RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.4156
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer [x] , eiser
(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daar een aantal beroepsgronden tegen aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De geloofwaardigheidsbeoordeling zoals de minister die volgens de Werkinstructie (WI) 2024/6 verricht is niet in strijd met het Unierecht, en de rechtbank ziet geen aanleiding om de beantwoording van de prejudiciële vragen van de zittingsplaats Roermond van deze rechtbank daarover af te wachten. Verder vindt de minister de problemen van eiser met de Houthi’s terecht ongeloofwaardig en stelt de minister zich terecht op het standpunt dat onvoldoende is gebleken dat eiser in Jemen slachtoffer zal worden van willekeurig geweld. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 10 april 2023 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 22 januari 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL25.4157, op 22 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek na afloop van deze behandeling op zitting gesloten.
De rechtbank heeft het onderzoek op 24 april 2025 heropend en ter verdere behandeling doorverwezen naar de meervoudige kamer, in verband met de te beantwoorden rechtsvragen over de WI 2024/6 en het beroep van eiser op de prejudiciële vragen van de zittingsplaats Roermond van deze rechtbank. De voorzieningenrechter heeft het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening op diezelfde dag toegewezen.1
De rechtbank heeft de minister vervolgens op 27 november 2025 gevraagd te reageren op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 juli 2025, waarin zij heeft geoordeeld dat het landenbeleid voor Jemen met betrekking tot de vraag of daar sprake is van willekeurig geweld en, zo ja, in welke mate – waarop ook het bestreden besluit was gebaseerd – geen stand kon houden.2De minister heeft dat op 3 december 2025 gedaan. Eiser heeft hier op 12 december 2025 (uit eigen beweging) op gereageerd.
Omdat de rechtsvragen over de WI 2024/6 die in deze zaak spelen al in andere uitspraken door de meervoudige kamer waren beantwoord,3heeft de rechtbank de behandeling van het beroep op 2 maart 2026 terugverwezen naar de enkelvoudige kamer. Vervolgens heeft zij eiser in de gelegenheid gesteld om te reageren op deze uitspraken over de WI 2024/6 en op de uitspraak van deze zittingsplaats van de rechtbank over het landenbeleid voor Jemen van 5 februari 2026.4Eiser heeft dat op 16 maart 2026 gedaan. De minister heeft op 27 maart 2026 zijn standpunt over deze reactie kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft partijen hierna, op 28 mei 2026, laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij binnen een week wilden laten weten of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet op een nadere zitting behandeld.5
Beoordeling door de rechtbank
3. Op dit beroep is het recht van toepassing zoals dat gold vóór 12 juni 2026, tenzij anders is aangegeven.
Het asielrelaas
4. Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1997. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is afkomstig uit Sanaa en heeft daar tot februari 2016 gewoond. In 2017 is hij voor zijn studie naar Maleisië verhuisd, waar hij tot februari 2022 heeft gewoond. Hij is toen teruggekeerd naar Sanaa. Eiser stelt in Jemen gevaar te lopen vanwege de oorlog en de aanwezigheid van de Houthi’s, ook omdat hij in Jemen al eerder problemen met de Houthi’s heeft ondervonden. Hij is bang dat hij bij terugkeer naar Jemen in de gevangenis of aan het front belandt.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
(1) Identiteit, nationaliteit en herkomst;
(2) Problemen met de Houthi’s.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn en dat de problemen met de Houthi’s ongeloofwaardig zijn. De minister heeft daarom alleen gekeken of eiser op grond van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Dat is volgens de minister niet het geval. Hoewel in Jemen sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld,6heeft eiser niet met individuele omstandigheden aannemelijk gemaakt dat juist hij specifiek risico loopt om slachtoffer te worden van dat willekeurige geweld. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning. Omdat eiser verder inconsequent en duidelijk onwaarschijnlijk heeft verklaard, heeft de minister de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.7
Is de geloofwaardigheidsbeoordeling uit de WI 2024/6 in strijd met het Unierecht?
6. Eiser betoogt dat de geloofwaardigheidsbeoordeling uit de WI 2024/6, die de minister in het bestreden besluit heeft toegepast, in strijd is met het Unierecht. De minister beoordeelt, bij gebrek aan objectieve onderbouwende documenten, aan de hand van de voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 of asielmotieven alsnog geloofwaardig zijn. Dat kan echter tot gevolg hebben dat een asielmotief ongeloofwaardig is als niet wordt voldaan aan een van deze voorwaarden. Dat is volgens eiser te streng. Bovendien behelzen deze vijf voorwaarden maar een klein deel van de volledige geloofwaardigheidsbeoordeling en zijn zij weliswaar cumulatief, maar zijn zij geen ‘checklist’ – terwijl de minister de vijf voorwaarden wel op die manier toepast. Om die reden vinden verschillende zittingsplaatsen van deze rechtbank de WI 2024/6 in strijd met het Unierecht8en heeft de zittingsplaats Roermond van deze rechtbank aanleiding gezien om prejudiciële vragen te stellen.9Die prejudiciële vragen moeten volgens eiser worden afgewacht, temeer omdat de minister geen (objectieve) waarde toekent aan de documenten die eiser ter onderbouwing van zijn asielmotieven en zijn vrees voor vervolging heeft overgelegd.
Dit betoog slaagt niet. Deze zittingsplaats van de rechtbank heeft in haar uitspraken van de meervoudige kamer van 8 september 2025 en 25 juni 2025 geoordeeld dat de WI 2024/6 niet in strijd is met het Unierecht.10In wat eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen reden om van dit oordeel af te wijken. In deze twee uitspraken is immers al geoordeeld dat de systematiek van de WI 2024/6 niet te streng is en dat voldoende is gewaarborgd dat de voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 niet als ‘checklist’ worden toegepast, in die zin dat een asielmotief niet onder alle omstandigheden ongeloofwaardig is om de enkele reden dat niet wordt voldaan aan één van de vijf voorwaarden. Dat andere zittingsplaatsen van deze rechtbank anders over de WI 2024/6 hebben geoordeeld, is ook geen reden om anders te oordelen dan de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats. De rechtbank ziet in het verlengde van dit oordeel ook geen reden om de beantwoording van de prejudiciële vragen van zittingsplaats Roermond af te wachten.
Had de minister moeten toetsen aan het oude landenbeleid voor Jemen?
7. Eiser betoogt dat de minister in zijn geval het oude landenbeleid voor Jemen had moeten toepassen. Eiser heeft zijn asielaanvraag in april 2023 ingediend. Het landenbeleid voor Jemen strekte er destijds toe dat vrijwel elke vreemdeling uit Jemen in het bezit werd gesteld van een verblijfsvergunning, omdat in Jemen sprake was van een “uitzonderlijke situatie” in de zin van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000. De minister heeft echter, met het oog op een aanstaande beleidswijziging, bewust gekozen om de zaak van eiser af te doen in de verlengde asielprocedure, pas een jaar na de aanvraag een voornemen uit te brengen en pas twee jaar na de aanvraag een beslissing te nemen. Daarmee behandelt de minister eiser anders dan andere Jemenieten die wel een verblijfsvergunning hebben gekregen en van wie de verblijfsvergunning (nu) niet wordt ingetrokken. Eiser vindt dit een bijzondere omstandigheid die ertoe had moeten leiden dat de minister afwijkt van het uitgangspunt dat zij uitgaat van het beleid zoals dat geldt op het moment dat het bestreden besluit wordt genomen.11
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hij bij het nemen van een besluit op een asielaanvraag moet uitgaan van het beleid zoals dat op dát moment geldt, ook als er tussen de aanvraag en het besluit een beleidswijziging plaatsvindt. Bij het beslissen op een asielaanvraag geldt immers als uitgangspunt dat het recht wordt toegepast zoals dat geldt op het moment van het nemen van het besluit (het zogenoemde onmiddellijkheidsbeginsel).12 De rechtbank volgt eiser daarbij niet in zijn betoog dat de minister eiser anders behandelt dan andere vreemdelingen uit Jemen. De rechtbank stelt bij dat oordeel voorop dat (de gemachtigde van) eiser de aantijging aan het adres van de minister dat hij het besluit op de asielaanvraag van eiser bewust zou vertragen – met het kennelijke oogmerk om eiser te benadelen – op geen enkele wijze van een onderbouwing heeft voorzien, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat. Verder wijst de minister er terecht op dat in het geval van eiser sprake is van een andere situatie dan voor vreemdelingen uit Jemen die (al) wel in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning, omdat de voorwaarden voor intrekking van een verblijfsvergunning asiel anders (en strenger) zijn dan de voorwaarden voor verlening van dezelfde verblijfsvergunning.
Zijn de problemen van eiser met de Houthi’s (het tweede asielmotief) geloofwaardig?
8. Eiser betoogt dat de minister zijn problemen met de Houthi’s ten onrechte ongeloofwaardig vindt.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser dit asielmotief niet (volledig) met objectieve bewijsstukken heeft onderbouwd, en eiser heeft dat standpunt als zodanig niet betwist. De minister heeft daarom aan de hand van de verklaringen van eiser en de andere overgelegde bewijsstukken beoordeeld of dit asielmotief alsnog geloofwaardig is.13 Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, c en e, van de Vw 2000. Omdat eiser tegen dat standpunt wel beroepsgronden heeft gericht, zal de beoordeling van de rechtbank zich tot dat standpunt beperken.
Nader gehoor
9. Eiser betoogt dat de minister hem tijdens het nader gehoor onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld om zijn asielmotief naar voren te brengen. Eiser is gehoord met het oog op het oude landenbeleid voor Jemen, wat blijkt uit het feit dat eiser is gezegd dat hij mogelijk vanwege zijn nationaliteit in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning en het feit dat het nader gehoor kort heeft geduurd. Tijdens dit gehoor heeft eiser herhaaldelijk verklaard dat hij problemen met de Houthi’s heeft gehad: hij is persoonlijk door hen en door familieleden gevraagd om zich bij de Houthi’s aan te sluiten. Dat is een bekende werkwijze van de Houthi’s.14 De minister heeft hier niet op doorgevraagd en had eiser daarom aanvullend moeten horen.
Dit betoog slaagt niet. De rechtbank ziet geen reden voor het oordeel dat eiser tijdens het nader gehoor onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn asielmotief naar voren te brengen of dat de minister eiser aanvullend had moeten horen. Tijdens het nader gehoor is eiser bevraagd over zijn asielmotief, waarbij hem (onder meer) is gevraagd wanneer hij door de Houthi’s is benaderd, wat hij toen tegen het wijkhoofd heeft gezegd, of er zich familieleden van eiser hadden aangesloten en wat eiser van de Houthi’s vindt.15 De rechtbank ziet niet in waarom dat onvoldoende zou zijn. De enkele omstandigheid dat het nader gehoor kort heeft geduurd en aan eiser is gezegd dat hij mogelijk vanwege zijn nationaliteit in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning, wil immers nog niet zeggen dat dit gehoor ontoereikend is geweest en dat eiser onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn asielmotief naar voren te brengen. Bovendien heeft eiser in beroep ook niet geconcretiseerd welke vragen de minister hem (nog) had moeten stellen.
Onvoldoende documenten overgelegd zonder goede verklaring (voorwaarde b)
10. Voor zover eiser met de opmerking dat enkele documenten verloren zijn gegaan betoogt dat de minister hem niet mocht tegenwerpen dat hij onvoldoende documenten heeft overgelegd en daar geen goede verklaring voor heeft, slaagt dat betoog niet. De minister ziet de omstandigheid dat documenten (onderweg) zijn kwijtgeraakt immers niet als bevredigende verklaring voor het ontbreken van documenten,16 en eiser heeft dat beleid verder niet bestreden.
Verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel (voorwaarde c)
11. Eiser betoogt dat de overgelegde kopieën van documenten, anders dan de minister tegenwerpt, zijn verklaringen over zijn verblijf in Jemen en de problemen met de Houthi’s in voldoende mate ondersteunen.
Eiser betwist allereerst dat de overgelegde (kopie van zijn) geboorteakte zijn verblijf in Jemen niet aantoont. Eiser heeft hierover uitgelegd dat deze geboorteakte via een tussenpersoon is geregeld en in Maleisië is gelegaliseerd, maar hij kan verder geen inzicht geven in waarom dat op die manier is gebeurd. Eiser stelt echter dat dit ook niet nodig is, omdat hij ervan mag uitgaan dat (ook) de Jemenitische ambassade in Maleisië officieel bevoegd is om een geboorteakte af te geven.
Dit betoog slaagt niet. Eiser heeft verklaard dat hij Maleisië in februari 2022 heeft verlaten en toen naar Jemen is teruggekeerd.17 De minister stelt zich tegen deze achtergrond terecht op het standpunt dat het opmerkelijk is dat de geboorteakte eerst in Jemen wordt opgemaakt, vervolgens ter legalisatie naar de Jemenitische ambassade in Maleisië wordt verzonden en daarna weer wordt teruggestuurd naar Jemen om het document aan eiser te af te geven. Hoewel eiser er terecht op wijst dat ook de Jemenitische ambassade in Maleisië een rol kan hebben in de afgifte van een (afschrift van een) geboorteakte, kan hij geen inzicht geven in waarom in zijn geval is gebeurd. De minister wijst er daarom terecht op dat deze gang van zaken eerder doet vermoeden dat eiser ten tijde van de afgifte van de geboorteakte nog in Maleisië verbleef, dan dat deze zijn verblijf in Jemen onderbouwt.
Eiser betwist verder dat de kopie van het verlopen paspoort zijn verblijf in Jemen en zijn vertrek uit Maleisië niet ondersteunt. Dit paspoort is verloren gegaan. Eiser heeft echter nog wel een kopie van dit paspoort kunnen overleggen, omdat hij deze kopie had aangeleverd bij een reisbureau en deze daar nog kon opvragen. Helaas was slechts de kopie van de voorkant van het paspoort nog beschikbaar, dus heeft hij de overige pagina’s niet kunnen overleggen. In het verlengde daarvan kunnen ook de visa voor verblijf in Maleisië niet worden overgelegd.
Dit betoog slaagt niet. De minister heeft terecht tegengeworpen dat de overgelegde kopie van het verlopen paspoort geen ondersteuning vormt voor de verklaringen van eiser over zijn verblijf in Jemen en zijn vertrek uit Maleisië. In het dossier bevindt zich een scan van een paspoort van eiser, dat geldig was van 13 februari 2016 tot 13 februari 2022. Op deze scan zijn het voorblad van het paspoort te zien en enkele pagina’s met visa voor Maleisië. Maar hieruit valt niet af te leiden dat eiser Maleisië op enig moment heeft verlaten of dat hij in februari 2022 is teruggekeerd naar Jemen. Voor zover eiser heeft betoogd dat hij dit paspoort heeft gebruikt om terug te reizen naar Jemen en deze terugkeer wél blijkt uit eventuele niet-overgelegde pagina’s van het paspoort, overweegt de rechtbank dat dit niet ter zake doet. In het kader van deze tegenwerping gaat het namelijk om de vraag in hoeverre de overgelegde documenten de verklaringen van eiser ondersteunen, en niet om de vraag wat eiser had kunnen aantonen met bewijsstukken die hij niet heeft overgelegd of die hij niet kan overleggen.
Eiser betwist verder dat de overgelegde kopie van een huwelijksakte zijn verklaringen over zijn verblijf in Jemen niet ondersteunt. De minister heeft deze kopie laten vertalen door een niet-registertolk, van wie niet is gebleken dat hij (ook) vertaler is. De registertolken die eiser en zijn gemachtigde bij hun besprekingen hebben ingezet, hebben gesteld dat deze vertaling onjuist is. Het valt daarom volgens eiser niet in te zien waarom hij een eigen vertaling moet overleggen, en bovendien heeft de minister de inhoud van de huwelijksakte niet tijdens het gehoor aan de orde gesteld.18
Dit betoog slaagt niet. Het standpunt van de minister komt erop neer dat, nog afgezien van het feit dat slechts een kopie is overgelegd, moet worden getwijfeld aan de inhoud van de huwelijksakte, (onder meer) omdat de huwelijksakte vermeldt dat eiser een ander beroep heeft dan waarover hij zelf heeft verklaard. De rechtbank kan dat standpunt volgen. Eiser betoogt in feite dat hij het niet eens is met de vertaling van de huwelijksakte. Volgens de minister staat hierop vermeld dat eiser tandarts is, terwijl eiser stelt dat er staat dat hij ingenieur is. Maar zelfs als de rechtbank uitgaat van wat eiser stelt, is nog altijd sprake van een tegenstrijdigheid tussen de huwelijksakte en de verklaringen van eiser tijdens het aanmeldgehoor. De minister wijst er immers terecht op dat eiser heeft verklaard dat hij van 2017 tot 2019 in Kuala Lumpur de bacheloropleiding “IT Business Information Systems” heeft gevolgd,19 en het beroep van tandarts noch het beroep van ingenieur is aan deze vooropleiding te relateren. Daar komt nog bij dat eiser heeft verklaard dat hij in Jemen voor het laatst heeft gewerkt in 2015 als salesmanager.20 Ook dat komt niet overeen met de (gestelde) inhoud van de huwelijksakte, omdat eiser volgens zijn eigen verklaringen op het moment van het opmaken van de huwelijksakte (dus) eigenlijk geen beroep zou hebben. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat de minister hem met deze tegenstrijdigheid had moeten confronteren. De verplichting van de minister om een vreemdeling te confronteren met tegenstrijdigheden in zijn verklaringen strekt immers niet zo ver dat de minister de vreemdeling ook moet confronteren met tegenstrijdigheden tussen zijn verklaringen en overgelegde documenten.21
Eiser betwist verder dat de oproepingsbrief van de Houthi’s zijn verklaringen over de problemen met de Houthi’s niet ondersteunt. Eiser is hierover niet bevraagd tijdens het nader gehoor en de beoordeling van deze brief door de minister is volgens hem in strijd met het arrest LH.22
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de oproepingsbrief onvoldoende ondersteuning voor de verklaringen van eiser biedt. Uit het dossier volgt dat eiser deze oproepingsbrief, zoals de minister ook heeft gemotiveerd, op 16 augustus 2024 heeft overgelegd en de vertaling daarvan op 27 augustus 2024. Op dat moment had het nader gehoor al plaatsgevonden. Het valt daarom niet in te zien hoe de minister eiser tijdens het nader gehoor had kunnen bevragen over dit stuk. Verder heeft de minister de oproepingsbrief niet beoordeeld in strijd met het arrest LH. De rechtbank begrijpt dit betoog van eiser zo dat de minister niet had mogen volstaan met het standpunt dat de oproepingsbrief slechts in kopie is overgelegd (waardoor de echtheid hiervan niet kan worden onderzocht), maar hier ook een inhoudelijk standpunt over had moeten innemen. Het is op zichzelf genomen juist dat de minister een document dat in kopie is overgelegd niet terzijde kan schuiven om de enkele reden dat het een kopie is.23 Maar dat heeft de minister ook niet gedaan. De minister heeft zich namelijk op het standpunt gesteld dat aan dit document slechts beperkte waarde toekomt (en het document dus niet geheel terzijde geschoven) en dat met alleen dit document het verblijf van eiser in Jemen en zijn problemen met de Houthi’s niet worden aangetoond (en daarmee ook een inhoudelijk standpunt over dit document ingenomen). Eiser heeft dit verder niet betwist.
Eiser betwist tot slot dat de overgelegde WhatsApp-berichten zijn verklaringen over zijn asielmotief niet ondersteunen. Het valt volgens eiser allereerst niet in te zien hoe hij WhatsApp-berichten in originele vorm kan overleggen, omdat schermafbeeldingen van WhatsApp-berichten immers per definitie een kopie zijn. Verder is de afzender (naam en telefoonnummer) van de berichten zichtbaar en zijn de stellingen van de minister hierover voor het overige onnavolgbaar en niet onderbouwd.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de WhatsApp-berichten de verklaringen van eiser onvoldoende ondersteunen. Het is op zichzelf genomen juist dat een vreemdeling van WhatsApp-berichten slechts een afschrift (en dus een kopie) kan overleggen. De minister heeft echter ook een inhoudelijk standpunt over deze berichten ingenomen. Volgens de minister kan aan de WhatsApp-berichten niet de waarde worden gehecht die eiser daaraan gehecht wenst te zien, omdat niet kan worden vastgesteld dat deze berichten afkomstig zijn van een toezichthouder van de Houthi’s. De rechtbank kan dat standpunt volgen. De enkele omstandigheid dat de naam en het telefoonnummer van de afzender van de berichten zichtbaar zijn, wil namelijk nog niet zeggen dat de berichten daadwerkelijk afkomstig zijn van een toezichthouder van de Houthi’s. Verder heeft eiser niet geconcretiseerd welke standpunten van de minister onnavolgbaar of niet onderbouwd zijn.
12. Eiser betoogt dat hij voldoende heeft verklaard over zijn dagelijkse bezigheden in Jemen toen hij daar vanaf 2022 verbleef. Eiser had een dagelijkse routine, werkte bij zijn vader in het bedrijf, bezocht familieleden en deed boodschappen. Na ongeveer een half jaar werd hij lastiggevallen door de Houthi’s. De toezichthouder van de Houthi’s heeft eiser toen ook opgezocht, gevraagd naar zijn studie en zijn familie lastiggevallen. Het is niet te volgen waarom dat niet consistent of niet gedetailleerd is, en bovendien is eiser niet met eventuele inconsistenties of tegenstrijdigheden geconfronteerd.24
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser onvoldoende gedetailleerd heeft verklaard over zijn dagelijkse bezigheden tijdens zijn verblijf in Jemen van februari 2022 tot maart 2023. Gelet op het feit dat eiser stelt dat hij meer dan een jaar in Jemen heeft verbleven nadat hij uit Maleisië is teruggekeerd, verwacht de minister terecht van eiser dat hij inzicht geeft in wat zijn dagelijkse bezigheden in dat jaar waren. Eiser kan op die manier immers zijn gestelde verblijf in Jemen onderbouwen. Tijdens het aanmeldgehoor heeft eiser desgevraagd echter alleen verklaard dat hij naar school ging en dat hij bij zijn vader “het werk [leerde]”.25 Dat vindt de minister terecht onvoldoende. Eiser heeft die verklaring in de correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor verder ook niet aangevuld en het valt niet in te zien waarom eiser pas in de zienswijze en in beroep – en dus pas nadat hem deze onvoldoende gedetailleerde verklaringen tijdens het aanmeldgehoor waren tegengeworpen – met een nadere (en overigens zeer algemene) toelichting over zijn dagelijkse bezigheden komt. Bovendien valt niet in te zien waarom de minister eiser hier al tijdens het gehoor mee had moeten confronteren. De minister heeft slechts aan eiser tegengeworpen dat hij onvoldoende gedetailleerd heeft verklaard, en niet dat zijn verklaringen (ook) inconsistent of tegenstrijdig zijn.
Conclusie over deze beroepsgrond
13. De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de problemen van eiser met de Houthi’s ongeloofwaardig zijn.
Loopt eiser bij terugkeer naar Jemen een reëel risico op ernstige schade?
14. Eiser betoogt dat hij bij terugkeer naar Jemen een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege het willekeurig geweld dat daar plaatsvindt.
Willekeurig geweld
15. De minister voerde tot april 2024 voor Jemen het landenbeleid dat sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. De minister heeft dit landenbeleid in april 2024 met WBV 2024/9 gewijzigd en voor Jemen – en daarmee ook voor Sanaa, waar eiser vandaan komt – een relatief hoger niveau van willekeurig geweld aangenomen. De minister heeft het bestreden besluit op dit landenbeleid gebaseerd.
16. Eiser heeft in beroep, onder verwijzing naar het rapport van Human Rights Watch over Jemen uit 2025, een landeninformatiebrief over Jemen van VluchtelingenWerk Nederland van 18 februari 2025 en uitspraken van verschillende zittingsplaatsen van de rechtbank, betoogd dat deze beleidswijziging geen stand kan houden en de minister voor Jemen had moeten uitgaan van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft er verder op gewezen dat WBV 2024/9 op een zitting van de Afdeling zou worden behandeld en gesteld dat de rechtbank om die reden de behandeling van het beroep zou moeten aanhouden.
De Afdeling heeft op 16 juli 2025 geoordeeld dat de beleidswijziging uit WBV 2024/9 geen stand kan houden, omdat de minister in dit beleid onvoldoende heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. De minister heeft volgens de Afdeling niet alle in de uitspraak genoemde relevante omstandigheden in zijn beoordeling betrokken en de minister opgedragen een nieuwe beoordeling te verrichten met inachtneming van het Algemeen ambtsbericht van april 2025.26 De minister heeft het landenbeleid voor Jemen vervolgens met WBV 2025/20 (opnieuw) gewijzigd. In dit landenbeleid neemt de minister nog steeds aan dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in Sanaa, maar niet van het hoogste niveau van willekeurig geweld.
Omdat het bestreden besluit was gebaseerd op WBV 2024/9, heeft de rechtbank de minister – zoals al onder 2.4 overwogen – gevraagd te reageren op de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. In zijn reactie heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, omdat dit (nog) is gebaseerd op WBV 2024/9. Partijen zijn het in zoverre met elkaar eens, zodat het betoog van eiser zoals dat onder 16 is weergegeven slaagt en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. De minister heeft zich echter op het standpunt gesteld dat de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kan laten, omdat met het nieuwe landenbeleid voor Jemen (uit WBV 2025/20) alsnog voldoende is gemotiveerd dat in Sanaa sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Eiser is het daar niet mee eens, zodat de rechtbank hierna alleen nog beoordeelt of zij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit bij de vernietiging daarvan in stand kan laten.
17. Eiser betoogt dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit bij een vernietiging niet in stand kan laten. In de eerste plaats kan de minister de motivering van het bestreden besluit niet herstellen met een verweerschrift, omdat het bestreden besluit dateert van vóór de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025. Hij had het bestreden besluit moeten intrekken en tot inwilliging moeten overgaan, zoals hij in vergelijkbare zaken ook heeft gedaan. Verder bestaat in de rechtspraak nog altijd divergentie over de vraag of de minister het landenbeleid voor Jemen met WBV 2025/20 nu wel voldoende heeft gemotiveerd,27 zodat de rechtbank gehouden is om de behandeling van het beroep aan te houden totdat de Afdeling hierover uitspraak heeft gedaan.
Dit betoog slaagt niet. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, en licht dat hierna toe. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat de rechtbank bij de vernietiging van het besluit de rechtsgevolgen daarvan in stand kan laten als de minister het geconstateerde motiveringsgebrek heeft hersteld, partijen zich daarover in voldoende mate hebben kunnen uitlaten en het vernietigde besluit na het herstellen van dit motiveringsgebrek de rechterlijke toets kan doorstaan.28 Uit deze rechtspraak volgt niet dat de minister een motiveringsgebrek niet langer zou kunnen herstellen na een beleidswijziging of een uitspraak van de Afdeling. Eiser heeft verder ook niet onderbouwd dat de minister in vergelijkbare gevallen is overgegaan tot inwilliging van de asielaanvraag en eiser daarom op een andere manier behandelt dan andere vreemdelingen. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister het hiervoor genoemde motiveringsgebrek met zijn aanvullende motivering van 3 december 2025 en de daarin opgenomen verwijzing naar het nieuwe landenbeleid voor Jemen uit WBV 2025/20 voldoende heeft hersteld. De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 5 februari 2026 namelijk geoordeeld dat de minister in dit landenbeleid terecht tot de conclusie is gekomen dat zich in Sanaa niet het hoogste niveau van willekeurig geweld voordoet.29 De enkele omstandigheid dat andere zittingsplaatsen van deze rechtbank hierover anders hebben geoordeeld, is geen reden om van de hiervoor genoemde uitspraak van 5 februari 2026 af te wijken of om het beroep aan te houden.
Individuele omstandigheden
18. Omdat uit wat hiervoor is overwogen volgt dat in Sanaa geen sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld, moet eiser specifieke individuele kenmerken naar voren brengen waaruit volgt dat juist hij bij terugkeer naar Jemen risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.30 De minister heeft zich in het bestreden besluit en in zijn aanvullende motivering van 3 december 2025 op het standpunt gesteld dat eiser hierin niet is geslaagd, en eiser heeft dat standpunt verder niet betwist.
Conclusie over deze beroepsgrond
19. De beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Jemen een reëel risico op ernstige schade loopt.
Conclusie en gevolgen
20. Het beroep is gegrond, omdat de minister zich – gelet op wat de rechtbank onder 16.2 heeft geoordeeld – in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in Jemen (Sanaa) geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. Het bestreden besluit is daarom genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet echter, gelet op wat onder 17.1 is overwogen, aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.31 Dat betekent dat eiser uiteindelijk geen gelijk krijgt en zijn asielaanvraag afgewezen blijft.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet de minister de proceskosten van eiser vergoeden. Deze vergoeding bedraagt € 2.335, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend (1 punt met een wegingsfactor van 1 = € 934), aan de zitting van 22 april 2025 heeft deelgenomen (1 punt met een wegingsfactor van 1 = € 934) en na een daartoe strekkend verzoek van de rechtbank op 16 maart 2026 een schriftelijke reactie heeft ingediend (0,5 punt met een wegingsfactor van 1 = € 467). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt het bestreden besluit;
-
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
-
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.