RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.55583
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Sánchez-Rhemrev).
Procesverloop
Bij besluit van 16 september 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft op 12 oktober en op 13 oktober 2026 een aanvulling op de gronden ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
1. Eiser stelt dat hij is geboren op [geboortedag] 1985 en dat hij de Jemenitische nationaliteit heeft. Hij heeft op 21 september 2026 in Nederland een asielaanvraag ingediend.
2. Verweerder heeft eisers asielaanvraag met het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser al internationale bescherming heeft in Griekenland.1 Verweerder heeft daarbij toepassing gegeven aan de vaste gedragslijn die is vastgelegd in Informatiebericht (IB) 2026/31. Omdat eiser een gezonde, volwassen man is, zonder meereizende gezinsleden, beschouwt verweerder hem als zelfredzaam en niet-kwetsbaar. Het is voor hem daarom niet onmogelijk om bij terugkeer naar Griekenland in zijn basisbehoeften te voorzien. De hoge drempel voor schending van artikel 3 EVRM2 en artikel 4 Handvest3 wordt in zijn geval niet gehaald. Verweerder verwijst in dit verband op jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU),4 en van het Europese Hof voor de rechten van de Mens (EHRM).5
3. Eiser voert tegen het bestreden besluit het volgende aan. Verweerder gaat op basis van IB 2026/31 voor alleenstaande, gezonde mannen ten onrechte uit van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Griekenland. Hij gaat daarbij uit van een categorale benadering, zonder voldoende rekening te houden met de individuele omstandigheden van de vreemdeling. De beoordeling is uitsluitend gebaseerd op de theoretische, niet op de reële mogelijkheid voor de individuele vreemdeling om zich staande te houden in Griekenland. Bovendien worden statushouders minder gunstig behandeld dan Grieken of EU-burgers bij de toegang tot sociale en medische voorzieningen. Met betrekking tot de individuele omstandigheden van eiser, voert hij aan dat hij tijdens zijn verblijf in Griekenland, nadat hij de opvang had moeten verlaten, geen toegang had tot huisvesting, geen werk kon vinden, en geen medische hulp ontving toen hij die nodig had. Het feit dat hij alleen reist kan hem juist in een kwetsbare positie brengen. Eiser verzoekt de rechtbank ten slotte om verweerder op te dragen om de volledige toegepaste beoordelingscriteria en de relevante interne instructies achter IB 2026/31 over te leggen, indien nodig met toepassing van de procedure uit artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Tussen partijen is niet in geschil dat aan eiser een vluchtelingenstatus is verleend in Griekenland. Ook is niet in geschil dat de situatie voor statushouders in Griekenland vaak moeilijker is dan in Nederland. Verweerder kan ook daarom niet zondermeer uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Griekenland,6 maar moet op basis van een beoordeling van de individuele omstandigheden vaststellen of een vreemdeling zelfredzaam is of dreigt in een situatie van verregaande materiële deprivatie terecht te komen.
5. Verweerder heeft terecht gewezen op de jurisprudentie van het HvJEU waaruit blijkt dat voor statushouders zoals eiser de lat voor het aannemen van een reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest bijzonder hoog ligt: “het ontbreken van bestaansondersteunende voorzieningen of voorzieningen die duidelijk beperkter zijn dan die in andere lidstaten worden geboden, zonder dat zij evenwel anders worden behandeld dan de onderdanen van die lidstaat, kan alleen dan leiden tot de vaststelling dat de statushouder wordt blootgesteld aan een dergelijk risico, wanneer die omstandigheid tot gevolg heeft dat de statushouder vanwege zijn bijzondere kwetsbaarheid, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, zou terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie.”7 Uit het aangehaalde arrest van het EHRM volgt verder dat de situatie van statushouders onvermijdelijk leidt tot een situatie van ontbering, verlies, moeilijkheden en uitdagingen, voor wat betreft financiën, taal, administratieve procedures, huisvesting, en andere praktische zaken, maar dat het nog steeds op de weg van verzoekers ligt om te onderbouwen dat hun terugkeer naar de lidstaat die de status heeft verleend een situatie oplevert die een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM inhoudt.8
6. In IB 2026/31 staat dat de aanvraag van een statushouder uit Griekenland alleen niet-ontvankelijk kan worden verklaard als de statushouder als zelfredzaam kan worden beschouwd. Als de statushouder een alleenstaande, meerderjarige man is, en er geen sprake is van omstandigheden die de zelfredzaamheid van de vreemdeling (significant) belemmeren, wordt de zelfredzaamheid aangenomen. De rechtbank acht deze door verweerder opgestelde gedragslijn, zoals weergegeven in IB 2026/31, niet onredelijk. Voor een goede beoordeling van het voorliggende beroep acht de rechtbank het niet nodig om de interne notities waar op sommige plaatsen in het informatiebericht naar wordt verwezen, op te vragen. De Europeesrechtelijke en nationale context geven voldoende inzicht om het informatiebericht te kunnen duiden en te beoordelen.
7. Eiser voldoet aan de in IB 2026/31 opgesomde voorwaarden voor het aannemen van zelfredzaamheid. Er is in geval van eiser niet gebleken van bijzondere elementen van kwetsbaarheid. Het gegeven dat hij alleen reist kan niet worden aangemerkt als bijzonder element van kwetsbaarheid. Ook uit het overleggen van een afsprakenbriefje met een huisarts volgt zonder verdere onderbouwing geen bijzondere kwetsbaarheid. De rechtbank oordeelt verder dat verweerder het bestreden besluit terecht mede heeft gebaseerd op het korte verblijf van eiser in Griekenland, zijn beperkte pogingen om aan werk of huisvesting te komen en zijn verklaringen dat hij geen fiscaal nummer heeft aangevraagd en geen beroep heeft gedaan op de hulporganisaties in Griekenland. Uit de verklaringen van eiser is evenmin gebleken dat hem in Griekenland medisch noodzakelijke hulp is geweigerd. Dat de wachttijden voor niet spoedeisende hulp soms lang kunnen zijn, betekent niet dat hij geen toegang heeft kunnen krijgen tot medische voorzieningen.
8. Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van eiser kan worden verwacht dat hij bij terugkeer naar Griekenland zelfredzaam is. De praktische en bureaucratische hordes die eiser zal moeten nemen om zijn rechten in Griekenland te effectueren zijn naar het oordeel van de rechtbank niet van die aard dat eiser een reëel risico loopt om in een situatie van verregaande materiële deprivatie terecht te komen die een schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest opleveren. Dat sommige (aanvraag)procedures anders zijn ingericht voor Grieken en andere EU-burgers dan voor statushouders, betekent nog niet dat zij anders worden behandeld zoals bedoeld in het arrest Ibrahim.9 Het bestreden besluit is voldoende gemotiveerd.
Conclusie en gevolgen
9. Verweerder heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiser moet terugkeren naar Griekenland.
10. Omdat het beroep ongegrond is krijgt eiser geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 20 oktober 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.