ECLI:NL:RBDHA:2026:29748

Datum uitspraak
07-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
C/09/702456 / HA ZA 26-333
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling achtergestelde lening. Vanaf verzuim wettelijke rente verschuldigd, voor zover deze hoger is dan de contractuele rente van 5% per jaar. Vordering tegen bestuurder o.gv. bestuurdersaansprakelijkheid afgewezen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel

zaak- / rolnummer: C/09/702456 / HA ZA 26-333

Vonnis van 7 oktober 2026

in de zaak van

MADERVISIE B.V. te Hoogmade,

eiseres,

hierna te noemen: Madervisie,

advocaat: mr. M.M. Arts, te Utrecht,

tegen

1 [bedrijfsnaam 1] HOLDING B.V. te [plaats] ,

2. [gedaagde sub 2] te [plaats] ,

gedaagden,

hierna te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,

advocaat: mr. R.W. de Pater, te Breda.

1 De procedure

1.1.

Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:

- de dagvaarding van 9 januari 2026, met producties 1 tot en met 11;

- de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ;

- het tussenvonnis van 10 juni 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

- de akte overlegging producties van Madervisie, met producties 12 tot en met 21;

- de aanvullende productie 22 van Madervisie.

1.2.

Op 24 augustus 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat ter zitting is besproken. De aantekeningen zijn toegevoegd aan het griffiedossier.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Deze zaak heeft betrekking op een vaststellingsovereenkomst, die eind 2016 is gesloten en die zag op de ontvlechting van de toenmalige aandeelhouders- en bestuursverhoudingen binnen de groep rond de onderneming [bedrijfsnaam 1] B.V. (‘ [bedrijfsnaam 1] ’). [bedrijfsnaam 1] verrichtte schilderwerkzaamheden voor zowel particuliere als zakelijke opdrachtgevers.

2.2.

Tot aan de ontvlechting, eind 2016, waren de bestuurders- en aandeelhoudersverhoudingen binnen de groep als volgt. Alle aandelen in [bedrijfsnaam 1] werden (en worden) gehouden door [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] kende eind 2016 drie aandeelhouders, die destijds ook allemaal bestuurder van [gedaagde sub 1] waren, namelijk:

  • [bedrijfsnaam 2] B.V. (‘ [bedrijfsnaam 2] ’), waarvan dhr. [naam 1] (‘ [naam 1] ’) enig aandeelhouder en bestuurder is,

  • [bedrijfsnaam 3] B.V. (‘ [bedrijfsnaam 3] ’), waarvan [gedaagde sub 2] enig aandeelhouder en bestuurder is, en

  • [bedrijfsnaam 4] B.V. (‘ [bedrijfsnaam 4] ’), waarvan dhr. [naam 2] enig aandeelhouder en bestuurder is.

[naam 1] en [gedaagde sub 2] waren tot eind 2016 ook bestuurders van [bedrijfsnaam 1] .

2.3.

Op 8 november 2016 hebben (onder meer) [bedrijfsnaam 2] , [bedrijfsnaam 4] , Beheermaatschappij, [gedaagde sub 1] en [bedrijfsnaam 1] een vaststellingsovereenkomst gesloten (‘de VSO’), die strekte tot integrale ontvlechting van de betrokkenheid van [bedrijfsnaam 2] en [naam 1] bij [gedaagde sub 1] en [bedrijfsnaam 1] . In de VSO is overeengekomen dat [bedrijfsnaam 2] haar aandelen in [gedaagde sub 1] overdraagt aan [bedrijfsnaam 3] en dat [bedrijfsnaam 2] en [naam 1] terugtreden als bestuurder van respectievelijk [gedaagde sub 1] en [bedrijfsnaam 1] . Ook bevatte de VSO een financiële afwikkelingsregeling. Hierover is in artikel 7 van de VSO onder meer het volgende opgenomen:

“7. Achtergestelde lening en borgstelling

7.1.

[bedrijfsnaam 2] heeft een achtergestelde lening verstrekt aan de Vennootschap ( [gedaagde sub 1] , rechtbank).

7.2

De vennootschap en/of [bedrijfsnaam 1] hebben vorderingen op [bedrijfsnaam 2] en/of de heer [naam 1] uit één of meer rekening-courant verhoudingen.

7.3

Partijen salderen de achtergestelde lening en de vorderingen uit rekening-courant verhoudingen met elkaar en stellen door ondertekening dezes vast dat per saldo, na verrekening met schulden van de heer [naam 1] en/of [bedrijfsnaam 2] aan de vennootschap en/of [bedrijfsnaam 1] uit rekening-courant verhoudingen, de vennootschap EUR 42.000,00 verschuldigd is aan [bedrijfsnaam 2] .

(…).

7.5

Partijen onderkennen dat de schuld van de vennootschap aan [bedrijfsnaam 2] achtergesteld is ten opzichte van schulden van de vennootschap en/of [bedrijfsnaam 1] aan de bank. Partijen onderkennen dat van voldoening geen sprake kan zijn zolang de bank daaraan niet meewerkt.

7.6

Partijen onderkennen dat over het jaar 2016 nog een rentevergoeding over de achtergestelde lening verschuldigd is van EUR 2.500,00. Deze zal per ultimo 2016 bij de achtergestelde lening worden opgeteld of, ter keuze van de vennootschap, worden betaald. Over het saldo van de achtergestelde lening zoals bij deze overeenkomst vastgesteld, is voorts een rente verschuldigd van 5% op jaarbasis. Deze wordt, naar keuze van de vennootschap, bij de schuld opgeteld of uitbetaald.

7.7.

[bedrijfsnaam 2] en/of de heer [naam 1] zijn voorts via één of meer borgstellingen en/of hoofdelijkheden mede verbonden jegens de bank voor de schulden van de vennootschap en/of [bedrijfsnaam 1] . Partijen onderkennen dat van het vervallen daarvan geen sprake kan zijn zolang de bank daaraan niet meewerkt.

7.8.

De vennootschap zal zich inspannen om van de bank toestemming te verkrijgen tot aflossing van de achtergestelde lening en instemming te verkrijgen met het opheffen van de borgstellingen/hoofdelijkheden die rusten op de heer [naam 1] en/of [bedrijfsnaam 2] . (…)

7.9.

De vennootschap zal hiertoe een actieve houding aannemen en de bank benaderen, zowel schriftelijk als mondeling via besprekingen, telefoongesprekken e.d. doch één en ander steeds zodanig dat de continuïteit in de (financierings)relatie met de bank en de continuïteit van de onderneming van de vennootschap en/of [bedrijfsnaam 1] niet in gevaar komt.

7.10

De vennootschap houdt de heer [naam 1] op de hoogte van de ontwikkelingen omtrent het hierboven sub 7.8 en 7.9 bepaalde en de heer [naam 1] zal naar één en ander ook actief informeren als hij aan informatie behoefte heeft.

7.1

Indien de bank toestemming geeft voor (gedeeltelijke) aflossing van de achtergestelde lening of indien de schulden aan de bank zijn afgelost zodat kan worden toegekomen aan aflossing van de achtergestelde lening, zal de vennootschap de schuld aan [bedrijfsnaam 2] afbetalen volgens een betalingsschema dat rekening houdt met de liquiditeitspositie van de vennootschap en [bedrijfsnaam 1] . Aflossing mag er nimmer toe leiden dat de vennootschap en/of [bedrijfsnaam 1] aan de gebruikelijke verplichtingen samenhangend met hun activiteiten, niet kunnen voldoen. Zolang aan die voorwaarde wordt voldaan, zal aflossing van de schuld van de vennootschap aan [bedrijfsnaam 2] voortvarend plaatsvinden.”

2.4.

In een e-mail van 30 september 2021 heeft [naam 1] onder meer het volgende aan [gedaagde sub 2] geschreven:

“(…) Graag zou ik willen weten of de achterstelling en de borgstelling inmiddels zijn opgeheven, zodat met een terugbetaling kan worden gestart. Daarbij meld ik je alvast dat ik recent in gesprek met de bank heb vernomen dat de achterstelling en borg reeds zijn vervallen, graag dus de bevestiging hiervan. (…)”

2.5.

Op 2 februari 2022 hebben [naam 1] en [gedaagde sub 2] in een Teams-overleg afspraken gemaakt over een afbetalingsregeling met betrekking tot de schuld van [gedaagde sub 1] (‘de Betalingsregeling’). De regeling is per Whatsapp bevestigd. Hierin zijn de afspraken als volgt weergegeven:

“Afspraken gemaakt in teamsoverleg op woensdag 2 februari 2022

  • [naam 2] en [gedaagde sub 1] geven een toelichting op de afgelopen jaren waarbij door diverse oorzaken de inloscapaciteit

  • [gedaagde sub 1] ziet op dit moment geen mogelijkheden om aan het retourbetalingsvoorstel wat Aart in december heeft gedaan te kunnen voldoen.

  • [gedaagde sub 1] zijn aanbod is een onvoorwaardelijke wekelijkse betaling van € 125 voor de 48 resterende weken van 2022. Daarnaast in september een volledige rentebetaling van € 2500. En na enige onderhandeling wordt afgesproken dit geheel aan te vullen met een extra betaling in 2022 ( te betalen voor 31/12) van € 1500 zodat er in 2022 totaal € 10.000 wordt betaald. Al het bovenstaande is onvoorwaardelijk!

  • Voor het begin van 2023 wordt een nieuwe afspraak gemaakt om de terugbetaling voor 2023 af te spreken. Hierbij heeft Aart aangegeven naar een afspraak te willen waarbij de gehele lening plus rente in totaal maximaal 3 jaar vanaf nu wordt ingelost. [gedaagde sub 1] begrijpt dit maar kan en wil zich nu niet vastpinnen op de terugbetalingsmogelijkheden voor 2023. De intentie om aan de wens van Aart te voldoen in wel uitgesproken, tijdens het hiervoor bedoelde overleg eind 2022 zal dit verder concreet worden gemaakt.”

2.6.

Na het treffen van de Betalingsregeling is (over heel 2022) in totaal een bedrag van € 8.000 aan [bedrijfsnaam 2] betaald.

2.7.

Met ingang van 13 december 2022 is [bedrijfsnaam 1] (inmiddels genaamd: [bedrijfsnaam 5] B.V.) in staat van faillissement verklaard.

2.8.

Op 26 december 2023 heeft [bedrijfsnaam 2] [gedaagde sub 1] gesommeerd om een bedrag van € 49.776,83 te betalen ter voldoening van de lening van € 42.000, vermeerderd met rente en kosten.

2.9.

Op 15 november 2024 heeft [bedrijfsnaam 2] opnieuw een sommatiebrief verstuurd. Hierin werd een totaalbedrag van € 52.144,13 gevorderd, inclusief lopende rente en een bedrag van € 1.587,62 aan buitengerechtelijke incassokosten.

2.10.

Bij akte van 21 november 2025 heeft [bedrijfsnaam 2] haar vorderingen op [gedaagde sub 1] (waaronder begrepen de hoofdsom van € 42.000, de daarover verschuldigde rente en buitengerechtelijke incassokosten) aan Madervisie gecedeerd. In dezelfde akte van cessie zijn ook alle vorderingen van [bedrijfsnaam 2] op [gedaagde sub 2] in privé (uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid) aan Madervisie overgedragen.

3 Het geschil

3.1.

Madervisie vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde sub 2] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 56.907,33, te vermeerderen met (handels)rente en kosten.

3.2.

Ten aanzien van de vordering op [gedaagde sub 1] stelt Madervisie dat zij (na cessie) uit hoofde van de VSO een opeisbare vordering tot betaling van € 42.000, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten, op [gedaagde sub 1] heeft.

De vordering op [gedaagde sub 2] is gebaseerd op onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Madervisie stelt dat [gedaagde sub 2] ten tijde van het aangaan van de Betalingsregeling, die als nieuwe overeenkomst heeft te gelden, wist dat [gedaagde sub 1] de betalingsverplichtingen die zij op dat moment aanging niet zou kunnen nakomen en dat Draaijer Holding als gevolg hiervan schade zou lijden, bestaande uit de niet betaalde hoofdsom plus rente. Als bestuurder is [gedaagde sub 2] op grond van artikel 6:162 BW hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden uit hoofde van de Betalingsregeling, aldus Madervisie.

3.3.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren verweer, dat primair strekt tot integrale afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Madervisie in de proceskosten. Subsidiair wordt het standpunt ingenomen dat alleen de vordering ten opzichte van [gedaagde sub 1] toewijsbaar is, maar niet voor zover wettelijke handelsrente, samengestelde rente per kwartaal en buitengerechtelijke incassokosten worden gevorderd.

3.4.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, verder ingegaan.

4 De beoordeling

Ten aanzien van [gedaagde sub 1]

4.1.

Namens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is ter zitting bevestigd dat de rechtsgeldigheid van de cessie niet (langer) wordt betwist. Uitgangspunt daarmee is dat alle vorderingen van

[bedrijfsnaam 2] op [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] inmiddels rechtsgeldig aan Madervisie zijn overgedragen.

4.2.

Ten aanzien van de vordering van Madervisie op [gedaagde sub 1] overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 7.3 van de VSO is [gedaagde sub 1] , na verrekening met eigen vorderingen uit rekening-courant, uit hoofde van een achtergestelde lening nog een bedrag van per saldo € 42.000 aan [bedrijfsnaam 2] verschuldigd. Op grond van artikel 7.6 van de VSO is over 2016 nog een rentevergoeding van € 2.500 verschuldigd, die bij het saldo van € 42.000 is opgeteld. Uit artikel 7.6 volgt ook dat vanaf 1 januari 2017 over het saldo van de achtergestelde lening vervolgens een rente van 5% op jaarbasis is verschuldigd.

4.3.

Verder volgt uit artikel 7.5 van de VSO dat de achtergestelde lening aan [bedrijfsnaam 2] pas hoeft te worden voldaan nadat de bank toestemming voor de aflossing van de lening heeft gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank hoeft niet verder te worden besproken in hoeverre [gedaagde sub 1] heeft voldaan aan haar inspanningsverplichting om de toestemming van de bank te krijgen en de borgstelling van [bedrijfsnaam 2] te laten vervallen. Madervisie heeft ter zitting gesteld de bank in elk geval in 2021 (mondeling) tegen [naam 1] heeft gezegd dat de achterstelling en de borg waren vervallen. [naam 1] heeft dit per e-mail van 30 september 2021 aan [gedaagde sub 2] doorgegeven en [gedaagde sub 2] gevraagd dit te bevestigen. [gedaagde sub 2] heeft niet gemotiveerd weersproken dat er inderdaad in september 2021 al toestemming van de bank was om de achterstelling en de borg te laten vervallen. Dit staat daarmee tussen partijen vast.

4.4.

[gedaagde sub 1] heeft nog aangevoerd dat de banktoestemming nog niet zonder meer betekent dat de gehele hoofdsom van de lening integraal opeisbaar is, omdat de schuld op grond van artikel 7.11 van de VSO moet worden afbetaald volgens een betalingsschema dat rekening houdt met de liquiditeitspositie van [gedaagde sub 1] en [bedrijfsnaam 1] . Dit verweer slaagt niet. Uit de tweede volzin van artikel 7.11 volgt dat de bedoeling van de afgesproken proportionele afbetalingsregeling was dat aflossing van de schuld aan [bedrijfsnaam 2] er niet toe mocht leiden dat [gedaagde sub 1] en [bedrijfsnaam 1] niet konden voldoen aan de gebruikelijke verplichtingen die samenhingen met hun bedrijfsactiviteiten. [bedrijfsnaam 1] is echter op 13 december 2022 failliet gegaan en [gedaagde sub 2] heeft ter zitting niet (voldoende) weersproken gesteld dat [bedrijfsnaam 1] de enige werkmaatschappij van [gedaagde sub 1] was, zodat ook [gedaagde sub 1] sinds het faillissement van [bedrijfsnaam 1] feitelijk geen bedrijfsactiviteiten meer heeft. Met het faillissement van [bedrijfsnaam 1] heeft artikel 7.11 dan ook haar betekenis verloren. Tot uitgangspunt kan dan ook worden genomen dat, wat verder ook zij van de periode vóór het faillissement, de vordering van [bedrijfsnaam 2] op [gedaagde sub 1] in elk geval vanaf 13 december 2022 volledig opeisbaar is geworden.

4.5.

Anders dan [gedaagde sub 1] betoogt, is deze vordering niet verjaard, ook niet voor een deel. Een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot betaling van een geldsom verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op de dag waarop de vordering opeisbaar is geworden (artikel 3:307, lid 1 BW). Uit de eigen stellingen van [gedaagde sub 1] volgt dat de vordering pas opeisbaar werd nadat de bank toestemming voor de aflossing had gegeven. Madervisie heeft aangevoerd dat die toestemming er elk geval in september 2021 was. Indien [gedaagde sub 1] in het kader van haar beroep op verjaring van een eerdere dag van opeisbaarheid uitgaat, ligt het op haar weg om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de bank al vóór september 2021 de achterstelling en borgstelling had laten vervallen. Hierover heeft [gedaagde sub 1] echter niets concreets gesteld. [gedaagde sub 1] heeft daarmee geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat de vordering is verjaard, aangezien de eis in deze procedure op 9 januari 2026 (en daarmee binnen vijf jaren na september 2021) is ingesteld (artikel 3:316, lid 1 BW). Ook de rentetermijnen verjaren pas binnen vijf jaren na het opeisbaar worden (artikel 3:308 BW). Ook hiervoor geldt dat [gedaagde sub 1] tegenover de betwisting niets concreets heeft gesteld waaruit volgt dat enig deel van die rentetermijnen inmiddels is verjaard.

4.6.

Wel slagen enkele verweren die [gedaagde sub 1] heeft gevoerd ten aanzien van de berekening van de rente. [bedrijfsnaam 2] en Madervisie lijken vanaf 1 januari 2017 de rente per kwartaal te hebben berekend, en die verschuldigde rente per kwartaal bij het saldo op te tellen. De rechtbank wijst bijvoorbeeld op de berekening van de uitstaande vordering die als bijlage bij de brief van [bedrijfsnaam 2] van 15 november 2024 is opgenomen (productie 9 bij dagvaarding). [gedaagde sub 1] wijst er terecht op dat partijen geen samengestelde rente per kwartaal zijn overeengekomen. In artikel 7.6 staat dat over het saldo van de lening een rente van 5% op jaarbasis wordt gerekend en dat [gedaagde sub 1] mocht kiezen tussen uitbetaling of optelling bij de schuld. Voor een juiste berekening van de vordering van Madervisie moet dan ook worden uitgegaan van een rente van 5% per jaar over de schuld, die jaarlijks (op 1 januari) bij de schuld wordt opgeteld (en niet driemaandelijks).

4.7.

Madervisie heeft daarnaast vanaf 1 januari 2024 in plaats van de contractuele rente van 5% de wettelijke handelsrente gerekend. Madervisie heeft ter zitting toegelicht dat vanaf toen deze (hogere) handelsrente verschuldigd was, omdat [gedaagde sub 1] in verzuim was. Dat [gedaagde sub 1] met ingang van 1 januari 2024 in verzuim was met de voldoening van de vordering, is niet betwist. Uit artikel 6:119, lid 1 BW volgt dat vanaf het verzuim de wettelijke rente is verschuldigd. Hoewel de wet daarover niets nadrukkelijk bepaalt, kan uit het eerste en derde lid van artikel 6:119 BW worden afgeleid dat bedongen contractuele rente vanaf het moment van verzuim wordt vervangen door de wettelijke rente, als die hoger is.1 De rechtbank ziet er onvoldoende aanknopingspunten voor dat Madervisie aanspraak heeft op wettelijke handelsrente. Er was geen sprake van levering van een goed of dienst om baat, maar van aflossing van een openstaand restsaldo uit een achtergestelde lening. Madervisie heeft niet nader onderbouwd waarom hier sprake is van een handelsovereenkomst. Wel is [gedaagde sub 1] vanaf 1 januari 2024 in plaats van de contractuele rente van 5% de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) verschuldigd, als deze hoger is. Indien de wettelijke rente over een bepaalde periode lager is dan 5% per jaar, blijft die contractuele rente gelden (zie artikel 6:119 lid 3 BW).

4.8.

De rechtbank wijst dus niet het door Madervisie berekende bedrag van € 53.319,72 aan hoofdsom en rente per april 2025 toe, omdat dit van een onjuiste (rente)berekening uitgaat. De rechtbank wijst in plaats daarvan een bedrag toe van € 42.000 aan hoofdsom, vermeerderd met (i) € 2.500 aan rente over 2016, (ii) een rente van 5% op jaarbasis, gerekend vanaf 1 januari 2017 tot en met 31 december 2023 (waarvan de niet betaalde rente telkens na afloop van het jaar bij het openstaande saldo wordt opgeteld) en (iii) de wettelijke rente van artikel 6:119 BW over het openstaande saldo vanaf 1 januari 2024 (voor het geval die rente hoger is dan de anders verschuldigde contractuele rente), te rekenen tot aan de dag van volledige betaling. Ook hierbij wordt de niet betaalde rente na afloop van het jaar bij het openstaande saldo opgeteld (zie ook artikel 6:119 lid 2 BW). Op de voornoemde bedragen moet in mindering worden gebracht hetgeen tot op heden door of namens [gedaagde sub 1] al aan [bedrijfsnaam 2] en Madervisie is betaald ter voldoening van de schuld, waarbij de volgorde van artikel 6:44, lid 1 BW geldt (eerst in mindering op de kosten, dan op verschenen rente, en ten slotte op de hoofdsom en de lopende rente).

4.9.

Madervisie heeft daarnaast voldoende gesteld en onderbouwd dat tot verhaal van de vordering buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht die op grond van artikel 6:96, lid 2, onder c, BW voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank wijst een forfaitaire vergoeding toe, berekend overeenkomstig de staffel van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Bij gebrek aan een correcte renteberekening, gaat de rechtbank als basis voor de berekening uit van de hoofdsom van € 42.000. De vergoeding wordt daarmee begroot op € 1.195. De kosten worden vermeerderd met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) vanaf 1 april 2025.

Ten aanzien van [gedaagde sub 2]

4.10.

De uit de VSO voortvloeiende schuld uit de achtergestelde lening betreft een schuld van de besloten vennootschap [gedaagde sub 1] . In de rechtspraak is aanvaard dat onder omstandigheden ook een bestuurder van een vennootschap aansprakelijk kan zijn voor het onbetaald en onverhaalbaar blijven van een schuld. Voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid geldt een hoge drempel. In het algemeen mag alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Als maatstaf is aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder kan worden aangenomen, wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden (de zogenoemde ‘Beklamel-situatie’).2

4.11.

Daarvan is hier geen sprake. Madervisie stelt [gedaagde sub 2] hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden uit de Betalingsregeling, maar de Betalingsregeling betrof geen nieuwe verbintenis, maar slechts een gedeeltelijke afbetalingsregeling voor een bestaande schuld. De vergelijking met Beklamel gaat reeds daarmee niet op. Bij het afsluiten van de Betalingsregeling is niet overeengekomen dat [gedaagde sub 2] hoofdelijk aansprakelijk is voor het af te betalen bedrag. De rechtbank ziet ook geen gronden waarom [gedaagde sub 2] op grond van bestuursaansprakelijkheid hoofdelijk aansprakelijk moet worden gehouden. Waar het op neerkomt is dat [gedaagde sub 2] in februari 2022 namens [gedaagde sub 1] een afbetalingsregeling van € 10.000 voor het komende jaar is overeengekomen, waarvan uiteindelijk aan het einde van het jaar – na het faillissement van [bedrijfsnaam 1] – maar € 8.000 was betaald. Dit alles gebeurde in een situatie waarin, naar beide partijen bekend was, de liquiditeit van [gedaagde sub 1] beperkt was. Madervisie heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat [gedaagde sub 2] bij het aangaan van de betalingsregeling al wist en voorzag dat deze regeling aan het einde van het jaar niet volledig zou worden nagekomen. Er zijn ook geen andere feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat [gedaagde sub 2] hier als bestuurder van [gedaagde sub 1] een persoonlijk ernstig verwijt valt te maken ten aanzien van het onbetaald en onverhaalbaar blijven van het restant van de schuld. De vordering ten aanzien van [gedaagde sub 1] wordt dus afgewezen.

Proceskosten

4.12.

Ten aanzien van de proceskosten bepaalt de rechtbank als volgt. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij wordt [gedaagde sub 1] veroordeeld in de proceskosten aan de kant van Madervisie, begroot op € 5.980,65 (€ 128,65 aan dagvaardingskosten, € 3.083 aan griffierecht, € 2.580 (2,0 punten x liquidatietarief tarief IV € 1.290) aan salaris advocaat tot op heden en € 189 aan nakosten), plus de kosten bij betekening. De wettelijke rente over de kosten wordt toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

4.13.

Nu de vorderingen ten opzichte van [gedaagde sub 2] volledig zullen worden afgewezen, wordt Madervisie veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde sub 2] , die worden begroot op € 2.990,33 (de helft van het bedrag van € 3.083 aan griffierecht, het salaris advocaat van 2,0 punten x liquidatietarief IV), en € 189 aan nakosten), plus de kosten bij betekening. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling aan Madervisie van een bedrag van € 42.000, te vermeerderen met:

  • € 2.500 aan achterstallige rente over 2016,

  • de contractuele rente van 5% per jaar, te rekenen vanaf 1 januari 2017 over het per

1 januari openstaande saldo tot en met 31 december 2023,

- vanaf 1 januari 2024: de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW of, als de wettelijke rente minder is dan 5% per jaar, de contractuele rente, telkens te rekenen over het per 1 januari openstaande saldo tot en met de dag van volledige betaling;

dit een en ander met aftrek van hetgeen reeds door of namens [gedaagde sub 1] is betaald ter voldoening van de schuld (zie ook r.o. 4.8);

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling aan Madervisie van een bedrag van € 1.195 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) vanaf 1 april 2025 tot aan de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten van Madervisie van € 5.980,65, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe en te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) vanaf 14 dagen na aanschrijving. Als [gedaagde sub 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde sub 1] € 98 extra aan nakosten betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag waarop de proceskosten volledig zijn betaald;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af;

5.5.

veroordeelt Madervisie in de proceskosten van [gedaagde sub 2] van € 2.990,33, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe en te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) vanaf 14 dagen na aanschrijving. Als Madervisie niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Madervisie € 98 extra aan nakosten betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag waarop de proceskosten volledig zijn betaald;

5.6.

verklaart de veroordelingen onder 5.1, 5.2, 5.3 en 5.5 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Schueler en in het openbaar uitgesproken op

7 oktober 2026.

Type: 2431

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »