ECLI:NL:RBDHA:2026:31456

Datum uitspraak
22-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
NL26.51221
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Opvolgende asielaanvraag – geen nieuwe elementen of bevindingen – aanvragen niet-ontvankelijk – beroepen ongegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.51221

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. N. van Bremen),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Sánchez-Rhemrev).

Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft alleen de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1990 en heeft de Syrische en de Turkse nationaliteit.

2. Eiser heeft op 26 oktober 2022 zijn eerste asielaanvraag ingediend in Nederland. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 11 april 2024 afgewezen als ongegrond omdat eiser naast de Syrische, ook de Turkse nationaliteit heeft en hij veilig naar Turkije kan terugkeren. De discriminatie die eiser in Turkije heeft ondervonden is niet van die aard dat dit een vervolgingsgrond oplevert. Deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, heeft het tegen dit besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 3 juli 2025 ongegrond verklaard.1 In hoger beroep2 is deze uitspraak bevestigd en staat daarmee in rechte vast.

3. Op 5 augustus 2026 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is gebaseerd op dezelfde asielmotieven, maar met een nadere onderbouwing. Ten opzichte van de eerdere procedure heeft eiser nog ingebracht: een afschrift van een document gericht aan het OM in Turkije van 29 maart 2018, waarmee eiser zijn klacht intrekt, een kopie van eisers Kimlik3, een schriftelijke verklaringen van zijn broer, van zijn zus, van de man van zijn zus, en van een vriend. Eiser beoogt met deze stukken nader te onderbouwen dat hij in gevaar is geweest in Turkije en dat hij onder druk is gezet om de klacht tegen zijn bedreigers in te trekken.

4. Met het bestreden besluit heeft verweerder de opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen relevante nieuwe elementen of bevindingen (nova) heeft aangevoerd. Van de overgelegde stukken zijn geen originelen overgelegd. Alleen al daarom is er volgens verweerder geen sprake van nova. Daarbij blijkt uit de overgelegde gegevens niet over welke juridische procedure of klacht dit gaat, dat de intrekking dateert van 29 maart 2018 en dat daarom niet valt in te zien waarom deze niet in de voorgaande procedure is ingebracht, en dat de persoonlijke verklaringen van vrienden of familieleden niet als onafhankelijke bronnen kunnen gelden en daarom niet als (ondersteunend) bewijs kunnen dienen van hetgeen eiser heeft aangevoerd. Ten slotte heeft verweerder eiser niet gehoord over zijn opvolgende asielaanvraag, omdat eiser geen nieuwe, relevante informatie heeft aangevoerd.

5. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte de nieuwe stukken als niet relevant terzijde heeft geschoven, uitsluitend op de grond dat het geen originele documenten zijn, zodat de authenticiteit van die stukken niet kan worden vastgesteld. Hij verwijst in dit verband naar jurisprudentie van het HvJEU4 en van de Afdeling.5 Daarnaast heeft verweerder een te strenge maatstaf aangelegd voor de beoordeling van de nieuwe feiten en omstandigheden. Het is voldoende dat de nieuwe informatie de kans aanzienlijk groter maakt dat de vreemdeling voor internationale bescherming in aanmerking komt; niet of de gebeurtenissen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.6 Verweerder had in dit verband alle ingebrachte stukken niet alleen op individuele merites moeten beoordelen, maar ook in onderlinge samenhang en in samenhang met de voorgaande procedure. Ten aanzien van de hoorplicht voert eiser aan dat slechts in bijzondere gevallen van horen kan worden afgezien en dat dit in elk geval deugdelijk moet zijn gemotiveerd.7 Deze motivering ontbreekt in het bestreden besluit.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Op grond van artikel 38, tweede lid, van de Procedureverordening, verklaart verweerder een opvolgende asielaanvraag niet-ontvankelijk als er geen nieuwe relevante elementen naar voren zijn gekomen.8 Er is sprake van nieuwe relevante elementen als deze elementen ‘de kans aanzienlijk groter maken’ dat de verzoeker in aanmerking komt voor een asielvergunning.9 Dit is een strenger criterium dan dat eerder, op grond van artikel 30a van de Vreemdelingenwet 2000, zoals die gold voor 12 juni 2026, werd toegepast: toen was het voldoende dat de nieuwe relevante elementen of bevindingen ‘relevant kunnen zijn’ voor de beoordeling van de asielaanvraag. Anders dan eiser stelt is het beoordelingskader dus niet soepeler, maar juist strenger geworden. Bovendien geldt op basis van artikel 55, vierde lid, van de Procedureverordening dat als er geen sprake is van nieuwe relevante elementen, van een persoonlijk onderhoud kan worden afgezien.

7. In het bestreden besluit is nadrukkelijk overwogen dat verweerder de aanvraag al als niet-ontvankelijk had kunnen afdoen vanwege het ontbreken van originele stukken, maar dat hij de nieuwe stukken desondanks inhoudelijk heeft beoordeeld. Omdat verweerder de nieuwe stukken inhoudelijk heeft beoordeeld, behoeft de grond gericht tegen het tegenwerpen van het ontbreken van originelen, niet beoordeeld te worden.

8. Ten aanzien van de inhoud van de overgelegde stukken heeft verweerder terecht overwogen dat eiser hiermee geen nieuwe elementen of bevindingen aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. Uit de bijgeleverde vertaling van de intrekking van de klacht staat slechts vermeld dat tussen partijen een minnelijke regeling tot stand is gekomen, maar nergens blijkt over welke klacht dit gaat. De rechtbank is daarom met verweerder van oordeel dat het stuk niet kan dienen ter nadere onderbouwing van de in de vorige procedure aangevoerde asielmotieven. Bovendien heeft verweerder terecht tegengeworpen dat het stuk al tijdens de vorige procedure had kunnen worden ingebracht en dat niet is onderbouwd waarom dat niet had gekund. Ten aanzien van de getuigenverklaringen heeft verweerder terecht overwogen dat dit subjectieve verklaringen zijn die niet kunnen gelden als objectief, verifieerbaar bewijs. De inhoud van de verklaringen wordt bovendien niet ondersteund door ander, objectief bewijs. Ook in samenhang bezien leveren deze stukken onvoldoende basis voor ontvankelijkheid van de herhaalde asielaanvraag.

9. Verweerder heeft terecht overwogen dat in het geval van eiser kon worden afgezien van een gehoor, omdat op basis van de stukken al kon worden geconcludeerd dat geen sprake was van nieuwe relevante elementen die de kans aanzienlijk groter maakten dat eiser in aanmerking zou komen voor een asielvergunning. Dit is voldoende gemotiveerd op pagina 5 van het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

10. Verweerder heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiser moet terugkeren naar Turkije.

11. Omdat het beroep ongegrond is krijgt eiser geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 22 oktober 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »