RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.56804
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , van Comorese nationaliteit, verzoeker
(gemachtigde: mr. H. Loth),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. I.E. Lemmers).
Inleiding
1. Verzoeker heeft op 24 augustus 2026 augustus een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 17 september 2026 niet-ontvankelijk verklaard.
2. Verzoeker heeft op 24 september 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
3. Op 9 oktober 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht de voorgenomen uitzetting op 14 oktober 2026 te verbieden. De minister heeft op 11 oktober 2026 een verweerschrift ingediend, met een aanvulling op 12 oktober 2026. Verzoeker heeft op diezelfde datum een nadere reactie ingediend.
Overwegingen
4. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
5. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan de voorzieningenrechter, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
6. Verzoeker heeft eerder op 29 april 2026 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel ingediend. Deze is bij besluit van 13 mei 2026 afgewezen. Het beroep tegen die afwijzing is op 27 juli 2026 ongegrond verklaard.1 Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 24 augustus 2026 het hoger beroep ongegrond verklaard2. Op diezelfde datum heeft verzoeker een nieuwe asielaanvraag ingediend.
7. Op 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact in werking getreden, waaronder de Procedureverordening. Omdat deze nieuwe aanvraag na 12 juni 2026 is ingediend, is het nieuwe recht op die aanvraag van toepassing.
8. Verzoeker heeft aan deze tweede asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij twee nieuwe documenten heeft om zijn asielrelaas te onderbouwen. Het gaat om een kopie van een nieuwe versie van het arrestatiebevel dat hij eerder had overgelegd en om een kopie van een lidmaatschapsbewijs van de partij [naam] .
9. De minister heeft de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard omdat de nieuwe informatie niet belangrijk genoeg is om anders te oordelen dan in het besluit op de eerdere asielaanvraag. De voorzieningenrechter begrijpt dat de minister hiermee bedoelt dat geen sprake is van nieuwe relevante elementen als bedoeld in artikel 38, tweede lid, en artikel 55, zevende lid, van de Procedureverordening. Volgens de minister is het niet alleen een probleem dat de documenten slechts in kopie zijn overgelegd, maar ook dat de inhoud van die documenten niet steeds overeenkomt met verzoekers eerdere verklaringen. Ook had verzoeker de documenten volgens de minister eerder kunnen en moeten overleggen, omdat hij deze al vanaf 21 juli 2026 in zijn bezit had.
10. Verzoeker voert in beroep en in het verzoek om een voorlopige voorziening aan dat hij in het Frans is gehoord, terwijl hij die taal slechts gebrekkig beheerst. Ook voert hij aan dat de minister te weinig waarde heeft toegekend aan de overgelegde documenten en deze niet in samenhang met elkaar en met zijn relaas heeft beoordeeld.
11. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
Vast staat dat Frans niet de moedertaal van verzoeker is. Zowel in de vorige procedure als in deze procedure is verzoeker echter wel in het Frans gehoord, omdat in Nederland geen tolk in de taal Comorees beschikbaar is. Dat kan een goede reden zijn om in een andere taal dan de moedertaal te horen, maar in dat geval moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel extra zorgvuldig naar het gehoor en de verklaringen van verzoeker worden gekeken. In de vorige procedure heeft de rechtbank geoordeeld dat uit het verslag van het gehoor en ook uit de zitting voldoende duidelijk is geworden dat verzoeker in het Frans kon worden gehoord.3 In de nu voorliggende procedure heeft echter geen zitting plaatsgevonden. Uit het verslag van het gehoor blijkt wel dat verzoeker regelmatig om uitleg vraagt of dat de hoormedewerker en de tolk een vraag opnieuw moeten stellen. De voorzieningenrechter kan dan ook niet zonder meer aannemen dat verzoeker in deze procedure de nieuwe documenten in het Frans voldoende heeft kunnen toelichten.
Daar komt bij dat de minister tegenwerpt dat de opmaak van het in de vorige asielprocedure overgelegde aanhoudingsbevel verschilt van het aanhoudingsbevel dat in de huidige asielprocedure is overgelegd. De voorzieningenrechter stelt dit zelf ook vast. Uit het verslag van het gehoor blijkt dat verzoeker daarover is bevraagd. Hij heeft toen verklaard dat het eerste document een voorlopig aanhoudingsbevel was en dat het nieuwe document een nieuw aanhoudingsbevel is, waarop de datum staat waarop hij voor de rechtbank moest verschijnen.4 Uit het verslag blijkt echter ook dat de tolk zich afvraagt of verzoeker het woord voorlopig wel goed heeft begrepen.5 Het is dus maar de vraag of verzoeker in het Frans voldoende heeft kunnen uitleggen hoe beide documenten zich tot elkaar verhouden en hoe het kan dat de opmaak zo verschilt.
Verder is in het gehoor onduidelijkheid blijven bestaan over de vraag of en wanneer verzoeker de originele documenten heeft ontvangen. De minister leidt uit de kopie van het verzendbewijs af dat verzoeker de originele documenten al op 21 juli 2026 heeft ontvangen, en dus niet eerder (in de vorige procedure) heeft overgelegd. Verzoeker heeft echter verklaard dat de documenten op die datum, dan wel op 13 juli 2026, zijn verstuurd. Verzoekers verklaringen zijn dus ook op dit punt onduidelijk. De voorzieningenrechter kan uit het verzendbewijs niet afleiden wat juist is.
Gelet op de korte tijd tot de geplande uitzetting van verzoeker, die op 14 oktober 2026 gepland staat, heeft de voorzieningenrechter de geluidsopname van het gehoor niet zorgvuldig kunnen beluisteren. De voorzieningenrechter kan dan ook niet vaststellen of het gehoor in het Frans zorgvuldig is geweest.
Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter geen voorlopig oordeel kan geven over de kans van slagen van het beroep. Dat betekent dat de voorzieningenrechter een belangenafweging moet maken. Die belangenafweging valt in dit geval in het voordeel van verzoeker uit. Hij wordt immers op korte termijn met uitzetting naar zijn land van herkomst bedreigd, terwijl hij stelt dat hij daar zal worden blootgesteld aan een refoulementrisico. Hij heeft er ook belang bij dat het gestelde risico in beroep zorgvuldig wordt onderzocht, waarvoor nu geen tijd is. Daartegenover staat het belang van de minister bij een snelle uitzetting. Dit belang acht de voorzieningenrechter minder zwaarwegend dan het belang van verzoeker. Daarbij speelt ook mee dat een eerdere vlucht op 2 september 2026 volgens het bestreden besluit ook al ‘vanwege praktische redenen’ is geannuleerd.
12. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat de uitzetting achterwege moet blijven totdat op het beroep is beslist.
13. Omdat het verzoek wordt toegewezen, veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de proceskosten die verzoeker heeft gemaakt. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende bijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
-
wijst het verzoek toe;
-
treft de voorlopige voorziening dat verzoeker niet mag worden uitgezet naar de Comoren totdat is beslist op het beroep tegen het bestreden besluit van 17 september 2026;
-
veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. El Ouahabi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.