ECLI:NL:RBDHA:2026:30026

Datum uitspraak
11-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/09/710110 / JE RK 26-1366
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/09/710110 / JE RK 26-1366

Datum uitspraak: 11 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

Stichting Jeugdbescherming West Gouda, gevestigd te Gouda,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige 1].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats],

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats],

advocaat: mr. I.P. van Rossen uit Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 juli 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de moeder;

  • de advocaat van de vader;

- [naam] namens de gecertificeerde instelling.

De advocaat van de vader heeft tijdens de zitting een pleitnota overgelegd.

De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] is hier niet op ingegaan.

2 De feiten

2.1.

[minderjarige 1] is erkend door de vader.

2.2.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1].

2.3.

[minderjarige 1] woont bij haar moeder.

2.4.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 maart 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd tot 14 september 2026.

3 Het verzoek

3.1.

De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De gecertificeerde instelling motiveert het verzoek als volgt. In het afgelopen jaar is behandeling van [zorginstantie] ingezet voor het gezin. Het is positief dat de moeder, ondanks dat zij zich niet herkent in de meldingen van fysiek geweld in de thuissituatie, hieraan heeft meegewerkt. Zij stond open voor het advies van de hulpverlening. De vader is voor het grootste deel -afgezien van de telefonische zorgen die hij heeft geuit over de situatie bij de moeder- door de behandelaren niet betrokken geweest. Wel is geprobeerd om hem te betrekken bij de traumatherapie van [minderjarige 1] van [zorginstantie]. Dit is echter onvoldoende tot stand gekomen en het is niet gelukt afspraken met de vader te maken. Ook met [minderjarige 1] zelf verliep het contact tijdens de behandeling moeizaam. Zij heeft weinig vertrouwen in de hulpverleners, is niet gemotiveerd om met hen in gesprek te gaan en het lukt niet om de thuissituatie met haar te bespreken. Ondanks de inzet van [zorginstantie], blijft het patroon van ruzie tussen de moeder en [minderjarige 1] bestaan en hebben er incidenten plaatsgevonden. De moeder en [minderjarige 1] blijven elkaar bij oplopende spanningen afwijzen. Het is positief dat de moeder aan het einde van de behandeling van [zorginstantie] een beter inzicht hierin heeft gekregen, maar voor haar blijft het moeilijk om in situaties waarin de spanning oploopt zich te verplaatsen in [minderjarige 1], en haar zusje [minderjarige 2]. Verder wordt er ook gezien dat het loyaliteitsconflict en het gebrek aan afstemming tussen de ouders ervoor zorgt dat de situatie onvoldoende is verbeterd. [zorginstantie] heeft na de behandeling geadviseerd om individuele ondersteuning voor zowel de moeder als voor [minderjarige 1] in te zetten. Het is volgens [zorginstantie] noodzakelijk dat de ouders met elkaar op een passende manier communiceren en heldere kaders voor [minderjarige 1] aangeven, om zo de loyaliteitsproblematiek te verminderen. Hiernaast dient, in het geval dat de escalaties tussen de moeder en [minderjarige 1] niet verminderen, een tijdelijke neutrale plek voor [minderjarige 1] te worden overwogen, zo meent [zorginstantie]. Op die manier kan volgens de behandelaren verdere beschadiging van de band tussen de moeder en [minderjarige 1] worden voorkomen, heeft de moeder de ruimte om aan zichzelf te werken en kan vanuit deze situatie gewerkt worden aan het herstellen van hun band. De gecertificeerde instelling is van mening dat in de komende tijd uitvoering gegeven moet worden aan het advies van [zorginstantie]. Er zal gezocht worden naar een coach/hulpverlener voor [minderjarige 1] en de moeder zal zichzelf via de huisarts aan moeten melden voor individuele hulp. Ook zal opnieuw onderzocht worden wat er mogelijk is op het gebied van communicatie tussen de ouders en zullen duidelijke afspraken over [minderjarige 1] (en haar zusje) moeten worden gemaakt. Van beide ouders zal dit veel vragen. Dit is echter wel noodzakelijk voor [minderjarige 1] (en haar zusje). Hoewel de gecertificeerde instelling in de afgelopen tijd meermaals heeft afgewogen of de ondertoezichtstelling nog van meerwaarde zou zijn en tijdens de laatste zitting de ondertoezichtstelling voor een kortere duur werd toegewezen, om zo een borgingsplan op te stellen, is een verlenging van de ondertoezichtstelling toch nog wel noodzakelijk. Er zijn nog zorgen over de thuissituatie en de nodige hulp die door [zorginstantie] geadviseerd is, moet nog worden ingezet. Ook zal worden ingezet op de schoolgang van [minderjarige 1], dit is namelijk een punt van aandacht.

4 De standpunten

4.1.

Namens de vader is geconformeerd met het verzochte. Er zijn nog zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1]. Zo maakt de vader zich zorgen over haar schoolgang en moet de hulpverlening nog opstarten. Ondanks dat de vader zich conformeert aan het verzoek, wordt in de stukken door de gecertificeerde instelling een onvolledig beeld weergegeven over het wegloopgedrag van [minderjarige 1]. Ook klopt het niet dat de vader niet heeft meegewerkt aan de behandeling van [zorginstantie]. Tijdens de intake van de vader is namelijk aangegeven dat zijn betrokkenheid niet nodig was. Hierna is door [zorginstantie] geen contact meer met hem opgenomen, ook niet in het kader van de traumatherapie van [minderjarige 1]. Het is te prematuur om de ondertoezichtstelling af te sluiten. Dit wordt niet alleen door de gecertificeerde instelling beaamt, maar ook door de hulpverlening. Het is nodig dat in het gedwongen kader schriftelijke afspraken worden gemaakt over de escalaties in de thuissituatie bij de moeder en over de zorgregeling. Verder zal de vader zich de komende periode actiever inzetten voor de hulpverlening. Mocht uiteindelijk blijken dat de ondertoezichtstelling eerder dan na één jaar afgerond kan worden, dan kan de gecertificeerde instelling daartoe een besluit nemen.

4.2.

De moeder begrijpt het verzoek van de gecertificeerde instelling, omdat er nog zorgen zijn. De moeder merkt dat [minderjarige 1] een groot loyaliteitsconflict heeft en dat zij explosief kan zijn in haar gedrag. De moeder heeft gewerkt aan een verbetering van haar opvoedvaardigheden en mede omdat zij niet meegaat in de dynamiek van [minderjarige 1], is de thuissituatie niet onveilig. Op het moment dat de moeder [minderjarige 1] corrigeert, kan zij naar de vader gaan en daar ook -tegen de afspraken vanuit de zorgregeling in- blijven. De vader stuurt [minderjarige 1] op die momenten niet terug naar de moeder. Beide ouders hebben hun eigen opvoedsituatie en hoewel zij hierin in beginsel een modus hebben gevonden, staat de moeder naar omstandigheden open voor een samenwerking met de vader en voor de hulp hierbij. Ook is het belangrijk dat voor [minderjarige 1] hulp wordt ingezet, ook om zo de ingrijpende gebeurtenissen te kunnen verwerken. De moeder is echter van mening dat de hulp voor [minderjarige 1] niet in het gedwongen kader vormgegeven moet worden, ook om het voor haar zo laagdrempelig mogelijk te maken. In dat kader heeft de moeder gesprekken met jongerenwerkers op de school van [minderjarige 1]. [minderjarige 1] zelf staat hier ook voor open en de moeder is blij dat de start van het schooljaar goed verlopen is.

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.1 De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.2.

Naar het oordeel van de kinderrechter wordt de ontwikkeling van [minderjarige 1] nog steeds ernstig bedreigd. De zorgen zijn onder andere gelegen in haar problematiek op kind-niveau, haar schoolgang en in haar loyaliteitsconflict. [minderjarige 1] heeft in een groot deel van haar leven te maken gehad met de strijd en de onrust tussen de ouders. Tussen de ouders is nog steeds sprake van een verstoorde verstandhouding. Het lukt hen niet altijd om op een passende manier met elkaar te communiceren. Dat [minderjarige 1] hierdoor belast wordt, is duidelijk. Daarbij komt dat tussen de moeder en [minderjarige 1] escalaties kunnen plaatsvinden in de thuissituatie bij de moeder, waarna [minderjarige 1] naar de vader wegloopt en hier ook blijft. Inmiddels is de behandeling van [zorginstantie] afgerond en zal de geadviseerde hulpverlening worden ingezet, waarbij ook ingezet wordt op het maken van afspraken tussen de ouders. Beide ouders zien in dat dit nodig is en het is positief dat de eerste weken van [minderjarige 1] op school goed lijken te verlopen. De moeder en de vader (bij monde van zijn advocaat) hebben toegezegd mee te werken aan de hulpverlening. De kinderrechter is van oordeel dat de betrokkenheid van de jeugdbeschermer hierbij nog noodzakelijk is. Zo kan de hulpverlening in worden gezet en daadwerkelijk worden voortgezet en zo kan zicht worden gehouden op de ontwikkeling van [minderjarige 1] en op haar schoolgang. Ook kunnen zo onder de regie van de jeugdbeschermer duidelijke afspraken tussen de ouders worden gemaakt, in het belang van [minderjarige 1]. Gelet op de positieve houding van de ouders ten opzichte van de hulpverlening en de vraag of een ondertoezichtstelling voor een langere duur nog van meerwaarde is, is de kinderrechter echter wel van oordeel dat de voortzetting van de betrokkenheid van de jeugdbeschermer voor zes maanden voldoende is. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling dan ook voor de duur van zes maanden verlengen en het verzoek voor het overige afwijzen. Het is dan ook van belang dat de komende tijd een borgingsplan gemaakt wordt, zodat de hulp overgedragen kan worden naar het vrijwillig kader. In haar oordeel neemt de kinderrechter ook mee dat zij erop vertrouwt dat het de ouders, door middel van de nog in te zetten hulpverlening, lukt om hun situatie te verstevigen en in het belang van [minderjarige 1] afspraken met elkaar te maken en dat zij de nodige hulp voortzetten in het vrijwillig kader. De kinderrechter hoopt dat deze termijn ook tegemoetkomt aan de motivatie van [minderjarige 1] om toch de hulpverlening aan te gaan.

5.3.

De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] dan ook voor de duur van zes maanden verlengen en wijst het verzoek voor het overige af.2

5.4.

De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.3

5.5.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] tot 14 maart 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2026 door mr. M.M.C. Limbeek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Klopper als griffier, en op schrift gesteld op 25 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »