RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.50275
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. E.W.B. van Twist),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. J. Sánchez-Rhemrev).
Procesverloop
Eiser heeft op 14 juni 2026 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 28 augustus 2026 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt dat hij is geboren op [geboortedag] 1993 en dat hij de Jemenitische nationaliteit heeft. Hij heeft op 14 juni 2026 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Verweerder heeft met het bestreden besluit de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser al internationale bescherming heeft in Griekenland.1 Verweerder heeft daarbij toepassing gegeven aan de vaste gedragslijn die is vastgelegd in Informatiebericht (IB) 2026/31. Omdat eiser een gezonde, volwassen man is, zonder meereizende gezinsleden, beschouwt verweerder hem als zelfredzaam en niet kwetsbaar. Het is voor hem daarom niet onmogelijk om bij terugkeer naar Griekenland in zijn basisbehoeften te voorzien. De hoge drempel voor schending van artikel 3 van het EVRM2 en artikel 4 van het Handvest3 wordt in zijn geval niet gehaald. Verweerder verwijst in dit verband op jurisprudentie van het HvJEU,4 en van het EHRM.5
3. Eiser voert aan dat van hem niet in redelijkheid verwacht kan worden dat hij zich in Griekenland kan handhaven. Het uitgangspunt in het beleid, vastgelegd in IB 2026/31, dat een volwassen, alleenstaande man zelfredzaam is, is te beknellend en het is onduidelijk is waarop verweerder zijn standpunt baseert dat het in Griekenland beter gaat sinds de invoering van het Asiel en Migratiepact. Daarnaast is de individuele situatie van eiser, in het bijzonder zijn medische omstandigheden, niet voldoende betrokken. Eiser mist één of meerdere vingers en heeft daarnaast andere verwondingen. Eiser heeft drie maanden naar werk en opvang gezocht in Griekenland, maar is er niet in geslaagd om dit te vinden. Verder heeft verweerder geen rekening gehouden met het familieleven van eiser en zijn afhankelijkheid van zijn Nederlandse zus.
De rechtbank oordeelt als volgt.
IB 2026/31 en de situatie in Griekenland
4. Tussen partijen is niet in geschil dat aan eiser een vluchtelingenstatus is verleend in Griekenland. Eiser beschikt over een Griekse verblijfsvergunning, geldig van 27 maart 2026 tot 26 maart 2029. Ook is niet in geschil dat de situatie voor statushouders in Griekenland vaak moeilijker is dan in Nederland. Verweerder kan ook daarom niet zondermeer uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Griekenland, maar moet op basis van een beoordeling van de individuele omstandigheden vaststellen of een vreemdeling zelfredzaam is of dreigt in een situatie van verregaande materiële deprivatie terecht te komen.
5. Verweerder heeft terecht gewezen op de jurisprudentie van het HvJEU waaruit blijkt dat voor statushouders zoals eiser de lat voor het aannemen van een reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest bijzonder hoog ligt. Het HvJEU heeft in het arrest Ibrahim6 uiteengezet dat om een risico op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest aan te nemen, een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid geldt. Volgens het HvJEU wordt deze drempel bereikt indien de onverschilligheid van de autoriteiten van een lidstaat tot gevolg zou hebben dat een persoon die volledig afhankelijk is van de overheidssteun, buiten zijn wil en persoonlijke keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid.7
6. Om te kunnen beoordelen of een asielaanvraag van een Griekse statushouder niet-ontvankelijk kan worden verklaard heeft verweerder een vaste gedragslijn neergelegd in informatieberichten. Volgens het door verweerder in het bestreden besluit toegepaste IB 2026/31 kan een asielaanvraag van een Griekse statushouder niet-ontvankelijk worden verklaard indien de vreemdeling als zelfredzaam kan worden beschouwd. Een vreemdeling wordt geacht zelfredzaam te zijn indien hij een volwassen, alleenstaande man is die niet kwetsbaar is en beschikt over een geldige verblijfsvergunning.
7. Verweerder heeft in het verweerschrift en de daarin overgelegde bronnen gemotiveerd op welke informatie het IB 2026/31 is gebaseerd. Verweerder heeft verwezen naar het arrest D.O. en L.A. tegen Zweden8 van het EHRM van 7 juli 2026. Het EHRM heeft daarin bevestigd dat de drempel van zeer verregaande materiële deprivatie bijzonder hoog is en niet zonder meer wordt gehaald ten aanzien van Griekse statushouders. Daarnaast heeft verweerder in het verweerschrift verschillende onderzoeken en rapporten aangehaald, waaronder onderzoeken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken uit 20229 en 202410, AIDA-rapporten uit 202511 en 202612, een feitenrapport van HELIOS+13 en een rapport van de Europese Commissie.14
8. Onder verwijzing naar de in overweging 7 genoemde informatie heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat een volwassen, alleenstaande man, die beschikt over een geldige verblijfsvergunning en die niet kwetsbaar is, niet in een situatie van verregaande materiële deprivatie terechtkomt bij terugkeer naar Griekenland. Verweerder heeft in het verweerschrift met de daarin overgelegde bronnen voldoende gemotiveerd dat de Griekse overheid en verschillende NGO’s actief zijn om statushouders te ondersteunen en hen te helpen op diverse terreinen om te voorkomen dat zij in een staat van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomen. De rechtbank acht het in het bestreden besluit toegepaste IB 2026/31 niet onredelijk.
Persoonlijke situatie van eiser
9. Eiser voert aan dat hij kwetsbaar is wegens zijn medische omstandigheden, waardoor hij niet zelfredzaam kan worden geacht. Eiser stelt dat hij één of meerdere vingers mist en dat hij daarom geen, of een veel kleinere kans heeft om betaald werk te vinden en dus om zich in de praktijk staande te houden. Eiser voert aan dat hij na de verlening van zijn asielstatus in Griekenland drie maanden heeft geprobeerd werk en opvang te vinden, maar dat dit niet is gelukt door zijn medische omstandigheden. Eiser heeft op het strand geslapen en heeft overal gezocht naar werk.
10. De rechtbank begrijpt dat de situatie voor eiser als statushouder in Griekenland moeilijk kan zijn. Dat de situatie moeilijk is, betekent echter niet dat enkele verklaringen van eiser voldoende zijn om te stellen dat er sprake is van kwetsbaarheid. Het is aan eiser om dit te nader te onderbouwen met documenten. Bovendien heeft verweerder terecht overwogen dat eiser heeft verklaard dat hij geen belastingnummer heeft aangevraagd omdat dit toch geen zin zou hebben.15 Het had op de weg van eiser gelegen om het belastingnummer desondanks aan te vragen en daarmee zijn kansen op legaal werk te vergroten. Eiser heeft daarnaast niet met medische documenten aangetoond dat hij arbeidsongeschikt zou zijn. Verweerder heeft verder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij slechts drie maanden in Griekenland is verbleven nadat hij zijn verblijfsvergunning heeft ontvangen. Van eiser mag verwacht worden dat hij voldoende inspanningen verricht om zijn rechten te effectueren in Griekenland en dat hij hulp inroept van de Griekse autoriteiten of hulporganisaties indien dit niet lukt. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van zijn medische omstandigheden niet zelfredzaam is bij terugkeer naar Griekenland.
Familieleven van eiser
11. Eiser voert aan dat verweerder het familieleven van eiser had moeten betrekken. De zus van eiser woont in Nederland en eiser stelt afhankelijk te zijn van haar.
12. Verweerder heeft ter zitting terecht gewezen op artikel 3.6a, tweede lid, van het Vb.16 Hieruit volgt dat voor een aanvraag die niet-ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a van de Vw niet ambtshalve hoeft te worden getoetst of artikel 8 van het EVRM van toepassing is. Pas bij de inhoudelijke behandeling van een asielaanvraag is de toets aan artikel 8 van het EVRM aan de orde.17
Conclusie en gevolgen
13. Verweerder heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 22 oktober 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Verberne, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.