ECLI:NL:RBNNE:2026:4452

Datum uitspraak
12-10-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Zaaknummer
LEE 26/3265
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijk. Geen kopie toegestuurd van het gehele besluit waar verzoeker het niet mee eens is, evenmin een stuk waaruit van dit besluit blijkt. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Met kennelijk wordt in dit verband bedoeld dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 26/3265

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 oktober 2026 in de zaak tussen

[naam uit plaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Assen, verweerder sub 1

Veilig Thuis Drenthe, verweerder sub 2

Leger des Heils Groningen/Drenthe, verweerder sub 3

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker dat is ingediend op 28 september 2026. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Met kennelijk wordt in dit verband bedoeld dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft overleggen.1 Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.

2.1.

Verzoeker heeft een verzoekschrift ingediend. Een kopie van een besluit waar hij het niet mee eens is ontbreekt. Evenmin heeft hij een stuk overgelegd waaruit blijkt van het bestaan van en dergelijk besluit.

2.2.

De griffier heeft op 29 september 2026 om 16:44 een e-mailbericht gestuurd aan het adres [mailadres] . Met dat e-mailbericht is een brief meegestuurd. Die brief is gedateerd 29 september 2026. Daarin is verzoeker verzocht om uiterlijk vrijdag 2 oktober 2026 om 13:00 alsnog een kopie toe te sturen van het gehele besluit waar hij het niet mee eens is, of een stuk waaruit van dit besluit blijkt.

2.3.

Verzoeker heeft niet gereageerd binnen de gestelde termijn.

2.4.

Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Van een verontschuldiging voor dit verzuim is niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »