ECLI:NL:RBDHA:2026:30368

Datum uitspraak
15-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
NL26.49936
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

AmbV/Dublin. Interstatelijk vertrouwensbeginsel Frankrijk. AIDA-rapport mei 2026 opvang voor Dublinterugkeerders. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft kunnen verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Beroep ongegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.49936

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. T. Volckmann),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. Y.E.C. Thole).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 20 augustus 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.

1.1.

De rechtbank heeft het beroep op 6 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, W. Bueno Franca als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Toepasselijk recht en verantwoordelijkheid Frankrijk

4. Op 12 juni 2026 is de AMbV1 in werking getreden.2 Artikel 83, eerste volzin, van

de AMbV bepaalt dat de Dublinverordening3 op 12 juni 2026 wordt ingetrokken. De

rechtbank bespreekt daarom als eerste welk recht in deze zaak van toepassing is.

4.1.

Artikel 84, tweede lid, van de AMbV bepaalt dat de vraag welke lidstaat

verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om

internationale bescherming, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde

criteria. Het verzoek van eiser om internationale bescherming is vóór 12 juni 2026

ingediend. Dat betekent dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is, op grond van het

overgangsrecht wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria. De

rechtbank voelt zich gesteund door de uitspraak van de Afdeling4 van 7 oktober 2026 waarin is geoordeeld dat, in afwachting van de gestelde prejudiciële vragen aan het Hof5, een ruime

uitleg wordt gegeven aan de rechtsbescherming van vreemdelingen in het kader van het

overgangsrecht.

4.2.

Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank bij de beoordeling van dit beroep uit

van het beleid dat is opgenomen in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire, zoals

dat luidde vóór 12 juni 2026.

Totstandkoming van het besluit

5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.6 In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.

Is overdracht in strijd met de internationale verplichtingen?

6. Eiser voert aan dat in Frankrijk de leefomstandigheden waaraan hij zal worden blootgesteld en de kwaliteit van de asielprocedure en -opvang in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM7 en artikel 4 van het EU-Handvest8. Onder verwijzing naar de AIDA9-rapportage van mei 2026 stelt eiser dat er structurele tekortkomingen zijn in de opvang van Dublin-terugkeerders. Van de asielzoekers die in Frankrijk onder de Dublinprocedure vallen krijgen slechts 4.887 van de 24.174 gevallen opvang, dat betreft 20,2%.

6.1.

De minister stelt zich op het standpunt dat hij mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

7. De rechtbank overweegt als volgt. De minister mag er in het algemeen op

vertrouwen dat de lidstaten die partij zijn bij de Dublinverordening, waaronder ook

Frankrijk, hun internationale verplichtingen nakomen. Dit betekent dat de minister mag

uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van eiser na overdracht aan Frankrijk in

overeenstemming is met de bepalingen uit het EVRM, het Handvest en het

Vluchtelingenverdrag.10 Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van

het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan omdat de asielprocedure in

Frankrijk een fundamentele systeemfout bevat die de bijzonder hoge drempel van

zwaarwegendheid bereikt als bedoeld in het arrest Jawo.11

7.1.

In de gronden van beroep heeft eiser gesteld dat hij als Dublin-terugkeerder het risico loopt op onmenselijke of vernederende behandeling ten gevolge van systeemfouten in de asielprocedure en opvangvoorzieningen. Daarbij is verwezen naar het AIDA-rapport ten aanzien van Frankrijk over het jaar 2025 (mei 2026).

7.2.

Omdat het recente AIDA-rapport niet meegenomen is in de beoordeling van eisers asielaanvraag heeft de rechtbank de minister het hiervoor genoemde ter zitting voorgehouden en om een reactie verzocht.

7.3.

De minister heeft desgevraagd aangegeven dat geen sprake is van een wezenlijk

verschil tussen de rapportages met betrekking tot 2024 en 2025 daar waar het gaat om de opvang van Dublin-terugkeerders. De minister verwijst daarbij naar de pagina’s 19 en 68 van het AIDA-rapport Frankrijk over het jaar 2025 en stelt dat het percentage van 20,2% geen betrekking heeft op Dublinterugkeerders, maar op mensen die in Frankrijk een asielaanvraag hebben gedaan terwijl zij eerder in een ander land zijn geweest en daarom vanuit Frankrijk zullen worden overgedragen. De minister heeft verwezen naar een uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 202612 waarin wordt bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk nog immer kan en mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel omdat het AIDA-rapport Frankrijk over het jaar 2025 naar het oordeel van de Afdeling geen wezenlijk ander beeld van de opvang van asielzoekers in Frankrijk laat zien dan volgt uit de landeninformatie die al bij eerdere Afdelingsuitspraken is betrokken.

7.4.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt, zoals de minister ook heeft toegelicht, uit

het AIDA-rapport Frankrijk over het jaar 2025 dat het door eiser genoemde percentage van

20,2% ziet op Dublin ‘applicants’ en niet op Dublin ‘returnees’, ofwel Dublin-terugkeerders. De rechtbank leest het volgende in het rapport: ‘At the end of 2025, only 4,887 out of 24,174 asylum applicants under Dublin procedure this year were accommodated (20.2%).’13Daar waar in de zin ervoor wordt gesproken van ‘applicants or returnees’, betreft de 20.2% naar het oordeel van de rechtbank alleen de ‘applicants’. Hieronder verstaat de rechtbank asielzoekers die naar Frankrijk zijn gekomen om asiel aan te vragen en voor wie de Franse autoriteiten bij een ander land, of andere landen, een claimverzoek indienen. Dit wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd op twee andere plekken in het rapport14, waar wordt gesproken van 30.084 claimverzoeken in het jaar 2025, voor 24.174 personen.

7.5.

De rechtbank merkt op dat de passage op pagina 130 van het AIDA-rapport

Frankrijk over het jaar 2025 grotendeels overeenkomt met pagina 124/125 van het AIDA-rapport Frankrijk over het jaar 2024. Het onderscheid zit in het feit dat in het AIDA-rapport over het jaar 2024 wordt gesproken over ‘asylum seekers under Dublin procedure’ en in het AIDA-rapport over het jaar 2025 over ‘asylum applicants under Dublin procedure’. Deze wijziging is niet verder toegelicht in de rapportage en dat roept de vraag op of in het AIDA-rapport Frankrijk over het jaar 2024 onder ‘asylum seekers’ ook Dublin-terugkeerders werden gerekend en wat de positie van Dublin-terugkeerders dan nu is.

7.6.

De minister heeft ter zitting toegelicht dat in de AIDA-rapporten over het jaar 2025 en 2024 een paragraaf is opgenomen specifiek over de situatie van Dublin-terugkeerders, paragraaf 2.715. In beide rapporten staat in deze paragraaf beschreven dat Dublin-terugkeerders op dezelfde wijze behandeld worden als elke andere asielaanvrager. Daaruit volgt volgens de minister dat de positie van Dublin-terugkeerders niet wezenlijk is veranderd.

7.7.

De rechtbank volgt de minister. Uit paragraaf 2.7 leidt de rechtbank af dat

aanvragen van Dublin-terugkeerders op dezelfde wijze behandeld worden als elk ander asielverzoek en dat daarom uitgegaan moet worden van de conclusies over de toegang tot opvangplekken voor asielaanvragers. Naar het oordeel van de rechtbank laat zowel de specifieke situatiebeschrijving van Dublin-terugkeerders in paragraaf 2.7 van het AIDA-rapport over het jaar 2025 als ook het hoofdstuk B. ‘Housing’ geen wezenlijk ander beeld zien dan eerdere rapporten. De Afdeling heeft zeer recent bevestigd dat het AIDA-rapport Frankrijk over het jaar 2025 geen wezenlijk ander beeld schetst over de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan volgt uit de landeninformatie die al bij eerdere

uitspraken van de Afdeling betrokken is.16 De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldoende gemotiveerd dat uit de aangehaalde landeninformatie niet blijkt dat Frankrijk in het algemeen de internationale verplichtingen ten aanzien van Dublin-terugkeerders niet nakomt.

7.8.

De minister heeft daarom kunnen verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en zich terecht op het standpunt gesteld dat ervan kan worden uitgegaan dat Frankrijk de internationale verplichtingen nakomt. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Brandwacht - Kampman, rechter, in aanwezigheid van F.E. Siblesz, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »