ECLI:NL:RBDHA:2026:30066

Datum uitspraak
09-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
NL24.49179 en NL24.49181
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Artikel 20 VWEU. Het daadwerkelijk genot van de rechten die artikel 20 van het VWEU biedt, moet worden gewaarborgd en procedurele regels die afbreuk doen aan het nuttig effect van deze bepaling zijn niet toegestaan. Daarom oordeelt de rechtbank dat de afhankelijkheidsverhouding ex nunc moet worden getoetst. De omstandigheden ten tijde van de bob wezen niet direct op een afhankelijkheidsverhouding. Maar die situatie is gewijzigd. Beroep gegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL24.49179 (beroep)

NL24.49181 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer en de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiser], geboren op [geboortedag 1] 1970, van Marokkaanse nationaliteit,

alias: [alias], geboren op [geboortedag 1] 1968, van Algerijnse nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna te noemen: eiser

(gemachtigde: mr. R. Achttienribbe),

en

de minister van Asiel en Migratie, hierna te noemen: de minister

(gemachtigde: mr. A.D. Roëll).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de rechtbank/ voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) de afwijzing van de aanvraag.

1.1

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag niet in stand kan blijven. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de rechtbank uitspraak doet op het beroep, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

1.2

Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij schetst de rechtbank eerst de feiten en omstandigheden die relevant zijn in deze zaak. De rechtbank gaat vervolgens in op de vraag of de minister het bezwaar al dan niet gegrond had moeten verklaren omdat zij de aanvraag in het bestreden besluit alsnog inhoudelijk heeft getoetst, of in deze zaak ex tunc of ex nunc moet worden getoetst en tot slot of tussen eiser en zijn zoon [naam 1] (hierna: [naam 1]) sprake is van een afhankelijkheidsverhouding zoals bedoeld in artikel 20 VWEU1. Aan het eind staat de conclusie van de rechtbank, de gevolgen daarvan en de beslissing.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 14 februari 2020 een opvolgende aanvraag ingediend om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 12 augustus 2020 (hierna: het primaire besluit) afgewezen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

2.1

Met het besluit van 9 december 2024 (hierna: het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en ook verzocht om een voorlopige voorziening. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft nadere stukken ingediend.

2.3

De rechtbank heeft [naam 1] voorafgaand aan de zitting, namelijk op 7 mei 2026 uitgenodigd voor een kindgesprek. [naam 1] is niet verschenen.

2.4.

De rechtbank heeft de zaken vervolgens op de zitting van de meervoudige kamer van 11 mei 2026 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van het griffierecht

3. Eiser heeft verzocht om hem vrij te stellen van de verplichting om griffierecht te betalen vanwege betalingsonmacht. Eiser heeft dit verzoek voldoende onderbouwd. De rechtbank wijst het verzoek om vrijstelling van het griffierecht toe.

Ten aanzien van het beroep

Achtergrond

4. Eiser is de biologische vader van [naam 1], geboren op [geboortedag 2] 2011 en met de Nederlandse nationaliteit. De juridische vader van [naam 1] is [naam 2], de latere echtgenoot van [naam 1]’s moeder. Eiser heeft van 2012 tot 2014 samengewoond met [naam 1] en de moeder van [naam 1]. In 2014 is de relatie tussen eiser en de moeder geëindigd. Daardoor heeft eiser een periode weinig tot geen contact gehad met zijn zoon. [naam 1] bleef bij zijn moeder wonen. In 2015 trouwde zij met [naam 2], die [naam 1] vervolgens heeft erkend en daarmee zijn juridisch vader werd. In 2017 heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld en is de omgang tussen eiser en [naam 1] weer op gang gekomen. Eiser zag [naam 1] één uur per week onder begeleiding. Op 5 juni 2024 heeft de rechtbank bepaald dat de omgang niet langer in het belang van [naam 1] was en is de omgangsregeling beëindigd2. In de loop van 2025 is het contact hersteld en sindsdien heeft eiser weer omgang, zonder een formele omgangsregeling. Op 14 november 2025 heeft eiser een verzoek ingediend tot het treffen van een nieuwe omgangsregeling. De moeder van [naam 1] verzet zich hiertegen.

4.1

[naam 1] is in de zomer van 2025 tijdelijk uit huis geplaatst. Op 8 december 2025 heeft de Raad voor de Kinderbescherming wederom verzocht om uithuisplaatsing en ondertoezichtstelling. Dat verzoek is ingewilligd3. De Raad wijst in het verzoek op een al jaren durende onveilige situatie thuis bij moeder met onder meer huiselijk geweld en bedreigingen. In april 2026 heeft eiser de rechtbank verzocht om de erkenning van [naam 1] door [naam 2] te vernietigen. Op dat verzoek was op het moment van sluiting van het onderzoek ter zitting nog niet beslist.

4.2

Eiser wil verblijf bij zijn zoon. Daarom heeft eiser op 14 februari 2020 een (herhaalde) aanvraag ingediend om een verblijfsdocument EU/EER. Bij zijn aanvraag heeft hij een beroep gedaan op artikel 20 VWEU en op het arrest Chavez-Vilchez4 van het Hof van Justitie5. Volgens eiser komt hij in aanmerking voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU, omdat tussen hem en zijn zoon sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding, dat zijn zoon gedwongen wordt om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd.

4.3

Eiser heeft al eerder een gelijksoortige aanvraag gedaan, namelijk op 28 februari 2018. Deze aanvraag is toen met het besluit van 12 december 2018 afgewezen en de afwijzing is gehandhaafd met de beslissing op bezwaar van 28 mei 2019. Het door eiser ingestelde beroep6 en hoger beroep7 is vervolgens ongegrond verklaard.

Juridisch kader

5. Om te kunnen vaststellen of een vreemdeling aan artikel 20 van het VWEU een verblijfsrecht kan ontlenen, is het volgende van belang. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat er zeer bijzondere situaties bestaan waarin aan een onderdaan van een derde land die familielid is van een burger van de Unie, een verblijfsrecht moet worden toegekend, omdat anders aan het Unieburgerschap de nuttige werking zou worden ontnomen indien, als gevolg van de weigering om een dergelijk recht te verlenen, deze burger feitelijk verplicht is het grondgebied van de gehele Unie te verlaten en hem zo het effectieve genot van de essentie van de aan die status ontleende rechten zou worden ontzegd.8 Eén zo'n zeer bijzondere situatie is de situatie dat tussen een familielid dat derdelander is en het desbetreffende kind dat Unieburger is een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding bestaat.9 Als verzorgende ouder van een Nederlands minderjarig kind kan een vreemdeling dus rechtmatig verblijf hebben in Nederland10. In het beleid11 staat uitgewerkt aan welke voorwaarden moet zijn voldaan voor toekenning van deze vergunning. Ten tijde van het bestreden besluit waren in het toepasselijke beleid een aantal voorwaarden benoemd, onder meer dat de vreemdeling al dan niet gezamenlijk met de andere ouder daadwerkelijke zorgtaken verricht ten behoeve van het minderjarige kind en dat er tussen de vreemdeling en het kind een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd.

5.1

In de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 202512 is geoordeeld over de vraag of de bovengenoemde vereisten uit het beleid cumulatief zijn. De Afdeling komt tot de conclusie dat deze voorwaarden niet cumulatief zijn en dat het uitgangspunt dat voor het verkrijgen van een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU naast het bestaan van een afhankelijkheidsverhouding ook moet zijn voldaan aan het vereiste dat de vreemdeling meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken verricht, onjuist is. Hierop is het beleid aangepast in die zin dat als voorwaarde wordt benoemd dat er sprake moet zijn van een zodanige afhankelijkheid tussen de derdelander en het Nederlandse minderjarige kind dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de derdelander ouder een verblijfsrecht wordt geweigerd.

Het horen van [naam 1]

6. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat de rechtbank [naam 1] nogmaals zou moeten uitnodigen om te worden gehoord in beroep. Volgens de gemachtigde van eiser ontving hij de uitnodiging kort voor het gehoor en was het wat veel voor hem om te verschijnen. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan dit verzoek te voldoen. De uitnodiging van de rechtbank heeft hem bereikt, zo blijkt uit de verklaringen van de gemachtigde van eiser ter zitting. [naam 1] heeft de rechtbank ook niet laten weten om welke reden hij niet is ingegaan op de uitnodiging van de rechtbank en of hij op een ander moment wel gehoord zou willen worden. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen reden om hem nogmaals uit te nodigen.

7. De minister heeft de aanvraag van eiser aangemerkt als herhaalde aanvraag en heeft deze in het primaire besluit met toepassing van artikel 4:6 van de Awb en onder verwijzing naar de eerdere afwijzende beschikking afgedaan wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. In het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard, maar is hij wel inhoudelijk ingegaan op eisers beroep op artikel 20 van het VWEU.

7.1

Eiser heeft in beroep allereerst aangevoerd dat nu de minister inhoudelijk is ingegaan op zijn beroep op artikel 20 VWEU en de tegenwerping van artikel 4:6 van de Awb niet langer handhaaft, hij alleen al hierom het bezwaar gegrond had moeten verklaren.

7.2

Deze beroepsgrond slaagt. De minister heeft erkend dat hetgeen in bezwaar is aangevoerd, heeft geleid tot een inhoudelijke beoordeling van eisers aanvraag. De minister is dus teruggekomen van de eerdere tegenwerping van artikel 4:6 van de Awb. In zoverre had het bezwaar dan ook gegrond moeten worden verklaard. Het beroep slaagt om die reden al. Omdat de minister zoals gezegd uiteindelijk een inhoudelijke beslissing heeft genomen op de aanvraag van eiser en eiser hier ook beroepsgronden tegen heeft aangevoerd, zal de rechtbank in de volgende overwegingen ook daarover oordelen.

Het toetsingsmoment

8. Om in deze zaak te kunnen vaststellen of eiser een afgeleid verblijfsrecht toekomt op grond van artikel 20 van het VWEU, moet de rechtbank eerst de vraag beantwoorden of in dit geval ex nunc of ex tunc moet worden getoetst. De minister heeft betoogd dat ex tunc moet worden getoetst en de feiten en omstandigheden van na het bestreden besluit buiten beschouwing moeten blijven. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat ex nunc naar de zaak moet worden gekeken.

8.1

Uitgangspunt in het bestuursrecht is dat de rechter besluiten ex tunc toetst, dat wil zeggen met inachtneming van de feiten en omstandigheden zoals die waren op het moment van het nemen van het besluit. De bestuursrechter houdt in beginsel geen rekening met feiten en omstandigheden van na het bestreden besluit. Er zijn uitzonderingen op dit uitgangspunt. Soms beoordeelt de bestuursrechter besluiten ex nunc en houdt zij ook rekening met feiten en omstandigheden die na het bestreden besluit zijn opgekomen. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de vraag of iemand nog belang heeft bij een procedure. Dat beoordeelt de rechtbank ex nunc. Een ander voorbeeld is het asielrecht. Daar is de ex nunc toetsing neergelegd in de wet.14 In het reguliere vreemdelingenrecht geldt echter wel het uitgangspunt dat de rechter ex tunc toetst.

8.2

Naar het oordeel van de rechtbank vormt de toetsing aan artikel 20 van het VWEU echter een uitzondering op deze regel gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie. Het verblijfsrecht dat een vreemdeling kan ontlenen aan artikel 20 VWEU vloeit volgens het Hof van Justitie rechtstreeks voort uit dat artikel en is niet afhankelijk van een vaststelling van dat verblijfsrecht door de minister. Het verblijfsrecht komt de vreemdeling toe vanaf het moment dat de afhankelijkheidsverhouding ontstaat en duurt voort zolang die afhankelijkheidsverhouding voortduurt.15 Het daadwerkelijk genot van de rechten die artikel 20 van het VWEU biedt, moet worden gewaarborgd en procedurele regels die afbreuk doen aan het nuttig effect van deze bepaling zijn niet toegestaan. 16 Dit verhoudt zich niet met een ex tunc toetsing door de rechter. In een recent arrest heeft het Hof van Justitie expliciet geoordeeld dat de nationale rechter die over een dergelijke zaak oordeelt, ook de feiten en omstandigheden moet betrekken van na het bestreden besluit.17 Concluderend is de rechtbank dan ook van oordeel dat de afhankelijkheidsverhouding in het kader van artikel 20 van het VWEU ex nunc getoetst moet worden.

De afhankelijkheidsverhouding

9. Tussen partijen is in geschil of er tussen eiser en [naam 1] sprake is van een afhankelijkheidsverhouding zoals bedoeld in het Chavez-Vilchez arrest, dat tot verblijfsaanvaarding moet leiden.

9.1

De rechtbank stelt vast dat de feiten en omstandigheden zoals deze ten tijde van het bestreden besluit bekend waren, niet direct wezen op een afhankelijkheidsverhouding zoals hierboven bedoeld. Sindsdien is er echter het nodige gebeurd. [naam 1] is uit huis geplaatst en onder toezicht gesteld vanwege de situatie bij moeder, die langdurig emotioneel verminderd beschikbaar is voor [naam 1]. De rol van eiser en het belang van zijn relatie met [naam 1] lijkt juist te zijn toegenomen. Eiser heeft de laatste tijd veel contact met [naam 1] en is een belangrijke factor in zijn leven. Hij heeft dit onderbouwd met veel verschillende stukken. Niet alleen ziet hij [naam 1] veel vaker dan in de jaren ervoor, ook heeft eiser dagelijks telefoon18- en Whatsappgesprekken19 met hem en met zijn begeleiders. Eiser vraagt daarin bijvoorbeeld hoe het met [naam 1] gaat, hoe het op school gaat, of hij heeft gegeten, bespreekt de bedtijd van [naam 1] en maakt afspraken om hem te ontmoeten. Uit de gesprekken met de begeleiding van [naam 1] volgt onder andere dat eiser op 31 januari 2026 door de begeleiding van [naam 1] wordt uitgenodigd voor zijn verjaardag, dat eiser aangeeft dat hij graag komt en daarnaast dat eiser afspraken maakt om bij [naam 1] langs te komen. Ook volgt uit de berichten met de begeleiding dat eiser zich druk maakt om softdrugs gebruik door [naam 1], waarop de begeleiding aangeeft deze zorgen te delen. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee sprake van zodanige aanwijzingen dat er inmiddels mogelijk wel sprake is van een afhankelijkheidsverhouding, dat de minister hier nader onderzoek naar moet doen. Ook om deze reden komt het besluit voor vernietiging in aanmerking.

Conclusie en gevolgen

Ten aanzien van het beroep

10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

10.1

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken. De minister zal nader onderzoek moeten doen naar de afhankelijkheidsverhouding tussen eiser en [naam 1]. Daarbij zal de minister in ieder geval [naam 1] in de gelegenheid moeten stellen om gehoord te worden in het licht van artikel 12 van het IVRK.20 Ook zal de minister alle stukken van na het bestreden besluit bij de nieuw te maken beoordeling moeten betrekken.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

11. De gevraagde voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In dit geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, omdat heden op het beroep is beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802, - omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak met zaaknummer NL24.49179:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het bestreden besluit;

  • draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.

De voorzieningenrechter, in de zaak met zaaknummer NL24.49181:

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken:

- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802, - aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter, en mr. N. Boonstra en mr. C.A.R. Bleijendaal, leden, in aanwezigheid van L. Fernandez Ferreiro, griffier.

.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »