RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/710063 / JE RK 26-1358
Datum uitspraak: 8 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Leiden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H.H.M. de Vries-Veringa uit Lisse,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats].
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 28 juli 2026;
-
de brief van de gecertificeerde instelling aan de moeder met de voorwaarden voor een thuisplaatsing, van 24 juli 2026;
-
de brief van de gecertificeerde instelling over de huidige stand van zaken, door de rechtbank ontvangen op 2 september 2026;
-
de brief van de gecertificeerde instelling aan de rechtbank met betrekking tot de voorwaarden voor een thuisplaatsing, van 1 september 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- [naam 1] en [naam 2], namens de gecertificeerde instelling.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.
2 De feiten
[minderjarige] is erkend door de vader.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 maart 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 11 september 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 juni 2026 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 11 september 2026.
3 Het verzoek
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Aan het verzoek ligt het volgende ten grondslag. Er is nog sprake van een ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige]. Al langere tijd zijn er zorgen over de veiligheid in de thuissituatie en de opvoedvaardigheden van de moeder. De moeder heeft nog drie andere kinderen, die niet meer bij haar opgroeien en over wie zij geen gezag meer heeft. Naar aanleiding van zorgelijke signalen van buurtbewoners dat de moeder thuis zou blowen en tegen [minderjarige] zou schreeuwen en schelden, is ook [minderjarige] op 2 juni 2026 met spoed uit huis geplaatst. Het is zorgelijk dat de moeder momenteel niet openstaat voor contact met [minderjarige]. Het laatste contact tussen [minderjarige] en de moeder is geweest op 12 juni 2026 tijdens een begeleid omgangsmoment. Sindsdien is de moeder niet ingegaan op de nieuwe voorstellen tot begeleide omgang. Ook heeft de moeder in augustus 2026 via een e-mail aan de gecertificeerde instelling laten weten geen updates meer over [minderjarige] te willen ontvangen. De samenwerking met de moeder verloopt zeer moeizaam en zij staat niet open voor hulpverlening. Het is de gecertificeerde instelling daarom niet gelukt om tot een constructieve samenwerking met de moeder te komen en om zodoende zicht te krijgen in de thuissituatie van moeder. De schriftelijke aanwijzing die de moeder heeft gekregen om mee te werken aan hulpverlening, die in april 2026 door de rechtbank is bekrachtigd, heeft hierin geen verandering gebracht. Op 24 juli 2026 heeft de gecertificeerde instelling een brief gestuurd aan de moeder met voorwaarden die de gecertificeerde instelling stelt om [minderjarige] thuis te kunnen plaatsen. De moeder heeft echter niet op deze brief gereageerd. Op dit moment is er geheel geen contact tussen de moeder en de gecertificeerde instelling en loopt het contact enkel via haar advocaat. Vanwege het gebrek aan communicatie met de moeder is [minderjarige] in een neutraal pleeggezin geplaatst. De gecertificeerde instelling overweegt echter om [minderjarige] over te plaatsen naar het pleeggezin van het zusje van [minderjarige]; zij hebben aangegeven [minderjarige] te kunnen opvangen. Gelet op de voorgenoemde omstandigheden acht de gecertificeerde instelling het noodzakelijk voor de veiligheid en de ontwikkeling van [minderjarige] om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor een jaar te verlengen. Zodoende kan er blijvend worden ingezet om zicht te verkrijgen op de ontwikkeling van [minderjarige] en kan haar verblijf binnen een pleeggezin worden gecontinueerd. Daarbij overweegt de gecertificeerde instelling om op de korte termijn al een perspectiefonderzoek te starten, zodat er duidelijkheid ontstaat over waar [minderjarige] opgroeit.
4 De standpunten
Namens de moeder heeft de advocaat van de moeder verweer gevoerd op het verzoek. De signalen die aanleiding hebben gegeven tot de uithuisplaatsing van [minderjarige] op 2 juni 2026 zijn volgens de moeder niet terecht. Er zijn geen politie- of Veilig Thuismeldingen gemaakt over deze zorgen in haar thuissituatie. De informatie en zorgelijke signalen heeft de gecertificeerde instelling zelf vergaard uit gesprekken met buurtbewoners, waarbij mogelijk sturende vragen zijn gesteld. De moeder heeft de voorwaarden voor een thuisplaatsing in de brief van de gecertificeerde instelling van 24 juli 2026 gelezen, maar zij staat niet achter deze voorwaarden. De moeder is het er niet mee eens dat er steeds opnieuw wordt gekeken naar haar verleden. Zij heeft dit een plek gegeven en wil hier niet langer mee geconfronteerd worden. De moeder wenst dat zij [minderjarige] zelfstandig en thuis kan opvoeden. De moeder is van mening dat zij daartoe in staat is en [minderjarige] voorziet in de nodige basisbehoeften, zoals schone en nieuwe kleding. Namens de moeder wordt verzocht om het verzoek af te wijzen.
5 De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.1
De kinderrechter is van oordeel dat er nog sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige]. [minderjarige] is een kwetsbaar meisje, dat in haar eerste levensjaar al ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt. Er zijn grote zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder thuis en haar emotionele beschikbaarheid voor [minderjarige]. Ondanks de vele pogingen is het de gecertificeerde instelling niet gelukt om constructief contact te hebben met de moeder, contact te krijgen met haar netwerk en om hulpverlening in te zetten. Ook heeft de moeder geen gehoor gegeven aan de schriftelijke aanwijzing van 5 maart 2026 om mee te werken aan de hulpverlening, die op 23 april 2026 bovendien door de rechtbank is bekrachtigd. Hierdoor ontbrak het de gecertificeerde instelling geheel aan zicht op de opvoedsituatie en namen de zorgen over [minderjarige] toe. Als gevolg hiervan heeft de gecertificeerde instelling zich genoodzaakt gevoeld om met de buurtbewoners van de moeder in contact te komen om zodoende alsnog zicht te krijgen op haar thuissituatie. Daaruit zijn de zorgelijke signalen naar voren gekomen zoals in het verzoek van de gecertificeerde instelling omschreven, die aanleiding hebben gegeven tot de spoed uithuisplaatsing van [minderjarige] op 2 juni 2026. Hoewel er geen officiële Veilig Thuis- of politiemeldingen zijn van de thuissituatie van de moeder, kan de kinderrechter de handelswijze van de gecertificeerde instelling goed begrijpen nu het geheel ontbrak aan zicht op de thuissituatie.
De kinderrechter vindt de houding van de moeder zorgelijk. Het laat zien dat de moeder momenteel onvoldoende in het belang van [minderjarige] keuzes kan maken. Dit wordt volgens de kinderrechter ook benadrukt door het feit dat de moeder momenteel geen contact met [minderjarige] wil en heeft aangegeven geen updates over haar te willen ontvangen. De kinderrechter begrijpt dat de moeder vanuit haar eigen ervaringen met de jeugdbescherming terughoudend is tegenover hulpverlening. De gecertificeerde instelling heeft hier echter voldoende aandacht voor gehad en heeft voorzichtig een vertrouwensband geprobeerd op te bouwen met de moeder. Desondanks blijft de moeder standvastig in het afwijzen van het contact. De kinderrechter heeft er daarom geen vertrouwen in dat de moeder zelfstandig de benodigde hulpverlening vanuit het vrijwillig kader gaat benutten. Om zicht te behouden op de veiligheid en de ontwikkeling van [minderjarige] is het noodzakelijk dat de jeugdbeschermer betrokken blijft.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding.2
Het is zorgelijk dat de moeder geen omgangsmomenten met [minderjarige] meer wil en niet langer op de hoogte gebracht wilt worden over haar. Dit staat ook in contrast met de wens van de moeder om [minderjarige] weer zelfstandig thuis op te voeden. Ter zitting heeft de advocaat van de moeder verder aangegeven dat de moeder niet instemt met de voorwaarden die er worden gesteld vanuit de gecertificeerde instelling om [minderjarige] thuis te plaatsen. Gezien deze omstandigheden is een thuisplaatsing bij de moeder momenteel niet mogelijk. De kinderrechter acht het daarom in het belang van [minderjarige] dat zij bij haar pleeggezin kan blijven, dan wel kan worden overgeplaatst naar het pleeggezin van waar haar zusje verblijft, zodat zij samen kunnen opgroeien. De kinderrechter hoopt dat het de moeder in de (nabije) toekomst lukt om het contact met [minderjarige] aan te gaan, omdat het zo belangrijk is dat [minderjarige] contact heeft met haar moeder en het de kans op een terugplaatsing vergroot.
De ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing zijn gelet op het bovenstaande nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige] in voorziening voor pleegzorg voor de duur van een jaar.3
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 11 september 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 11 september 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026 door mr. M. de Kleine, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.J. Gillot als griffier, en op schrift gesteld op 17 september 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.