ECLI:NL:RBDHA:2026:29781

Datum uitspraak
08-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/09/710799 / JE RK 26-1440
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/09/710799 / JE RK 26-1440

Datum uitspraak: 8 september 2026

Beschikking van de kinderrechter

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

over de minderjarige

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats ] ,

hierna te noemen: [de minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats] .

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 augustus 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder (via een telefonische verbinding);

- [naam] , namens de gecertificeerde instelling.

1.3.

De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een e-mail gestuurd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [de minderjarige] .

2.2.

[de minderjarige] verblijft bij Ipse de Bruggen.

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 januari 2026 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 2 oktober 2026, alsmede voor dezelfde duur een machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

3 Het verzoek

3.1.

De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de kinderrechter om zich uit te laten over het door de gecertificeerde instelling vastgestelde perspectiefbesluit van [de minderjarige] .

3.2.

Om de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] weg te nemen, heeft de gecertificeerde instelling ingezet op behandeling van [de minderjarige] , het bieden van duidelijkheid over haar toekomstperspectief en het ontlasten van de moeder in de zorg en opvoeding. De gecertificeerde instelling heeft daarbij de regie gevoerd over de hulpverlening. [de minderjarige] verblijft momenteel bij Ipse de Bruggen. Over het algemeen heeft zij een positief zelfbeeld. Zij weet bij wie zij terechtkan wanneer haar spanning toeneemt en is in staat om met ondersteuning haar spanning te laten afnemen. Daarnaast staat [de minderjarige] sinds kort open voor traumabehandeling. Gelet op haar belastende voorgeschiedenis is dit een belangrijke stap. De traumabehandeling zal op korte termijn worden gestart. De gecertificeerde instelling ziet dat [de minderjarige] hierin positieve stappen vooruitzet. Tegelijkertijd is het van belang dat op korte termijn door Ipse de Bruggen een actueel woonprofiel van [de minderjarige] wordt opgesteld, zodat zij kan worden aangemeld voor een passende vervolgplek. Het kan daarbij noodzakelijk zijn om nieuwe, actuele diagnostiek te verrichten. [de minderjarige] heeft zelf aangegeven dat zij graag in een gezinshuis zou willen wonen, omdat zij behoefte heeft aan een meer stabiele en gezinsgerichte woonomgeving, zonder voortdurende wisselingen van opvoeders en andere jongeren. De gecertificeerde instelling heeft daarnaast vastgesteld dat het toekomstperspectief van [de minderjarige] niet meer bij de moeder thuis ligt. Dit is ook met [de minderjarige] besproken in een gesprek met de jeugdbeschermer. [de minderjarige] leek deze boodschap te begrijpen. De gecertificeerde instelling is van mening dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing met 12 maanden dienen te worden verlengd, zodat de noodzakelijke hulpverlening kan worden voortgezet, de ontwikkeling van [de minderjarige] kan worden gevolgd en kan worden toegewerkt naar een passende en stabiele woonplek voor haar.

4 Het standpunt van de moeder.

4.1.

De moeder is het eens met het verzoek.

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.1 Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding.2De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.2.

De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Bij [de minderjarige] is sprake van hechtingsproblematiek en zwakbegaafdheid, waardoor zij behoefte heeft aan een bovengemiddeld stabiel en voorspelbaar opvoedingsklimaat. De moeder kampt met persoonlijke problematiek en beperkingen, waardoor zij niet altijd in staat is om voldoende aan te sluiten bij de opvoedingsbehoeften van [de minderjarige] en zowel fysiek als emotioneel voor haar beschikbaar te zijn. Daarnaast heeft [de minderjarige] in het verleden ingrijpende verlieservaringen opgedaan door het overlijden van haar vader en grootvader in een relatief korte periode. Positief is dat [de minderjarige] inmiddels openstaat voor traumabehandeling. Deze behandeling zal op korte termijn starten. De kinderrechter vindt het van belang dat deze behandeling voortvarend wordt ingezet en dat de al ingezette hulpverlening wordt voortgezet. Ook is van belang dat er wordt gezocht naar een passende vervolgplek voor [de minderjarige] om te verblijven. De betrokkenheid van een jeugdbeschermer blijft dan ook noodzakelijk om de dit alles te monitoren en om de voortgang van de hulpverlening te bewaken. Gelet hierop zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengen voor de duur van één jaar. 3

Het opvoedperspectief van [de minderjarige]

5.3.

De wet voorziet niet in een zelfstandige rechtsgang waarin een perspectiefbesluit als zodanig aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. De kinderrechter kan het besluit niet bekrachtigen of vernietigen. Wel kan de kinderrechter zich erover uitlaten of dit besluit op de juiste gronden is genomen. Een perspectiefbesluit kan immers aan het rechterlijk oordeel worden onderworpen voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met dat perspectiefbesluit.4 De kinderrechter is dan ook bevoegd om zich in het kader van de machtiging tot uithuisplaatsing uit te laten over het door de gecertificeerde instelling geformuleerde perspectiefbesluit.

5.4.

De kinderrechter onderschrijft het standpunt van de gecertificeerde instelling dat het perspectief van [de minderjarige] niet meer bij de moeder ligt. Naar het oordeel van de kinderrechter heeft de gecertificeerde instelling dit besluit op goede gronden genomen en voldoende onderbouwd. [de minderjarige] woont sinds september 2023 niet meer bij de moeder en verblijft op dit moment op een behandelgroep van Ipse de Bruggen. Gelet op de persoonlijke problematiek en beperkingen van de moeder is zij onvoldoende in staat gebleken om aan te sluiten bij de bijzondere opvoedingsbehoeften en belevingswereld van [de minderjarige] . De moeder heeft zich, hoe verdrietig zij dit ook vindt, neergelegd bij het standpunt dat [de minderjarige] niet bij haar zal opgroeien. [de minderjarige] verblijft wel ieder weekend bij de moeder. Daarmee is er ruimte voor een betekenisvolle relatie tussen [de minderjarige] en haar moeder, zonder dat de moeder de volledige verantwoordelijkheid voor haar verzorging en opvoeding hoeft te dragen. Gelet op de huidige opvoedingsmogelijkheden van de moeder en het feit dat [de minderjarige] al geruime tijd elders verblijft, acht de kinderrechter het niet aannemelijk dat de moeder binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn in staat zal zijn de verantwoordelijkheid voor haar verzorging en opvoeding weer op zich te nemen. De periode waarin voor [de minderjarige] nog aanvaardbaar is dat hierover onzekerheid bestaat, is verstreken. Het is daarom in het belang van [de minderjarige] dat duidelijkheid ontstaat over haar toekomstperspectief.

5.5.

De kinderrechter realiseert zich dat deze duidelijkheid voor [de minderjarige] en haar moeder pijnlijk kan zijn. De kinderrechter hoopt dat, nu het voor [de minderjarige] op deze manier duidelijk wordt dat zij niet bij moeder thuis zal opgroeien, haar de rust en ruimte geeft om zich verder te ontwikkelen en zich te richten op haar traumabehandeling. Dit betekent niet dat de moeder geen belangrijke rol meer in haar leven heeft. Integendeel, de kinderrechter vindt het van groot belang dat de band tussen [de minderjarige] en haar moeder behouden blijft en waar mogelijk wordt versterkt. Het huidige verblijf van [de minderjarige] bij de moeder in de weekenden biedt daarvoor een belangrijke basis.

5.6.

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter ook van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.5

5.7.

Mede gelet op wat hiervoor is overwogen over het opgroeiperspectief van [de minderjarige] , is de kinderrechter van oordeel dat het verblijf van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder moet worden voortgezet. Dit sluit aan bij het vastgestelde toekomstperspectief van [de minderjarige] en biedt haar de continuïteit en stabiliteit die zij nodig heeft. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] daarom voor de duur van de ondertoezichtstelling verlengen. Tegelijkertijd vindt de kinderrechter het van belang dat wordt toegewerkt naar een passende vervolgplek voor [de minderjarige] wanneer zij de behandelgroep kan verlaten. De wens van [de minderjarige] om in een gezinssituatie op te groeien, bijvoorbeeld in een gezinshuis, dient daarbij serieus te worden onderzocht.

5.8.

De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.6

5.9.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 2 oktober 2027;

6.2.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 2 oktober 2027;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026 door mr. M.M. Meijers, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.P.M. van der Hoorn als griffier, en op schrift gesteld op 11 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »