RECHTBANK OVERIJSSEL
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummer: C/08/350222 / JE RK 26-1262 en C/08/350224 / JE RK 26-1263
Datum uitspraak: 18 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
de gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Zwolle,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats 1] (België),
hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats 2] (België),
hierna te noemen: [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2],
bijgestaan door advocaat: mr. S.C.A. Thijssen
en [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
betreffende [minderjarige 1], zaaknummer C/08/350222 / JE RK 26-1262
-
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 juli 2026;
-
de evaluatie vanuit Trias, ingediend door de GI, ontvangen op 7 september 2026;
-
het bericht van de GI met de mening van [minderjarige 1], ontvangen op 14 september 2026.
betreffende [minderjarige 2], zaaknummer C/08/350224 / JE RK 26-1263
-
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 juli 2026;
-
de evaluaties vanuit Trias, ingediend door de GI, ontvangen op 7 september 2026;
-
de brief van de grootmoeder moederszijde, ingediend door de moeder, ontvangen op 14 september 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- [naam 1] en [naam 2] namens de GI.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan mevrouw [naam 3], begeleidster vanuit Trias Jeugdhulp.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Het gesprek met [minderjarige 2] vond plaats op 14 september 2026 en het gesprek met [minderjarige 1] vond plaats op 18 september 2026. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
[minderjarige 1] verblijft bij haar vader.
[minderjarige 2] verblijft volgens een 50/50 regeling deels bij haar moeder en deels bij haar vader.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 1 oktober 2025, hersteld bij beschikking van 23 oktober 2025, de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 10 oktober 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 31 maart 2026 de machtiging verlengd [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de andere ouder met gezag (de vader) tot 1 oktober 2026.
3 Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de ouder met gezag, de vader, te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter onderbouwing van het verzoek wordt verwezen naar de overgelegde stukken.
Ter aanvulling heeft de GI tijdens de zitting naar voren gebracht dat de tussen ouders gestarte mediation moet zorgen voor meer duidelijkheid voor de kinderen en de ouders. Het is belangrijk dat er in de basis iets verandert tussen de ouders. Met name [minderjarige 1] heeft tegen de GI gezegd dat zij met te veel verschillende mensen moet praten. Daarom zal voor [minderjarige 1] de gesprekken met InKontact stoppen. [minderjarige 2] heeft nog gesprekken met InKontact, maar er lijkt steeds meer afstand te ontstaan tussen [minderjarige 2] en Hanneke van InKontact. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben ook gesprekken bij GGZ Karakter. Vanuit GGZ Karakter wordt er systeemtherapie ingezet. Trias Jeugdhulp is in beide huizen gestart met Parralel Solo Ouderschap (hierna te noemen: PSO). Het is belangrijk dat de ouders vanuit hun eigen huis de andere ouder steunen. De ouders werken hard en doen het goed, maar er is hierin nog veel te behalen. Het is een intensief traject. Er is nog veel onduidelijk over bepaalde gedragingen van de kinderen waar de GI duidelijkheid over wil hebben. De kinderen zitten nog steeds klem in de loyaliteit. Vanwege de systemische dynamiek is er veel hulp ingezet en lopen er parallelle processen waar de GI regie op moet voeren. Volgens de GI is een ondertoezichtstelling van zes maanden, zoals de vader verzoekt, niet genoeg om hier aan te werken.
4 De standpunten
[minderjarige 1] vindt de verlenging van de ondertoezichtstelling niet nodig. Ze vindt het veel gedoe. [minderjarige 1] vindt het fijn om bij de vader te wonen. Volgens [minderjarige 1] moet ze te vaak naar de moeder gaan. [minderjarige 1] doet graag samen dingen met [minderjarige 2], want zij zijn heel close. Als [minderjarige 2] bij de moeder is en [minderjarige 1] bij de vader, dan mist [minderjarige 1] [minderjarige 2]. [minderjarige 1] praat met [naam 4] van Karakter over de problemen die zij met de moeder heeft. Dan hoeft [minderjarige 1] dit niet met de vader te bespreken.
[minderjarige 2] wil liever niet dat de ondertoezichtstelling verlengd wordt, omdat er al zo veel mensen betrokken zijn. Zij merkt ook geen verschil sinds de jeugdbeschermers betrokken zijn. [minderjarige 2] weet ook niet wat ze aan de situatie kan doen. Er is nog steeds veel gedoe tussen de vader en de moeder, net als een jaar geleden. Het contact tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] gaat beter sinds [minderjarige 1] meer bij de vader is. [minderjarige 2] zou het fijn vinden als de moeder [minderjarige 2] helpt met het plannen van haar huiswerk.
De moeder verzet zich niet tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling. De moeder wil dat er binnen de mediation gewerkt wordt aan het vertrouwen tussen de ouders, want nu is er geen vertrouwen. Het communiceren tussen de ouders blijft moeilijk. De moeder is het niet eens met de plaatsing van [minderjarige 1] bij de vader. [minderjarige 1] zou tijdelijk bij de vader wonen en er zou een basis worden gelegd om de relatie tussen de moeder en [minderjarige 1] te herstellen, maar van een herstel is geen sprake. Volgens de moeder is de plaatsing van [minderjarige 1] bij de vader niet een oplossing die het probleem wegneemt en houdt het de gevolgen in stand. Om de relatie tussen de moeder en [minderjarige 1] te verbeteren is waardevolle tijd samen met professionele ondersteuning nodig. Volgens de moeder moet er weer teruggegaan worden naar de oorspronkelijke situatie van co-ouderschap.
De vader is het eens met een verlenging van de ondertoezichtstelling van beide kinderen en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], echter niet voor de duur van een jaar maar voor de duur van zes maanden. In deze periode moet de tijd gebruikt worden om te werken aan de hulp vanuit Karakter, de mediation en de kindgesprekken. In deze tijd kan dan afgemaakt worden wat nodig is om tot een duurzame situatie te komen. Hierdoor moet er rust en duidelijkheid ontstaan. De vader wil benadrukken dat dit geen verzet is tegen de hulpverlening. Volgens de vader blijkt uit de evaluatie van Trias dat er bij hem sprake is van een veilige omgeving. De kinderen voelen zich vrij om met Trias te communiceren. Volgens de vader hebben de kinderen bij Trias benoemd dat zij het niet prettig vinden bij de moeder. Deze signalen moeten serieus genomen worden. Volgens de vader is er een gebrek in vertrouwen van de kinderen richting de moeder. Er moet onderzocht worden waar dit vandaan komt en hoe dit hersteld kan worden.
5 De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is voldaan.1 Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding.2 De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De verlenging van de ondertoezichtstelling
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zitten nog steeds klem tussen de ouders, omdat het de ouders niet lukt om samen te werken, elkaar te informeren en te consulteren. Ook lukt het de ouders niet om gezamenlijk beslissingen in het kader van het gezag over de kinderen te nemen. De ouders zijn het vaak niet met elkaar eens. Dit maakt dat hulpverlening in het vrijwillig kader niet toereikend is. De ouders zijn gestart met PSO, waarbij zij leren om hun ouderschap te richten op hun eigen huis, zonder zich te richten op het huis van de andere ouder. Daarnaast zijn de ouders bij Weijenberg Mediation gestart met mediation om het ouderschapsplan te updaten.
Bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is ook sprake van persoonlijke problematiek. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gestart met de hulpverlening vanuit GGZ Karakter. Vanuit GGZ Karakter wordt met systeemtherapeuten naar de situatie gekeken en wordt er aan deze situatie gewerkt. Vanuit de hulpverlening van Trias wordt gezien dat er sprake is van een toenemende afstand tussen de kinderen en de moeder en haar netwerk. De kinderrechter vindt het zorgelijk dat bijvoorbeeld [minderjarige 2] niet lachend met de moeder op de foto wil of dat [minderjarige 2] foto’s maakt van situaties die zij bij de moeder niet prettig vindt. De kinderrechter is van oordeel dat onderzocht moet worden waar deze toenemende afstand tussen de kinderen en de moeder vandaan komt.
De kinderrechter is het met de GI eens dat het er nog veel moet gebeuren en dat een verlenging van zes maanden niet voldoende zal zijn om de gestelde doelen te behalen. Er is nog veel onduidelijk, de trajecten lopen nog en duren mogelijk nog langer dan zes maanden. Er moet nog veel bereikt worden om de situatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verbeteren. Daarnaast neemt de kinderrechter in overweging mee dat de kinderen hebben aangegeven dat zij al zo veel gesprekken moeten voeren. Als de GI na zes maanden concludeert dat een verlenging weer nodig is, dan zullen de kinderen weer uitgenodigd worden voor een gesprek met de kinderrechter. De kinderrechter acht dit in deze situatie niet wenselijk.
De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1]
[minderjarige 1] verblijft sinds september 2025 volledig bij de vader. Eens per twee weken gaat [minderjarige 1] van zaterdag op zondag naar de moeder. Ook gaat [minderjarige 1] elke dinsdag van 17:00 uur tot 20:00 uur naar de moeder. Voorafgaand aan de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] ging het niet goed met haar, waarbij er sprake was van automutilatie en negatieve gedachten en gevoelens. Sinds de plaatsing van [minderjarige 1] bij de vader gaat het beter met [minderjarige 1]. [minderjarige 1] zit weer beter in haar vel.
De kinderrechter is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 1] is dat deze situatie gecontinueerd wordt. De plaatsing van [minderjarige 1] bij haar vader heeft haar gezien haar persoonlijke ontwikkeling goed gedaan. Daarnaast constateert de kinderrechter dat de situatie tussen [minderjarige 1] en de moeder onder druk staat en acht het daarom niet in het belang van [minderjarige 1] dat [minderjarige 1] terug gaat naar de situatie waarbij [minderjarige 1] volgens de 50/50 regeling weer voor de helft van de tijd bij de moeder gaat wonen. [minderjarige 1] heeft aan de kinderrechter duidelijk gemaakt dat zij niet terug wil naar die situatie en dat zij eigenlijk zelfs minder vaak naar de moeder wil. De kinderrechter vindt deze uitspraken van [minderjarige 1] zorgelijk. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de komende periode (verder) aandacht wordt besteed aan de band tussen [minderjarige 1] (en ook [minderjarige 2]) en de moeder. De kinderrechter hoopt dat de komende periode verder gewerkt kan worden aan deze band tussen ouder en kind.
Concluderend
De kinderrechter zal uit praktisch oogpunt de termijnen van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing gelijktrekken. De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] verlengen tot 1 oktober 2027.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 1 oktober 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de ouder met gezag (de vader) tot 1 oktober 2027;
verklaart deze beschikking voor zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026 door mr. A.M. Mensink, kinderrechter, in aanwezigheid van J.G.J. Remeijsen als griffier, en op schrift gesteld op 1 oktober 2026. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.