ECLI:NL:RBDHA:2026:31463

Datum uitspraak
22-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
NL25.34287
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beroep – Ethiopië – Oromo – geloofwaardigheidsbeoordeling – gedwongen rekrutering – adequate opvang – gegrond – nieuw besluit – pkv.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.34287

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.M. Bell),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.N. Spijkerman).

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Het asielrelaas

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2006, de Ethiopische nationaliteit te hebben en tot de Oromo bevolkingsgroep te behoren. Hij heeft op 30 november 2023 een asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij uit Ethiopië is gevlucht vanwege gedwongen rekrutering door de autoriteiten. In Nederland heeft eiser deelgenomen aan een demonstratie tegen de Ethiopische autoriteiten, waarna zijn moeder in Ethiopië is benaderd en haar is verteld dat eiser is herkend op een video van de demonstratie die zou zijn uitgezonden op het Ethiopische televisiekanaal OMN.1 Hierna is eiser gestopt met demonstreren. Het bestreden besluit

2. Verweerder heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. De gedwongen rekruteringspoging door de Ethiopische autoriteiten acht verweerder niet geloofwaardig. Eiser heeft geen documenten overgelegd om zijn relaas te onderbouwen en heeft daarvoor geen goede reden gegeven.2 Ook vormen zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel.3 Verweerder neemt geen vrees voor vervolging aan, omdat eiser niet wordt aangemerkt als activist en daarom niet tot een risicogroep behoort. Verder wordt niet aangenomen dat eiser heeft te verzen voor gedwongen rekrutering bij terugkeer naar Ethiopië en heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade wegens willekeurig geweld in Oromo. Aan eiser wordt geen vergunning verleend op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen.De beroepsgronden

3. Eiser voert in beroep het volgende aan. Verweerder werpt ten onrechte tegen dat hij de schriftelijke oproep van de Ethiopische autoriteiten heeft weggegooid. Het ontbreken van documenten ter staving van eisers asielrelaas dient afzonderlijk en in samenhang te worden bezien. Ook werpt verweerder ten onrechte aan eiser tegen dat hij in het nader gehoor anders heeft verklaard dan in de correcties en aanvullingen over zijn locatie toen de Ethiopische autoriteiten voor de tweede keer bij zijn huis langskwamen. Verweerder heeft niet nader gemotiveerd waarom – ondanks eisers referentiekader – deze correctie zo zwaarwegend is dat het asielmotief ongeloofwaardig moet worden geacht. Verweerder dient na het laten vallen van een tegenwerping opnieuw een integrale beoordeling te maken waarbij wordt getoetst of de overige tegenstrijdigheden voldoende gewicht hebben om het asielmotief ongeloofwaardig te achten. Verweerder heeft ten onrechte het bezoek van de Ethiopische autorieten aan eisers moeder niet als zelfstandig asielrelevant beoordeeld.4 Verweerder heeft ten onrechte niet nader onderzocht hoe de Ethiopische autoriteiten de gedragingen van eiser op de video over de demonstratie – indien hij is herkend – en zijn deelname aan de Whatsappgroep Qeerroo Power aan hem zullen toeschrijven. Van eiser mag niet worden verwacht dat hij zijn politieke overtuiging verbergt of daarvan afziet om vervolging te voorkomen. Verweerder heeft de constatering dat er geen sprake is van gedwongen rekrutering uitsluitend gebaseerd op het Algemeen Ambtsbericht Ethiopië 2024 (hierna: Ambtsbericht) en dat is ontoereikend. Verweerder heeft de door eiser overgelegde bronnen van landeninformatie in de zienswijze onvoldoende in samenhang bezien. Deze bronnen dateren van na het Ambtsbericht. Verweerder deint kenbaar te motiveren waarom de door hem overgelegde informatie niet afdoet aan het standpunt dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt en de algemene conclusie in het Ambtsbericht zwaarder weegt dan de recente informatie in samenhang met zijn persoonlijke relaas als jonge Oromo-man.5 Verder hanteert verweerder een te zware maatstaf door te concluderen dat de bronnen onvoldoende zijn om aan te nemen dat gedwongen rekrutering dusdanig stelselmatig voorkomt dat voor elke jongere een risico bestaat. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk een verhoogd risico loopt om opnieuw te worden gerekruteerd en in de negatieve belangstelling staat van de Ethiopische autoriteiten vanwege zijn eerdere ontsnapping. Verweerder motiveert ten onrechte dat eiser maanden na het indienen van zijn asielaanvraag meerderjarig is geworden. Met deze motivering geeft verweerder geen blijk van een weergave van daadwerkelijk verricht voortvarend onderzoek. De rechtbank oordeelt als volgt. De geloofwaardigheidsbeoordeling

4. In de arresten van 4 juni 2026 in de zaken Ebilum6 en Quotal7 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten naar de relevante feitelijke elementen van een zaak. De rechtbank zal daarom alle onderdelen van het besluit over de geloofwaardigheid vol toetsen.

5. Verweerder heeft de gestelde rekruteringspoging door de Ethiopische autoriteiten terecht ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft in dit kader aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij heeft verklaard de schriftelijke oproep van de Ethiopische autoriteiten te hebben weggegooid, zonder daarvoor een goede verklaring te geven. Ook heeft verweerder terecht betrokken dat eiser tegenstrijdig verklaart over zijn aanwezigheid in zijn woning tijdens het bezoek van de Ethiopische autoriteiten. Zo verklaart eiser tijdens het nader gehoor8 dat hij zich tijdens het tweede huisbezoek van de overheid thuis verstopte, maar corrigeert hij in de correcties en aanvullingen dat hij alle drie de huisbezoeken niet thuis zou zijn geweest. Verweerder werpt in dit kader terecht aan eiser tegen dat van hem mag worden verwacht dat hij kan uitleggen waarom hij zijn tijdens het nader gehoor afgelegde verklaring zo ingrijpend wijzigt bij de correcties en aanvullingen. Hierin is eiser niet geslaagd. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat verweerder na intrekking van de tegenwerping over de data van de huisbezoeken opnieuw een integrale beoordeling dient te maken. Anders dan eiser aanvoert, heeft verweerder op pagina 2 van het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom gelet op de overige tegenwerpingen het asielmotief ongeloofwaardig blijft na de intrekking van deze tegenwerping. Negatieve belangstelling van de Ethiopische autoriteiten

6. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt in de negatieve belangstelling van de Ethiopische autoriteiten te staan vanwege zijn deelname aan de demonstratie in Nederland die op het Ethiopische televisiekanaal OMN is uitgezonden. Daarbij heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat niet aannemelijk wordt geacht dat eisers moeder na zijn vertrek uit Ethiopië door de Ethiopische autoriteiten is bezocht omdat hij op de beelden van de demonstratie zou zijn herkend. Zo werpt verweerder terecht aan eiser tegen dat hij wisselend verklaart over de aanleiding van de bezoeken aan het huis van zijn moeder. Eiser verklaart enerzijds dat de huisbezoeken na zijn vertrek het gevolg waren van zijn deelname aan de demonstratie in Nederland, maar stelt anderzijds dat zijn huis werd bezocht omdat de autoriteiten (nog) naar hem op zoek zijn in verband met de eerdere pogingen tot gedwongen rekrutering. Verweerder heeft in het bestreden besluit en ter zitting voldoende gemotiveerd dat ook indien eisers deelname aan de demonstratie wordt gevolgd, hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de autoriteiten van zijn deelname op de hoogte zijn geraakt, noch dat de Ethiopische autoriteiten de video van de demonstratie zouden hebben bekeken en eiser daarop hebben herkend. De enkele stelling dat eisers moeder door een bestuurder uit het dorp op de hoogte is gesteld dat eiser op de beelden zou zijn herkend, heeft verweerder daartoe onvoldoende mogen achten.

7. Verder merkt de rechtbank op dat verweerder terecht de gestelde bezoeken van de Ethiopische autoriteiten aan eisers moeder na zijn vertrek uit Ethiopië niet als zelfstandig asielrelevant heeft beoordeeld. In dat kader heeft verweerder van belang kunnen achten dat de door eiser gestelde bezoeken niet zonder onderbouwing hoeven te worden gevolgd, te meer omdat eiser hierover wisselend heeft verklaard, de verklaringen niet verifieerbaar zijn en de gestelde rekruteringspoging ongeloofwaardig is geacht.

8. Voor zover eiser wijst op zijn deelname aan de Whatsappgroep Qeerroo Power, heeft verweerder dit voldoende betrokken bij zijn beoordeling en kunnen overwegen dat uit eisers deelname aan de Whatsappgroep geen actieve rol van eiser blijkt bij het plannen van demonstraties of anderszins, noch dat hij in de negatieve belangstelling staat of zal komen te staan van de Ethiopische autoriteiten vanwege herkenning.

9. Gelet op wat hierboven is overwogen ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat uit eisers deelname aan de demonstratie mogelijk een toegedichte politieke overtuiging volgt.9Vrees voor gedwongen rekrutering

10. De rechtbank constateert allereerst dat verweerder geloofwaardig acht dat eiser afkomstig is uit Oromia en behoort tot de Oromo-bevolking. Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder in het bestreden besluit met inachtneming van het destijds geldende Algemeen Ambtsbericht Ethiopië van 2024 het standpunt heeft ingenomen dat geen sprake was van berichten van gedwongen rekrutering en eiser met de door hem overgelegde bronnen niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij Oromo’s gedwongen rekrutering plaatsvindt. Recent heeft de minister van Buitenlandse Zaken het Algemeen Ambtsbericht Ethiopië van augustus 2026 (Ambtsbericht 2026) gepubliceerd. In het verweerschrift neemt verweerder met inachtneming van dit Ambtsbericht 2026 het standpunt in dat wel sprake is van gedwongen rekrutering, maar dat niet is gebleken dat dit op dusdanige schaal plaatsvindt dat eiser niet aannemelijk hoeft te maken dat hij een individueel risico loopt bij terugkeer naar Ethiopië. De rechtbank zal gelet op de ex-nunctoetsing in asielberoepen beoordelen of het bestreden besluit, met inachtneming van verweerders aanvullende motivering in beroep, in stand kan blijven.

10. In het Ambtsbericht 2026 is over gedwongen rekrutering in Oromia onder meer het volgende opgenomen:“De Ethiopische Mensenrechtencommissie (EHRC), een federale overheidsinstantie, concludeerde echter begin december 2024 dat jongeren in Oromia op ‘massale’ schaal werden onderworpen aan gedwongen rekrutering. De EHRC had daarbij gekeken naar gevallen van gedwongen rekrutering in onder meer de steden Adama, Bishoftu, Jimma en Shashemene. (…) Defensiemedewerkers en regionale bestuurders vroegen losgeldbedragen die varieerden van twintig- tot honderdduizend birr. Indien de familie het bedrag niet kon betalen, werd de opgepakte en vastgezette jongeman naar een militair trainingskamp gebracht.”10

“Het Oromo Bevrijdingsleger (OLA) leek eveneens met dwang te rekruteren. Begin mei 2026 verscheen het mediabericht dat het OLA in het westen van Oromia boeren en studenten meenam, die vervolgens moesten meevechten tegen de rivaliserende Amhara Fano National Movement (AFNM, een fractie binnen de Fano) uit het aangrenzende Amhara. Bij een daaropvolgend gevecht kwamen minstens zestien boeren om het leven”11

12. De rechtbank is van oordeel dat uit het Ambtsbericht 2026 onmiskenbaar volgt dat gedwongen rekrutering voor het federale leger, dan wel milities die vechten aan de zijde van dit leger tegen de rebellerende groepen plaatsvindt in de regio Oromia. Toegespitst op de woonplaats van eiser wordt gesproken van gedwongen rekrutering op ‘massale schaal’ in 2024 en van recente gedwongen rekruteringen in mei 2026. Daarmee is niet te rijmen dat verweerder bij zijn standpunt blijft dat gedwongen rekrutering niet op dusdanige schaal plaatsvindt dat eiser zijn individuele risico niet aannemelijk hoeft te maken en dat eiser hierin niet is geslaagd. Gelet op de actuele informatie over gedwongen rekruteringen in Oromia die volgt uit het Ambtsbericht 2026 en de door eiser ingebrachte algemene bronnen, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eiser met zijn geloofwaardig geachte herkomst uit Oromia en het behoren tot de Oromo-bevolking niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk het risico loopt om bij terugkeer naar Ethiopië gedwongen te worden gerekruteerd. Het bestreden besluit en de aanvullende motivering in beroep kennen op dit punt dan ook een motiveringsgebrek. Onderzoek naar adequate opvang

13. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat verweerder onvoldoende voortvarend onderzoek heeft verricht naar de aanwezigheid van adequate opvang in Ethiopië. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom het onderzoek naar adequate opvang niet kon worden afgerond voordat eiser meerderjarig werd. Eiser heeft op 30 november 2023 een asielaanvraag ingediend. Hij was toen 17 jaar en zes maanden oud. In eisers verhoor door de AVIM12 zijn op de dag van zijn asielaanvraag enkele vragen gesteld over zijn ouders. Tijdens het aanmeldgehoor op 17 juli 2024 had eiser de meerderjarige leeftijd al bereikt, maar heeft verweerder desondanks een aanmeldgehoor voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen bij hem afgenomen. Ondanks dat in de periode tussen het verhoor door de AVIM en het aanmeldgehoor geen onderzoekshandelingen zijn verricht in de periode van zes maanden waarin eiser minderjarig was, moet worden aangenomen dat ook bij voortvarender handelen het onderzoek naar adequate opvang niet had kunnen worden afgerond binnen deze korte periode.

Conclusie en gevolgen

14. Gelet op wat in rechtsoverweging 10, 11 en 12 is overwogen, verklaart de rechtbank het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank draagt verweerder met inachtneming van artikel 8:72 van de Awb op een nieuw besluit te nemen op eisers asielaanvraag en daarbij rekening te houden met deze uitspraak.

14. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 1 juli 2025;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op eisers asielaanvraag, met

inachtneming van deze uitspraak;- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €1.868.

Deze uitspraak is gedaan op 22 oktober 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »