ECLI:NL:RBDHA:2026:29772

Datum uitspraak
08-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/09/711688
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Machtiging tot uithuisplaatsing

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummers:

I. C/09/711688 / JE RK 26-1531

II. C/09/712191 / JE RK 26-1586

III. C/09/712205 / JE RK 26-1588

Datum uitspraak: 8 september 2026

Beschikking van de kinderrechter

Machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Gouda,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

over de minderjarigen:

- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats 1] , Iran,

hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,

- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats 2] ,

hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,

hierna samen te noemen: de kinderen.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

feitelijk verblijvende op een voor de rechtbank onbekende locatie,

advocaat: mr. F.S.M. Oudijk uit Gouda,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat: mr. B.S. van Haeften uit Den Haag.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift (I) met bijlagen, ontvangen op 27 augustus 2026;

  • het verzoekschrift (II) met bijlagen, ontvangen op 4 september 2026;

  • het verzoekschrift (III) met bijlagen, ontvangen op 7 september 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader met zijn advocaat en bijgestaan door een tolk Farsi;

- de moeder (via een online verbinding) met haar advocaat en bijgestaan door een tolk Farsi;

- [naam 1] en [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling.

1.3.

De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

De ouders zijn met elkaar gehuwd. Er is een echtscheidingsprocedure aanhangig.

2.2.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .

2.3.

[de minderjarige 1] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. [de minderjarige 2] verblijft in een (netwerk)pleeggezin.

2.4.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 maart 2026 [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 6 maart 2027.

2.5.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 augustus 2026 een spoedmachtiging verleend [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 10 september 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden tot deze zitting.

3 De verzoeken

3.1.

De gecertificeerde instelling heeft aanvankelijk verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening (I) te verlenen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek nadien gewijzigd. Zij verzoekt nu om een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg (II) en van [de minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (III), eveneens voor de duur van zes maanden en met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

3.2.

De gecertificeerde instelling heeft de verzoeken als volgt gemotiveerd. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] groeien al langere tijd op binnen een instabiele en emotioneel belastende gezinssituatie. De ouders zijn onvoldoende in staat gebleken hun onderlinge conflicten los te koppelen van hun ouderschap, waardoor de kinderen worden blootgesteld aan spanningen, conflicten en volwassenproblematiek. Bij aanvang van de betrokkenheid van de jeugdbescherming woonden de ouders nog samen. Deze situatie bleek niet houdbaar vanwege de oplopende spanningen. Daarnaast werden de kinderen onvoldoende buiten de conflicten gehouden. Vervolgens is geprobeerd de kinderen in de woning te laten verblijven en de ouders elkaar daar bij toerbeurt te laten afwisselen. Ook deze zogenoemde ‘beurtelingse nesting’ bleek niet uitvoerbaar. Sinds eind mei 2026 verbleven de kinderen bij de vader. In de afgelopen periode is zeer intensieve begeleiding vanuit Next Step ingezet. Ondanks deze inzet is onvoldoende duurzame verbetering in de veiligheid en stabiliteit van de kinderen bereikt. Ook buiten de begeleidingsmomenten blijven signalen en meldingen binnenkomen bij Veilig Thuis. Inmiddels zijn ongeveer 22 meldingen gedaan, waarin terugkerend wordt gesproken over conflicten tussen de ouders, zorgen over de opvoedsituatie, middelengebruik, financiële problematiek en het betrekken van de kinderen bij volwassenproblematiek. De meldingen bij Veilig Thuis en de politie wijzen daarnaast op een langdurig patroon van verbale en fysieke conflicten tussen de ouders, waarbij met name sprake lijkt te zijn van emotionele en fysieke dreiging vanuit de vader richting de moeder.

De jeugdbeschermers maken zich ook ernstig zorgen over de relatie tussen de kinderen en de moeder. De langdurige ouderlijke conflicten en de wijze waarop de vader de scheiding en zijn relatie met de moeder met de kinderen bespreekt, hebben deze relatie sterk onder druk gezet. De kinderen lijken hierdoor steeds meer afstand van de moeder te nemen en zich richting de vader te positioneren. Het is zorgelijk dat zij worden belast met negatieve beeldvorming over de moeder en met informatie over de conflicten tussen hun ouders.

De moeder verblijft inmiddels in een vrouwenopvang met code rood vanwege de veiligheidszorgen ten aanzien van de vader. De gecertificeerde instelling vindt het op dit moment niet verantwoord om de kinderen bij de moeder te plaatsen. Bovendien bestaat onvoldoende zicht op haar huidige opvoedsituatie om de veiligheid en duurzaamheid van een plaatsing bij haar te kunnen beoordelen. Ook ten aanzien van de vader, zoals hiervoor is beschreven, bestaan ernstige en veelzijdige zorgen. Hoewel hij betrokkenheid en liefde voor de kinderen laat zien, lukt het hem onvoldoende om zijn eigen problematiek buiten hun leefwereld te houden. De zorgen zien onder meer op zijn financiële situatie, de verwerking en acceptatie van de scheiding, middelengebruik, emotieregulatie, psychische gesteldheid, het nakomen van afspraken, zijn openheid en zijn opvoedvaardigheden. Bij [de minderjarige 1] is daarnaast sprake van een sterke loyaliteit aan de vader. [de minderjarige 1] neemt veel verantwoordelijkheid voor hem op zich en probeert controle te houden over de situatie rondom de moeder. Hij heeft bovendien een grote invloed op [de minderjarige 2] , waardoor [de minderjarige 2] onvoldoende ruimte lijkt te ervaren om een eigen positie in te nemen. Gelet op de bestaande gezinsdynamiek vindt de gecertificeerde instelling het van belang dat de kinderen afzonderlijk van elkaar worden geplaatst. Een afzonderlijke plaatsing biedt beide kinderen de mogelijkheid om tijdelijk afstand te nemen van de bestaande gezinsdynamiek, tot rust te komen en zich onafhankelijk van de invloed van ouders en elkaar te ontwikkelen. Dit betekent niet dat de band tussen de broers wordt verbroken. Het contact tussen hen dient, voor zover dit veilig en in hun belang is, zorgvuldig te worden onderhouden en begeleid.

3.3.

Ten tijde van het indienen van het oorspronkelijke verzoek tot het verlenen van een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing (I) is gezocht naar een gezinsgerichte voorziening voor beide kinderen. De gecertificeerde instelling heeft zich ingespannen om een passende plek te vinden. Voor [de minderjarige 1] bleek een dergelijke voorziening echter niet beschikbaar. [de minderjarige 1] verblijft daarom inmiddels in een groepsvoorziening van een jeugdhulpaanbieder. Deze plaatsing lijkt vooralsnog aan te sluiten bij zijn behoeften. De gecertificeerde instelling zal de komende periode met de betrokkenen verder onderzoeken wat deze plaatsing betekent voor zijn toekomstperspectief. Voor [de minderjarige 2] is inmiddels een passende plaats binnen het netwerk gevonden. Hij verblijft in een netwerkpleeggezin dat bereid en beschikbaar is om zijn verzorging en opvoeding op zich te nemen. Er is inmiddels meer zicht op de situatie rondom de ouders en op dit moment zijn er geen concrete veiligheidsrisico's die aan een plaatsing binnen het netwerk in de weg staan. Daarbij kan tevens de continuïteit van voor hem belangrijke bestaande (familie)relaties zoveel mogelijk worden behouden.

4 De standpunten

4.1.

Namens en door de moeder is ingestemd met het verzochte. De moeder vindt het van belang dat de rust en veiligheid voor de kinderen en voor haarzelf terugkeren. Zij verzoekt om ervoor te zorgen dat het leven van de kinderen, ondanks de huidige omstandigheden, zoveel mogelijk zijn normale verloop kan behouden. Zij hoopt dat haar eigen situatie het op termijn mogelijk maakt dat de kinderen weer bij haar kunnen wonen.

4.2.

Namens en door de vader is verweer gevoerd tegen het verzochte. De vader kan zich niet verenigen met de uithuisplaatsing en wenst dat de kinderen bij hem terugkeren. Hij maakt zich grote zorgen over hun welzijn. De vader herkent zich niet in de door de gecertificeerde instelling geschetste zorgen over zijn financiële situatie en het niet nakomen van afspraken. Ook betwist hij dat hij middelen gebruikt. Hij stelt dat hij zijn emoties inmiddels voldoende onder controle heeft en dat hij in staat is de kinderen te verzorgen en op te voeden. De vader staat open voor hulpverlening vanuit de gecertificeerde instelling.

Volgens vader is niet voldaan aan de gronden voor een uithuisplaatsing. Namens de vader is daarom verzocht de verzoeken tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] af te wijzen, dan wel de machtigingen voor een zo kort mogelijke duur te verlenen.

5 De beoordeling

5.1.

Op basis van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding.1 De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.

5.2.

[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] groeien al langere tijd op in een instabiele en emotioneel belastende gezinssituatie. De ouders zijn uit elkaar en de echtscheiding is aangevraagd. Zij zijn onvoldoende in staat gebleken hun onderlinge conflicten los te koppelen van het ouderschap, waardoor de kinderen worden blootgesteld aan spanningen, conflicten en volwassenproblematiek. Sinds eind mei 2026 verblijven de kinderen bij de vader. In de periode daarna is zeer intensieve begeleiding vanuit Next Step ingezet. Deze vorm van intensieve hulpverlening heeft echter niet geleid tot een voldoende duurzame verbetering van de veiligheid en stabiliteit in de thuissituatie. Ook buiten de begeleidingsmomenten blijven signalen en meldingen bij Veilig Thuis binnenkomen. De meldingen bij Veilig Thuis en de politie wijzen op een langdurig patroon van verbale en fysieke conflicten tussen de ouders, waarbij met name sprake lijkt te zijn van emotionele en fysieke dreiging vanuit de vader richting de moeder. De moeder verblijft inmiddels in een vrouwenopvang met code rood.

5.3.

De kinderrechter stelt vast dat bij beide ouders omstandigheden bestaan die maken dat zij de kinderen op dit moment geen voldoende veilige en stabiele opvoedsituatie kunnen bieden. Bij de moeder bestaat onder meer onvoldoende zicht op haar huidige opvoedsituatie en ontbreekt een stabiele woonplek. Bij de vader bestaan, naast de hiervoor genoemde conflicten, zorgen over de mate waarin hij zijn eigen problematiek buiten de leefwereld van de kinderen kan houden. De kinderen worden bovendien in toenemende mate belast door de bestaande gezinsdynamiek. Bij [de minderjarige 1] zijn duidelijke signalen van parentificatie zichtbaar. Hij lijkt een steunende en controlerende rol ten opzichte van zijn vader op zich te nemen en zich verantwoordelijk te voelen voor diens welzijn. Ook [de minderjarige 2] ondervindt hiervan gevolgen. Hij trekt zich meer terug en lijkt sterk te worden beïnvloed door de positie die [de minderjarige 1] inneemt. Daarmee krijgen beide kinderen onvoldoende ruimte om zich los van de problematiek tussen hun ouders en van elkaar te ontwikkelen.

5.4.

De kinderrechter vindt het belangrijk dat de kinderen aan deze belastende situatie kunnen ontsnappen en dat hun rust, veiligheid en ontwikkeling worden gewaarborgd. Daarbij weegt zwaar dat na ongeveer drie maanden van zeer intensieve begeleiding nog steeds sprake is van ernstige zorgen, escalaties en nieuwe meldingen. Dit maakt dat onvoldoende vertrouwen bestaat dat binnen de huidige opvoedsituatie en binnen een voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] aanvaardbare termijn de noodzakelijke veiligheid en stabiliteit kunnen worden gerealiseerd. Een uithuisplaatsing is daarom noodzakelijk.

5.5.

De kinderrechter realiseert zich dat een afzonderlijke plaatsing van broers in beginsel niet wenselijk is. In de bijzondere omstandigheden van dit geval vindt de kinderrechter een afzonderlijke plaatsing echter wel aangewezen. Hierdoor krijgen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ieder de ruimte om tot rust te komen, afstand te nemen van de bestaande gezinsdynamiek en zich, zoveel mogelijk onafhankelijk van de invloed van de ouders en van elkaar, te ontwikkelen. Het is daarbij wel van belang dat hun onderlinge contact, voor zover dit veilig en in hun eigen belang is, zorgvuldig wordt vormgegeven en behouden.

5.6.

De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing daarom verlenen voor [de minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en voor [de minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg, voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 6 maart 2027. Het meer of anders verzochte zal, gelet op de expiratiedatum van de ondertoezichtstelling, worden afgewezen.

5.7.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.8.

Tot slot stelt de kinderrechter vast dat zij niets meer te beslissen heeft ten aanzien van het oorspronkelijke verzoek om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening (I) te plaatsen, nu de gecertificeerde instelling nadien een verzoek tot machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een andere categorie heeft verzocht. Deze laatstgenoemde verzoeken zijn, zoals voortvloeit uit het hiervoor overwogene, toegewezen.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt vast dat er niets meer te beslissen valt ten aanzien van het verzoek (I) tot machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening;

6.2.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 8 september 2026 tot 6 maart 2027;

6.3.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 8 september 2026 tot 6 maart 2027;

6.4.

wijst af het meer of anders verzochte;

6.5.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M. Meijers, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026, in aanwezigheid van mr. E.P.M. van der Hoorn als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »