017 acht maanden gevangenisstraf gekregen. Daarvan heeft hij destijds twee maanden uitgezeten. In beroep is deze straf verhoogd naar twee jaar. Na zijn deelname aan een protest in 2020 is hij opnieuw vastgezet om zijn langere straf alsnog uit te zitten. Het vonnis uit 2018 onderbouwt de verklaringen van eiser hierover. Eiser vreest nog steeds dat de Marokkaanse autoriteiten zijn zaak niet hebben afgesloten. Het is bekend dat de Marokkaanse autoriteiten voormalig veroordeelden blijven monitoren. De minister heeft onvoldoende meegenomen dat eiser al veroordeeld is in twee instanties en dus bekend is bij de autoriteiten. De kans is groot dat hij bij terugkeer onderworpen zal worden aan ondervragingen. Toen eiser in 2020 terugkeerde stond hij ook direct weer in de belangstelling van de Marokkaanse autoriteiten. Gelet op eisers eerdere veroordelingen was het aan verweerder om aan te tonen dat eiser bij terugkeer niet te vrezen heeft voor vervolging.
De rechtbank stelt vast dat eiser bij zijn correcties en aanvulling alleen het vonnis uit 2017 heeft overgelegd. Het vonnis uit 2018 heeft hij pas in beroep overgelegd, samen met vertalingen van beide vonnissen. Nu het vonnis uit 2018 pas in beroep is overgelegd, heeft de minister hier bij de beoordeling van eisers aanvraag geen rekening mee kunnen houden. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij zijn aanvraag zijn problemen na 2017 niet met documenten heeft onderbouwd. De minister heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser ten tijde van zijn aanvraag geen goede verklaring had voor het ontbreken van documenten ter onderbouwing van zijn problemen na 2017, nu eiser tijdens zijn gehoor heeft verklaard en dat hij vrijwel alle documenten eigenlijk makkelijk binnen vijftien dagen kan regelen.2 Eiser had dit document dus eerder kunnen overleggen.
De kopie van het vonnis uit 2018 die eiser in beroep heeft overgelegd vormt naar het oordeel van de rechtbank echter wel een onderbouwing van zijn problemen na 2017. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister het standpunt ingenomen dat niet valt vast te stellen of het vonnis uit 2018 ook daadwerkelijk over eiser gaat en dat dit vonnis bovendien niet op echtheid gecontroleerd kan worden, omdat het een kopie betreft. De rechtbank volgt dit niet. De rechtbank legt dit hieronder uit.
Ten eerste heeft de minister ten aanzien van het vonnis uit 2017 aangenomen dat dit over eiser gaat en dat eiser hiermee zijn problemen uit 2017 heeft onderbouwd. Zoals hierboven overwogen is in dat vonnis een nummer vermeld dat overeenkomt met het nummer op de (foto van) eisers oude identiteitskaart. Ditzelfde nummer staat ook vermeld in het vonnis uit 2018. De rechtbank kan niet volgen dat de minister van het vonnis uit 2017 wel aanneemt dat dit over eiser gaat, maar van het vonnis uit 2018 dit niet aanneemt, terwijl beide vonnissen hetzelfde identiteitsnummer vermelden dat overeenkomt met het nummer op eisers identiteitskaart.
Ten tweede heeft de minister ten aanzien van het vonnis uit 2017 niet aan eiser tegengeworpen dat dit een kopie is die niet op echtheid onderzocht kan worden. De minister heeft op basis van deze kopie eisers problemen in 2017 juist geloofwaardig geacht. De rechtbank kan niet volgen waarom de minister eisers problemen in 2017 wel geloofwaardig acht op basis van een kopie van een vonnis, maar dit bij eisers problemen na 2017 niet heeft gedaan.
Gelet op het voorgaande heeft de minister ten onrechte eisers problemen na 2017 ongeloofwaardig geacht. De minister is echter wel terecht tot de conclusie gekomen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Marokko gevaar loopt van de autoriteiten vanwege zijn deelname aan de protesten. Voor de uitkomst van eisers beroep maakt het daarom geen verschil of zijn problemen na 2017 geloofwaardig worden geacht. De rechtbank legt dit hieronder uit.
Eiser heeft verklaard dat hij twee keer heeft vastgezeten. De eerste keer was naar aanleiding van zijn eerste veroordeling in 2017. Eiser is toen veroordeeld tot acht maanden cel en is na twee maanden vervroegd vrijgelaten. De tweede keer was in 2020 en was naar aanleiding van zijn deelname aan een tweede protest én het hoger beroep op de veroordeling uit 2017. Eiser is toen veroordeeld tot twee jaar cel en is na tien maanden vervroegd vrijgelaten. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat eiser sindsdien opnieuw met de politie in aanraking is geweest of dat hij opnieuw vervolgd zal worden. De rechtbank betrekt bij haar oordeel ook dat Hirak-activisten sinds 2018 minder in de aandacht staan.3 Eiser heeft weliswaar verklaard dat hij in 2022 opnieuw een uitnodiging heeft gekregen om naar de rechtbank te komen4, maar heeft deze uitnodiging (of een kopie daarvan) niet overgelegd. Op de vraag waarom hij niet geprobeerd heeft dit document op te laten sturen, heeft eiser geantwoord – zoals reeds overwogen onder 6.1 – dat dit eigenlijk makkelijk is en dat hij qua documenten bijna alles kan regelen binnen vijftien dagen. Hieruit blijkt niet dat het onmogelijk is voor eiser om deze uitnodiging te overleggen, in tegendeel. Eiser heeft bovendien niet uitgelegd op welke grond hij opnieuw naar de rechtbank zou moeten komen. Gelet hierop heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Marokko opnieuw vervolgd of vastgezet zal worden.
De beroepsgrond slaagt niet.
Politieke overtuiging
7. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat eisers politieke overtuiging onvoldoende is om gegronde vrees voor vervolging aan te nemen. De minister heeft ten onrechte aan hem tegengeworpen dat hij na zijn vertrek uit Marokko niet politiek actief is geweest, nu zijn deelname aan politieke activiteiten voor de Hirak-beweging verband houdt met zijn aanwezigheid in het gebied. Uit algemene landeninformatie blijkt dat Hirak-activisten nog steeds worden onderdrukt in Marokko.
De rechtbank heeft hierboven, onder 6.3.1, overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij nog steeds in de negatieve belangstelling staat van de Marokkaanse autoriteiten vanwege zijn deelname aan de protesten. Uit eisers verklaringen blijkt verder niet dat hij van plan is zich in Marokko uit te spreken voor de Hirak-beweging en zijn politieke overtuiging uit te dragen. Op de vraag hiernaar heeft eiser slechts verklaard dat hij hoopt dat hij niet terug hoeft naar Marokko en dat hij eigenlijk geen antwoord heeft op deze vraag.5 Gelet hierop heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn politieke overtuiging.
De door eiser overgelegde landeninformatie over Hirak-activisten maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Hieruit volgt dat een aantal leiders van de Hirak-beweging nog vastzitten en dat de Marokkaanse autoriteiten activisten die nog betrokken zijn bij de organisatie van demonstraties lastigvallen (harass). Nu eiser, zoals hiervoor al overwogen, niet voornemens is zich in Marokko in te zetten voor de Hirak Rif-beweging, heeft eiser met deze landeninformatie nog steeds niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn politieke overtuiging een gegronde vrees voor vervolging heeft bij terugkeer naar Marokko.
De beroepsgrond slaagt niet.
Niet zo snel als mogelijk asiel aangevraagd
8. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte aan hem tegenwerpt dat hij niet zo snel als mogelijk asiel heeft aangevraagd. Eiser wist niet goed hoe de asielprocedure werkte en zijn broer had beloofd om hem op een later tijdstip te helpen met zijn aanvraag. Daar wilde eiser op wachten.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Vw 20006 en artikel 42, eerste lid, aanhef en onder h, van de Procedureverordening7 kan de minister een asielaanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond als de vreemdeling zonder goede reden zich niet zo spoedig mogelijk bij de bevoegde autoriteiten heeft aangemeld of een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Eiser bevond zich op het moment van zijn aanvraag al een maand in Nederland. Hij heeft dus niet zo spoedig als mogelijk zijn asielaanvraag ingediend. Dat eiser niet wist hoe de asielprocedure werkte en dat hij wilde wachten op zijn broer, is geen goede reden voor het niet zo spoedig als mogelijk indienen van zijn aanvraag. Eiser had de politie of de IND8 om hulp kunnen vragen hierbij. De beroepsgrond slaagt niet.
Inreisverbod
9. Eiser voert aan dat het onevenredig is dat de minister een inreisverbod van twee jaar tegen hem heeft uitgevaardigd. Eisers broer en moeder wonen in België en zijn vader en zus wonen in Spanje. Daarnaast heeft hij nog een broer in Nederland en ooms en neven in Frankrijk. Door het inreisverbod kan hij hen niet bezoeken.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 66a van de Vw 2000 vaardigt de minister een inreisverbod uit tegen een vreemdeling die geen gemeenschapsonderdaan is en aan wie een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn is opgelegd op grond van artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000. Op grond van paragraaf A4/2.2 van de Vc 20009 ziet de minister af van het opleggen van een inreisverbod als dit in strijd komt met het recht op familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM10. Eiser heeft niet onderbouwd dat er sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen hemzelf en de door hem genoemde familieleden. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag, het terugkeerbesluit en het inreisverbod in stand blijven.
11. Nu met deze uitspraak op eisers beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.
12. Omdat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, heeft eiser recht op een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank, in de zaak NL26.51306:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL26.51307:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank, in beide zaken:
- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiser moet vergoeden tot een bedrag van € 2.802,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.