ECLI:NL:RBDHA:2026:31101

Datum uitspraak
22-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
NL23.4578
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Inreisverbod. De minister heeft voldoende doorgevraagd op het familieleven, de zakelijke belangen en de vergunningaanvraag van eiser. Geen andere bijzondere omstandigheden aangevoerd. Het inreisverbod is terecht uitgevaardigd. Beroep ongegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL23.4578

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. S.N. Arikan),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna de minister

(gemachtigde: mr. J.M. Sánchez Rhemrev).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het aan eiser uitgevaardigde inreisverbod voor de duur van twee jaar. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister het inreisverbod terecht aan eiser heeft uitgevaardigd.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht het inreisverbod aan eiser heeft uitgevaardigd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Aan eiser is op 16 januari 2023 een terugkeerbesluit opgelegd en een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaar.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond

3. Eiser heeft de Turkse nationaliteit. Hij is op 4 januari 2023 aangehouden op Schiphol in verband met het aanbieden van een valse Roemeense identiteitskaart toen hij wilde uitreizen naar Turkije. Eiser was in het bezit van een visum afgegeven voor de duur van 30 dagen, geldig tot 17 maart 2019, maar heeft het Schengengebied niet tijdig verlaten. Eiser heeft verklaard dat hij in Nederland was om te werken in de bouw.

Het bestreden besluit

4. De minister heeft aan eiser op 16 januari 2023 een terugkeerbesluit opgelegd zonder vertrektermijn1 en een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaar.

Gronden van beroep

Procesbelang

5. De rechtbank beantwoordt allereerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. Niet in geschil is namelijk dat eiser Nederland inmiddels heeft verlaten. De minister stelt dat eiser Nederland vlak na het opleggen van het terugkeerbesluit heeft verlaten. In het proces-verbaal van bevindingen van de Koninklijke Marechaussee van 17 januari 2023 staat ook dat eiser een vliegticket had aangeschaft om op 17 januari 2023 terug te vliegen naar Istanbul. Echter, eiser heeft in beroep een paspoort overgelegd dat aan hem is verstrekt door het Turkse consulaat in Rotterdam op 4 maart 2024. De rechtbank stelt vast dat in het paspoort een inreisstempel van luchthaven Ankara Esenboga van 4 augustus 2025 staat. Eiser heeft dit verder niet toegelicht. De rechtbank kan daarom niet met zekerheid vaststellen wanneer eiser Nederland heeft verlaten en of het inreisverbod is verlopen. Gelet op deze omstandigheden, neemt de rechtbank aan dat eiser nog belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep.

Inreisverbod

6. Volgens eiser is het inreisverbod op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd. Tijdens het gehoor is niet doorgevraagd naar het familieleven, de zakelijke belangen en de vergunningaanvraag van eiser. De minister heeft evenmin gemotiveerd waarom de door eiser aangevoerde omstandigheden niet zijn aan te merken als bijzondere omstandigheden op basis waarvan van het inreisverbod zou moeten worden afgezien.

6.1.

De rechtbank overweegt dat de minister een inreisverbod uitvaardigt2 tegen een vreemdeling die Nederland onmiddellijk moet verlaten3. De minister kan om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod.4

6.2.

De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit heeft opgenomen dat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd en dat niet is gebleken dat afgezien zou moeten worden van het opleggen van het inreisverbod. De rechtbank stelt ook vast dat uit het proces-verbaal van het gehoor blijkt dat aan eiser is gevraagd of hij ooit een vergunningsaanvraag heeft ingediend, of hij familie- of gezinsleven heeft in Nederland en of er medische omstandigheden spelen. Eiser heeft deze vragen ontkennend beantwoord.5 Ook blijkt uit het proces-verbaal dat er is gevraagd naar de zakelijke belangen van eiser, en dat hier ook nog twee opvolgende vragen over zijn gesteld toen eiser aangaf dat hij nog wat openstaande schulden heeft in Nederland.6 Verder stelt de rechtbank vast dat op de vraag of er nog bijzondere omstandigheden zijn waarom zou moeten worden afgezien van het opleggen van een inreisverbod, eiser heeft geantwoord dat hij eerder naar Nederland zou willen terugkeren als dat mogelijk is, maar dat er verder geen bijzondere redenen zijn om af te zien van het inreisverbod.7

6.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht het inreisverbod uitgevaardigd aan eiser. De minister heeft voldoende doorgevraagd op het familieleven, de zakelijke belangen en de vergunningaanvraag van eiser. Wat betreft de zakelijke belangen heeft de minister op basis van het antwoord van eiser dat hij zijn openstaande schulden misschien ook wel vanuit Turkije kan voldoen8, geen reden hoeven zien om af te zien van het opleggen van het inreisverbod. Verder heeft eiser geen andere bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, rechter, in aanwezigheid van mr.C.L. Vrije, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »