ECLI:NL:RBDHA:2026:30094

Datum uitspraak
12-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
NL26.44036
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vovo hangende bezwaar toegewezen. Bezwaar redelijke kans van slagen, nu minister inmiddels aanneemt dat sprake is van samenwonen en dat een nieuw feit is. Onvoldoende gemotiveerd waarom nieuwe stukken onvoldoende zijn voor aannemen duurzame relatie.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.44036

V-nummer: [V nummer]

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

(gemachtigde: mr. F. Kilic-Arslan),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. T.J.A.J. Tichelaar).

Samenvatting

De voorzieningenrechter beslist in deze uitspraak dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort tot vier weken nadat de minister op het bezwaar heeft beslist. Dat betekent dat verzoeker Nederland in die periode niet kan worden uitgezet.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • treft de voorlopige voorziening dat verzoeker niet mag worden uitgezet tot vier weken nadat de minister op het bezwaar heeft beslist;

  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;

  • veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.868,-.

Procesverloop

1.1.

Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1983 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit.

1.2.

Verzoeker heeft eerder op 28 september 2023 een aanvraag ingediend tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER, voor verblijf bij zijn gestelde partner, mevrouw [referente] (referente). Zij is in het bezit van zowel de Belgische als de Hongaarse nationaliteit. Met het besluit van 21 mei 2024 heeft de minister deze aanvraag afgewezen, omdat verzoeker en referente niet hebben onderbouwd dat zij een duurzame relatie hebben en al meer dan zes maanden samenwonen. De minister heeft het bezwaar tegen dat besluit op 8 oktober 2024 ongegrond verklaard. Het beroep tegen dat besluit is vervolgens door de rechtbank met een uitspraak van 19 maart 2025 ongegrond verklaard.1 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de uitspraak van de rechtbank met een uitspraak van 23 april 2025 bevestigd.

1.3.

Verzoeker heeft op 28 maart 2025 opnieuw een aanvraag ingediend tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER, voor verblijf bij referente.

1.4.

Met het besluit van 21 juli 2026 heeft de minister deze aanvraag afgewezen. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een herhaalde aanvraag en dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bovendien heeft verzoeker het aanvraagformulier niet ondertekend.

1.5.

Verzoeker is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij heeft daarom bezwaar ingediend. Omdat verzoeker de beslissing op bezwaar niet in Nederland mag afwachten, heeft hij ook de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die strekt tot opschorting van de rechtsgevolgen van het besluit tot vier weken na de beslissing op de bezwaar.

1.6.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben verzoeker, referente, de gemachtigde van verzoeker, H. Abdullah als tolk in de Engelse taal en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.1.

De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.

2.2.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker bij zijn aanvraag van 28 maart 2025 en in de periode daarna een aantal nieuwe stukken heeft overgelegd. Het gaat dan om screenshots van Whatsappgesprekken, een verklaring van de (gestelde) zoon van referente van 23 maart 2025, bankafschriften van de gezamenlijke rekening over de periode van mei 2025 tot februari 2026 en een uittreksel uit de BRP2, waaruit volgt dat verzoeker sinds 24 december 2024 staat ingeschreven op het adres van referente. In het besluit heeft de minister kort gezegd gesteld dat deze stukken geen rechtens relevant novum zijn, omdat deze stukken nog niet aantonen dat verzoeker en referente voor de duur van zes maanden samenwonen en een duurzame relatie hebben. De voorzieningenrechter vraagt zich af of deze motivering van de minister zal standhouden in de beslissing op bezwaar. Op de zitting heeft de minister namelijk aangegeven dat hij inmiddels ook aanneemt dat verzoeker en referente samenwonen. Dat blijkt in deze procedure inmiddels ook uit het uittreksel van de BRP. In zoverre is dus sprake van een nieuw feit. Verzoeker heeft verder een aantal nieuwe stukken overgelegd om te onderbouwen dat hij niet alleen samenwoont maar ook daadwerkelijk een relatie heeft met referente. Het gaat dan om de Whatsappgesprekken en de verklaring van de zoon van referente. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom deze stukken niet voldoende zijn voor het aannemen van een duurzame relatie. De voorzieningenrechter is hierdoor in ieder geval van oordeel dat het bezwaar redelijke kans van slagen heeft.

2.3.

Op de zitting heeft de voorzieningenrechter aangegeven dat het in deze zaak, gelet op de overgelegde nieuwe stukken, voor de hand ligt dat de minister verzoeker (en referente) hoort in de bezwaarfase. De voorzieningenrechter heeft ook benadrukt dat het aan verzoeker is om in de bezwaarfase zo snel mogelijk nog zo veel mogelijk stukken over te leggen die kunnen onderbouwen dat tussen hem en referente sprake is van een duurzame relatie. Bovendien is het aan verzoeker om zo snel mogelijk een ondertekende aanvraag in te dienen.

Conclusie en gevolgen

3.1.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en treft de voorlopige voorziening dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort tot vier weken nadat de minister op het bezwaar heeft beslist.

3.2.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de minister het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Ook krijgt verzoeker een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar door mr. H.J. Schaberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.G.A. Karregat, griffier.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »