RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.12146 (beroep)
NL26.12147 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum] 2000, van Turkse nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna: eiser,
(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en
de minister van Asiel en Migratie, hierna: de minister,
(gemachtigde: mr. T.J.A.J. Tichelaar).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het kennelijk ongegrond verklaren van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 4 maart 2026 als kennelijk ongegrond afgewezen omdat eiser een kennelijk valse verklaring heeft afgelegd over een veroordeling in Turkije. Ter onderbouwing van deze verklaring heeft eiser een document overgelegd dat volgens de minister met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vervalst is.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt eiser niet uit te zetten totdat op het beroep is beslist.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 6 oktober 2026 op zitting behandeld. Zowel eiser als zijn gemachtigde zijn, met bericht vooraf, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Toepasselijk recht
2. Op 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact in werking getreden. De aanvraag en het bestreden besluit dateren echter van vóór die datum zodat daarop het oude recht van toepassing is.
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in Turkije wordt gediscrimineerd omdat hij Koerdisch is. Verder legt eiser aan zijn aanvraag ten grondslag dat hij activiteiten heeft verricht voor de politieke partij HDP. Hierdoor heeft eiser problemen ondervonden. Eiser stelt op 20 oktober 2022 te zijn opgepakt bij een demonstratie van de HDP door de politie. Eiser is twee keer veroordeeld voor in totaal meer dan acht jaar gevangenisstraf. Ook stelt eiser dat hij problemen ondervindt omdat hij de dienstplicht weigert. Hij heeft hierdoor geldboetes gekregen en hij is bang dat zijn gevangenisstraf wordt verhoogd door de weigering van de dienstplicht.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen (de asielmotieven):
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Activiteiten voor de HDP en de hieruit volgende problemen;
3. Problemen met de dienstplicht.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig.
De activiteiten voor de HDP en de hieruit volgende problemen acht de minister niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met documenten, althans het document dat door eiser is overgelegd acht de minister zeer vermoedelijk vervalst. Eiser heeft voor het ontbreken van objectieve stukken geen goede verklaring gegeven.1 Volgens de minister vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel en kan hij in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd.2 In dit verband heeft de minister eiser tegengeworpen dat hij te algemeen, vaag, wisselend en summier heeft verklaard over zowel de activiteiten die hij voor de HDP heeft verricht, als de problemen die hieruit gevolgd zijn. Ook heeft de minister hem in dit verband tegengeworpen dat hij zich beroept op zeer vermoedelijk vervalste documenten.
De problemen van eiser met de dienstplicht acht de minister ook niet geloofwaardig. Hieraan legt de minister ten grondslag dat eiser geen documenten heeft die zijn standpunt kunnen onderbouwen en dat hij ook geen verklaring heeft voor het ontbreken hiervan.3 Eiser verklaart wisselend, vaag en onsamenhangend over zijn toegang tot Uyap of E-devlet waarin deze gegevens opgevraagd kunnen worden. Verder stelt de minister dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.4
De minister heeft de aanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgewezen. Daarnaast heeft de minister tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd waarin hem wordt opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten. Ook heeft de minister aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Gronden van beroep
5. Eiser voert aan dat de minister het besluit onzorgvuldig heeft genomen. De minister heeft volgens eiser onvoldoende doorgevraagd waardoor niet alle feiten met betrekking tot zijn asielmotieven naar voren zijn gekomen. Verder voert eiser aan dat de minister het door hem overgelegde document (de veroordeling van de Turkse rechtbank) onzorgvuldig en ondeugdelijk gemotiveerd heeft beoordeeld. De minister heeft volgens eiser niet onderzocht hoe eiser aan het document is gekomen en daarnaast heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom uit de bevindingen van Bureau Documenten zou moeten volgen dat het document geen enkele bewijswaarde kent.
Eiser voert verder aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig zou zijn.
Daarnaast stelt eiser dat het non-refoulementbeginsel dat voortvloeit uit artikel 3 van het EVRM5, niet kenbaar is getoetst en dat zijn asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond is afgewezen.
Het besluit is zorgvuldig genomen
Zorgvuldigheid gehoor
6. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser niet heeft toegelicht op welke onderwerpen de minister had moeten doorvragen. Uit de zienswijze of het beroep blijkt niet dat het gehoor niet goed is gelopen of dat eiser zijn verhaal niet of niet volledig heeft kunnen doen. Hieruit blijkt immers niet welke relevante informatie daardoor ten onrechte niet of onvoldoende naar voren is gekomen. De correcties en aanvullingen bevatten ook geen enkele essentiële wijziging die daarop zou kunnen wijzen. Van een onzorgvuldig verlopen gehoor is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.
Het overgelegde document
7. Eiser heeft bij zijn aanvraag een vonnis van een Turkse rechtbank overgelegd, waarmee hij veroordeling(en) in Turkije heeft willen aantonen. De minister heeft dit document laten onderzoeken door Bureau Documenten. Volgens Bureau Documenten is het document met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd opgemaakt en afgegeven. De opmaak en afgifte wijkt af van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. Bureau Documenten heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapportage van 29 april 2025.
Uit vaste rechtspraak volgt dat een door Bureau Documenten opgestelde verklaring van onderzoek een deskundigenadvies is, waarvan een bestuursorgaan in beginsel mag uitgaan.6 De minister heeft middels een vergewissing door Team Onderzoek en Expertise Land en Taal laten beoordelen dat het documentenonderzoek op een juiste manier is uitgevoerd. De minister heeft zich dan ook terecht gebaseerd op het rapport van Bureau Documenten en aangenomen dat het door eiser ingediende stuk met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vervalst is.
Het is dan aan eiser om concrete aanknopingspunten aan te voeren waaruit volgt dat er getwijfeld kan worden aan de juistheid of volledigheid van het advies. Dit heeft eiser niet gedaan en ook heeft hij geen andere stukken overgelegd waaruit blijkt dat niet van het onderzoeksrapport van Bureau Documenten mag worden uitgegaan. Van een onzorgvuldige beoordeling die niet voldoet aan de motiveringseisen, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.
Het asielrelaas van eiser is ongeloofwaardig
8. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) in de zaken Ebilum7 en Quotal8, het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaring zonder enige terughoudendheid mag beoordelen. Het Hof van Justitie heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom alle onderdelen van het besluit over de geloofwaardigheid vol toetsen.
De rechtbank oordeelt dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is. De rechtbank acht in dit kader van belang dat het relaas van eiser op een aantal punten duidelijke tegenstrijdigheden bevat, algemeen, vaag en onsamenhangend is.
Hierbij betrekt de rechtbank allereerst eisers verklaringen over E-devlet. Tijdens het asielgehoor van 27 november 2024 verklaarde eiser eerst dat hij over het originele vonnis van de Turkse rechtbank beschikt. Daarna verklaarde eiser dat hij zelf niet kan inloggen op E-devlet, het systeem waarin dit vonnis staat, maar dat zijn gemachtigde daar wel toegang toe heeft. Op 29 oktober 2024 heeft de gemachtigde van eiser een vonnis overgelegd dat volgens eiser uit E-devlet afkomstig is. De minister heeft echter terecht geoordeeld dat dit document vervalst is. Ook over de geldboetes die eiser zou hebben gekregen omdat hij zijn dienstplicht heeft geweigerd, verklaart eiser niet duidelijk en steeds anders. Hij heeft screenshots van E-devlet overgelegd die de geldboetes zouden aantonen, terwijl hij tegelijkertijd verklaart dat hij zelf geen toegang heeft tot dit systeem. Eiser heeft niet uitgelegd waarom zijn gemachtigde, die volgens hem wel toegang heeft tot E-devlet, geen originele documenten over de geldboetes heeft overgelegd. De rechtbank vindt het niet geloofwaardig dat eiser op deze punten geen duidelijke en consistente verklaringen geeft. Daarbij weegt zwaar mee dat het overgelegde vonnis vervalst is. De tegenstrijdigheden over de toegang tot E-devlet en het gebruik van dit vervalste document roepen ernstige twijfels op over de verklaringen van eiser. Omdat deze onduidelijkheden betrekking hebben op belangrijke onderdelen van zijn asielrelaas, twijfelt de rechtbank aan de geloofwaardigheid van het relaas als geheel.
Verder betrekt de rechtbank bij de beoordeling van de geloofwaardigheid dat eiser in zijn asielgehoor vaag en wisselend verklaart over zijn activiteiten voor de HDP. De verklaringen van eiser over de brochure van de HDP die hij zou hebben uitgedeeld zijn vaag en onsamenhangend. Als er tijdens het gehoor aan eiser wordt gevraagd waarom de brochure werd uitgedeeld, verklaart eiser eerst dat de brochure over de verkiezingen ging. Als er op dit punt wordt doorgevraagd zegt eiser dat het niet over de verkiezingen, maar over de Newroz-viering ging. Eiser verklaart verder eerst dat de kernwaarden van de HDP op de brochure stonden en dat erin stond waarom er op deze partij moest worden gestemd. Als er vervolgens naar de kernwaarden van de HDP wordt gevraagd, zegt eiser dat er in plaats van de kernwaarden toch een foto van Selahattin Demirtaş op de brochure stond en enkele leuzen van de partij. Ook op dit onderdeel zijn eisers verklaringen dus tegenstrijdig, onsamenhangend en ongeloofwaardig.
De rechtbank is reeds op grond van het voorgaande van oordeel dat het relaas van eiser dusdanig vaag is en tegenstrijdigheden bevat, dat het niet geloofwaardig is. Dat betekent dat ook niet is gebleken dat eiser bij terugkeer naar Turkije een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag als kennelijk ongegrond heeft mogen afwijzen
9. Eiser stelt dat de minister zijn aanvraag niet als kennelijk ongegrond had mogen afdoen gelet op de complexiteit van de zaak. Het begrip “kennelijk” impliceert volgens eiser dat reeds op het eerste gezicht, zonder diepgaande beoordeling van de feiten, duidelijk moet zijn dat de aanvraag geen enkele kans van slagen heeft. Dit zou niet alleen volgen uit de systematiek van artikel 30b van de Vw 2000, maar ook uit de onderliggende Europese regelgeving.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat de minister de aanvraag van eiser als kennelijk ongegrond mocht afwijzen op grond van artikel 30b, eerste lid, onder e, van de Vw 2000. Daarbij gaat het erom dat eiser een kennelijk valse verklaring heeft afgelegd om de autoriteiten op het verkeerde been te zetten en zo een verblijfsvergunning te krijgen. Nu de minister, zoals hiervoor is overwogen, de gestelde veroordeling door de rechtbank in Turkije terecht ongeloofwaardig heeft geacht en eiser zijn verklaring met een vervalst document heeft onderbouwd, staat de valsheid van die verklaring vast. Daarom heeft de minister de asielaanvraag als kennelijk ongegrond kunnen afwijzen.
Conclusie en gevolgen
10. De beroepsgronden slagen niet. De minister heeft de aanvraag van eiser kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. Het beroep is dus ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.
Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.12146:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak onder geregistreerd onder nummer NL26.12147:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Jansen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.