RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 23/4223, SGR 24/24 en SGR 24/25
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2026 in de zaken tussen
de erven van [erflaatster] , uit Den Haag, eiseres
(gemachtigde: mr. H.S. Huisman),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. B.M. de Wolff).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de weigering door het Uwv van de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Wet WIA (SGR 23/4223), drie besluiten waarin aan eiseres is medegedeeld dat zij vanaf 5 april 2023, 21 juni 2023 en 29 juni 2023 geen recht (meer) heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) (SGR 24/24) en om terugvordering van een voorschot van € 1.056,40 op de ZW-uitkering (SGR 24/25). De erven betogen dat de besluiten onjuist zijn.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de erven niet-ontvankelijk zijn in de zaak die ziet op de terugvordering (SGR 24/25). Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat het Uwv terecht de aanvraag om een WIA-uitkering heeft afgewezen en heeft beslist dat eiseres geen recht (meer) heeft op een ZW-uitkering. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
SGR 23/4223
2. Bij besluit van 22 juni 2022 heeft het Uwv de aanvraag van eiseres om een WIA-uitkering afgewezen.
Bij besluit van 2 mei 2023 heeft het Uwv de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 22 juni 2022 ongegrond verklaard (bestreden besluit I).
SGR 24/24
Bij besluiten van 3 april 2023, 20 juni 2023 en 14 augustus 2023 is aan eiseres medegedeeld dat zij vanaf 5 april 2023, 21 juni 2023 en 29 juni 2023 geen recht (meer) heeft op een ZW-uitkering.
Bij besluit van 22 november 2023 heeft het Uwv de bezwaren van eiseres tegen de besluiten van 3 april 2023, 20 juni 2023 en 14 augustus 2023 ongegrond verklaard (bestreden besluit II).
SGR 24/25
Bij besluit van 18 augustus 2023 heeft het Uwv aan eiseres medegedeeld dat zij over de periode van 3 juli 2023 tot en met 31 juli 2023 ten onrechte een voorschot van
€ 1.056,40 op haar ZW-uitkering heeft ontvangen en dat dit terugbetaald moet worden.
Bij besluit van 22 november 2023 heeft het Uwv de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 18 augustus 2023 ongegrond verklaard (bestreden besluit III).
In alle zaken
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten I tot en met III.
Het Uwv heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 22 april 2024 op zitting behandeld.
Eiseres is op 20 januari 2025 overleden. Op 20 september 2025 is namens de erfgenamen [erfgenaam 1] , [erfgenaam 2] en [erfgenaam 3] kenbaar gemaakt dat zij de procedures wensen voort te zetten.
Op 8 september 2026 heeft een nadere zitting plaatsgevonden. De erfgenamen [erfgenaam 1] en [erfgenaam 2] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Feiten en omstandigheden
3. Eiseres is laatstelijk werkzaam geweest als schoonmaakster voor Hotel Cleaning Company B.V. (ex-werkgeefster) voor gemiddeld 21,77 uur per week. Op 29 oktober 2019 heeft eiseres zich ziekgemeld vanwege pijnklachten als gevolg van een bedrijfsongeval.
Op 2 augustus 2021 heeft eiseres een WIA-uitkering aangevraagd.
Bij besluit van 22 juni 2022 is de aanvraag van eiseres om een WIA-uitkering per 26 maart 2022 afgewezen, omdat eiseres voor minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. De primaire verzekeringsarts heeft in de rapportage van 14 april 2022 geconcludeerd dat eiseres fysiek en mentaal verminderd belastbaar is. De beperkingen zijn opgenomen in de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 14 april 2022.
De primaire arbeidsdeskundige heeft eiseres in de rapportage van 16 juni 2022 geschikt geacht voor de functies productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), productiemedewerker confectie (SBC-code 272042), telefonist (SBC-code 315174), productiemedewerker industrie (SBC-code 272043) en telefonisch verkoper (SBC-code 315173) en het arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld op 12,72%.
Per 11 juli 2022 is aan eiseres een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend.
Op 30 januari 2023 heeft eiseres zich per 7 november 2022 ziekgemeld vanuit haar toenmalige WW-uitkering. In het kader van de ZW-beoordeling zijn de bij de WIA-beoordeling geduide functies als het eigen werk beschouwd. Eiseres heeft een ZW-uitkering ontvangen vanaf 6 februari 2023 tot en met 4 april 2023. Op 19 april 2023 heeft eiseres zich wederom ziekgemeld en een ZW-uitkering ontvangen vanaf 19 april 2023 tot en met 20 juni 2023. Op 29 juni 2023 heeft eiseres zich voor de derde keer ziekgemeld. De primaire verzekeringsarts heeft in de rapportages van 2 april 2023, 20 juni 2023 en 14 augustus 2023 vastgesteld dat eiseres per 5 april 2023, 21 juni 2023 en 29 juni 2023 geschikt was voor de geduide functies/haar eigen werk. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich aangesloten bij het standpunt van de primaire verzekeringsarts. Gelet op het voorgaande heeft het Uwv besloten dat eiseres vanaf 5 april 2023, 21 juni 2023 en 29 juni 2023 geen recht (meer) heeft op een ZW-uitkering. Het Uwv heeft ook aan eiseres medegedeeld dat ten onrechte een voorschot op een ZW-uitkering is verstrekt voor de periode van 3 juli 2023 tot en met 31 juli 2023.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep sluit zich in de rapportage van 26 april 2023 aan bij de conclusies van de primaire arbeidsdeskundige.
Ter zitting van 22 april 2024 en 8 september 2026 zijn de beroepsgronden met betrekking tot de door eiseres aangevoerde klachten besproken.
Gronden van eiseres
4. Eiseres betoogt dat vanwege haar klachten meer beperkingen moeten worden aangenomen voor met name fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen, statische handelingen en werkuren. Verder had het gebruik van medicatie tot een beperking moeten leiden voor werk met een verhoogd persoonlijk risico. Volgens eiseres is er sprake van een complex beeld van mentale en fysieke klachten, waarmee onvoldoende rekening is gehouden. Behandeling van haar klachten heeft eiseres niet kunnen baten. Eiseres is niet in staat om grip te krijgen op haar klachten en meer activiteiten te ondernemen. Eiseres wijst erop dat in de nota van toelichting op het Schattingsbesluit wordt vermeld dat ziekte en gebrek aan de orde zijn indien betrokkene op zijn gedrag geen greep meer krijgt. Verder wordt volgens eiseres ten onrechte een referteperiode van een jaar gehanteerd. Tot slot zijn de door de primaire arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet geschikt in verband met de lichamelijke beperkingen en de beperkte taalvaardigheden van eiseres.
Standpunt van verweerder
5. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat de klachten van eiseres geen aanleiding zijn om meer beperkingen aan te nemen. In de FML van 14 april 2022 is uitgebreid rekening gehouden met zowel de psychische als lichamelijke klachten van eiseres. Ook is er een urenbeperking van 20 uur per week aangenomen. De verzekeringsartsen hebben de brief van de longarts [longarts] van het HagaZiekenhuis van 1 maart 2023, de brief van de
reumatoloog [reumatoloog] van het Haga Ziekenhuis van 26 januari 2023, de brief van
GZ-psycholoog [psycholoog] van GGZ Delfland van 23 december 2022 en de brief van de orthopeed [orthopeed] van 10 maart 2023 betrokken bij de WIA-beoordeling en de drie Ziektewet-beoordelingen.
Beoordeling door de rechtbank
6. Eiseres heeft geen toestemming verleend voor het toezenden van stukken aan ex-werkgeefster die medische gegevens bevatten. Om die reden kan de rechtbank in deze uitspraak die medische stukken niet inhoudelijk weergeven. De rechtbank zal in deze uitspraak de medische klachten van eiseres daarom slechts in algemene zin benoemen.
7. De voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving is vermeld in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
8. De rechtbank stelt vast dat eiseres is overleden op 20 januari 2025.
9. De rechtbank stelt vast dat [erfgenaam 1] , [erfgenaam 2] en [erfgenaam 3] zich als erven hebben gemeld. De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat zij allen erfgenamen zijn. [erfgenaam 1] heeft ter zitting medegedeeld dat hij in 2024 met wijlen eiseres is getrouwd.
10. Ter zitting van 8 september 2026 hebben de erven medegedeeld dat zij de erfenis benificiair hebben aanvaard.
SGR 24/25
11. Het Uwv heeft ter zitting verklaard dat de terugvordering van het ZW-voorschot is afgeboekt. Van terugvordering is daarom geen sprake meer, zodat de erven thans niet meer ontvankelijk zijn in deze zaak.
SGR 23/4223 en SGR 24/24
12. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv terecht geen aanleiding heeft gezien om vanwege de klachten van eiseres meer beperkingen aan te nemen. Eiseres heeft weliswaar gesteld dat de verzekeringsartsen haar belastbaarheid hebben overschat, maar zij heeft geen medische informatie overgelegd die steun biedt aan deze stelling. Een klacht kan op grond van de wet- en regelgeving pas mee worden genomen indien zij kan worden vertaald in een beperking die (voldoende) steun vindt in objectieve medische gegevens. De rechtbank is met het Uwv van oordeel dat medische gegevens ontbreken die het aannemen van meer beperkingen dan door de verzekeringsartsen aangegeven rechtvaardigen. De door eiseres ingebrachte medische informatie bevestigt dat zij geconfronteerd wordt met diverse klachten, maar die klachten zijn door de verzekeringsartsen ook onderkend. Uit de ingebrachte medische informatie blijkt niet dat deze klachten leiden tot meer of andere beperkingen aan de belastbaarheid van eiseres dan waarvan de verzekeringsartsen van het Uwv zijn uitgegaan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 21 november 2023 geconcludeerd dat sprake is van een ongewijzigd medisch beeld ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling en ziet daarom geen aanleiding om aanvullende beperkingen aan te nemen. De belastbaarheid van eiseres wordt in de geduide functies niet overschreden. De geselecteerde functies zijn relatief eenvoudige functies zonder hoge werkdruk met weinig directe klantcontacten en zij zijn fysiek niet eenzijdig zwaar belastend. Met een beperking voor werk met een verhoogd persoonlijk risico is reeds rekening gehouden bij de WIA-beoordeling. Door de urenbeperking van 4 uur per dag en 20 uur per week is er voldoende mogelijkheid tot recuperatie. Eiseres heeft onvoldoende gemotiveerd dat maximaal sprake kan zijn van een urenbeperking van twee uur per dag.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de beroepsgrond dat de klachten zijn geobjectiveerd omdat eiseres niet in staat is om grip te krijgen op haar klachten en meer activiteiten te ondernemen als volgt. In de nota van toelichting1 op het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten wordt het volgende vermeld:
“Met name bij de beoordeling van psychische klachten speelt nog de vraag waar men de scheidslijn moet trekken tussen verschijnselen die als ziekte of gebrek moeten worden beschouwd en verschijnselen van onwelbevinden die niet voor deze kwalificatie in aanmerking komen. In het algemeen kan worden gesteld dat karaktertrekken en eigenaardigheden niet als ziekte of gebrek moeten worden beschouwd, maar dat ziekte en gebrek wel aan de orde zijn, indien betrokkene op zijn gedrag geen greep meer krijgt. In de zin van dit besluit nemen zij dan het karakter aan van stoornissen. Indien er ook beperkingen en handicaps worden vastgesteld, kan er sprake zijn van ongeschiktheid als uiting van ziekte.
Het feit dat de ongeschiktheid het gevolg moet zijn van ziekte, met andere woorden, dat de ziekte de ongeschiktheid moet hebben veroorzaakt, betekent niet dat de verzekeringsarts in alle gevallen ook de oorzaak van de klachten of de ziekte zou moeten aantonen.
Met betrekking tot de bewijsvoering van het begrip «ongeschiktheid tot werken wegens ziekte» kan het volgende afgeleid worden uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. De Centrale Raad van Beroep heeft herhaaldelijk te kennen gegeven dat het niet altijd nodig is een somatische of psychische oorzaak van klachten aan te tonen. Het onderzoek dient gericht te zijn op het objectiveren van de gestelde klachten als uiting of een gevolg van een somatisch of psychiatrisch ziek zijn, dan wel een combinatie van beide, waarbij niet altijd exact valt aan te geven aan welke ziekte de klachten zijn toe te schrijven (RSV 1996/161, 1997/32). Voor de inhoud van het Schattingsbesluit zijn twee zaken die uit deze uitspraken kunnen worden afgeleid van essentieel belang.
Ten eerste dat, gegeven een bepaalde diagnose, altijd nog de beperkingen en handicaps dienen te worden vastgesteld. Een diagnose verschaft immers op zichzelf geen recht op uitkering. De diagnose maakt de klachten en beperkingen voor de verzekeringsarts gemakkelijk herkenbaar. Het is derhalve een belangrijk hulpmiddel voor de arts, maar geen doel op zichzelf. Het ontbreken van een exacte diagnose ontheft de arts echter niet van de verplichting de stoornissen, beperkingen en handicaps vast te stellen.
Een tweede afgeleide uit deze uitspraken is, dat indien het niet mogelijk is lichamelijke of psychische oorzaken precies te meten, dat niet in alle gevallen betekent dat er daarom geen stoornissen, beperkingen en handicaps bestaan. Van belang is of hun bestaan aannemelijk is te achten en in hoeverre daarmee ongeschiktheid als gevolg van ziekte optreedt (onderstreping door rechtbank). De Centrale Raad van Beroep stelt dat «waar in bijzondere gevallen bij – onafhankelijke – medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat ongeschiktheid tot werken voldoende aannemelijk is, ook al is niet steeds geheel en al duidelijk aan welke ziekte of gebrek precies die ongeschiktheid valt toe te schrijven of al verschillen zij tot op zekere hoogte omtrent het antwoord op die vraag, een toerekende objectieve vaststelling van die ongeschiktheid alsdan niet zonder meer geheel valt uit te sluiten». Waar het dan om gaat, is dat meerdere deskundigen tot dezelfde opvatting komen (onderstreping door rechtbank). Ook in meer recente rechtspraak heeft de Centrale Raad van Beroep een «ongedifferentieerde» stoornis geaccepteerd als ziekte, hoewel de geraadpleegde medische deskundige erkende dat het ontstaan en oorzaak van de afwijking (nog) niet bekend zijn. In een uitspraak van 6 oktober 1998 gaf de Raad aan: «het moge zo zijn dat elk van de klachten van betrokkene op zich niet als ziekte of gebrek valt aan te merken, ... dit niet uitsluit dat de combinatie van deze verschijnselen moet worden afgeleid dat sprake is van beperkingen op grond van ziekte of gebrek».
Dit betekent uiteraard niet dat de medisch deskundige zich uitsluitend op de klachten van de betrokkene mag baseren. In zijn uitspraak van 20 oktober 1998 (RSV 1999,7) kwam de Raad tot de conclusie dat waar deskundigen hun conclusie uitsluitend baseren op de door betrokkene verwoorde gezondheidsklachten, zij «om die reden geen toereikende motivering van hun oordeel hebben gegeven, zodat een beroep op een uitzonderingsgeval als bedoeld in RSV 1996/161 niet kan slagen».
Resumerend kunnen wij het volgende zeggen over de relatie tussen diagnose en het objectief kunnen vaststellen van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte. Uitgangspunt is het wettelijk kader dat zowel het aanwezig zijn van ziekte of gebrek vereist alsmede een causale relatie met het verlies aan verdiencapaciteit. De verzekeringsarts onderzoekt of er feitelijk stoornissen, beperkingen en handicaps bestaan in een consistent geheel, waarbij het kunnen aangeven van de oorzaak voor de ziekte of de diagnose een belangrijke bouwsteen vormt voor de oordeelsvorming. Het afwijzen van een WAO-aanvraag uitsluitend op grond van het ontbreken van een diagnose of het niet aantoonbaar zijn van een ziekteverwekker is echter evenzeer onjuist als het toekennen van een uitkering alleen omdat wel een diagnose of ziekteverwekker is gevonden. In gevallen waar de medische oorzaken van de beperkingen niet goed kunnen worden vastgesteld, moeten wel extra eisen gesteld worden aan het in kaart brengen van de klachten en beperkingen van betrokkene. Op die manier wordt aan het objectiveringsvereiste voldaan, aangezien de subjectieve beleving van betrokkene ten aanzien van zijn beperkingen alléén uiteraard niet voldoende is voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid.”
Uit bovenstaande passages uit de nota van toelichting op het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten volgt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake moet zijn van aannemelijkheid om de gestelde beperkingen op te nemen in de FML. De rechtbank is van oordeel dat wat eiseres aanvoert met betrekking tot het niet in staat zijn om grip te krijgen op de klachten onvoldoende is om te concluderen dat het bestaan van de door eiseres gestelde beperkingen voldoende aannemelijk is. Eiseres heeft ook geen medische informatie overgelegd dat een onafhankelijk medisch deskundige, laat staan meerdere deskundigen, deze mening is toegedaan.
Referteperiode
13. Eiseres stelt onder verwijzing naar artikel 7a van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, dat het onredelijk is om uit te gaan van de referteperiode van een jaar, dat wil zeggen om uit te gaan van de inkomsten die eiseres in die gehele periode heeft verdiend. Volgens eiseres moeten aangiftetijdvakken waarin geen sprake was van maatgevende arbeid niet worden meegenomen in het aantal uren. Niet kan worden gesteld dat er sprake was van het standaard werken in wisselende uren.
De rechtbank is van oordeel dat het Uwv terecht is uitgegaan van een referteperiode van een jaar. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 26 april 2023 toegelicht waarom alle loontijdvakken zijn meegenomen in de berekening van de maatmangegevens. Voor werknemers met een arbeidscontract op basis van minimale/maximale uren, dus wisselende urenomvang, zoals bij eiseres, houdt werkzaam zijn in de maatgevende arbeid en omvang in dat met alle perioden rekening wordt gehouden die binnen dat arbeidspatroon vallen.
Geduide functies
14. Uitgaande van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde beperkingen ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de geschiktheid van eiseres voor de geduide functies. Eiseres heeft geen stukken overgelegd die aanleiding geven om te twijfelen aan het oordeel van de arbeidsdeskundigen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 26 april 2023 toegelicht dat de opleidingseis voor de functie ‘productiemedewerker industrie’ niet in de weg staat aan het uitoefenen door eiseres van deze functie. Voor deze functie geldt slechts de eis dat de basisschool moet zijn afgerond en is het spreken van Engels geen vereiste. Verder is in de FML geen beperking opgenomen ten aanzien van het gehoor, zodat wat eisers heeft aangevoerd met betrekking tot omgevingsgeluiden niet relevant is. Tot slot wordt deze functie grotendeels zittend uitgevoerd, zodat afwisseling van houding niet nodig is. Voor de functie ‘productiemedewerker confectie’ geldt dat het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) op het belastingaspect trappenlopen geen signalering heeft gegeven, zodat geen sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van eiseres. Daar komt bij dat trappenlopen niet voorkomt tijdens de taakuitvoering, maar slechts bij aanvang en einde van het dienstverband. In deze functie geeft het CBBS ook geen signalering ten aanzien van het belastingaspect ‘boven schouderhoogte actief zijn’. Eiseres hoeft in deze functie tijdens vier werkuren slechts tien keer maximaal vijf seconden boven schouderhoogte actief te zijn, terwijl zij wordt geacht om maximaal vijf minuten per uur één minuut achtereen boven schouderhoogte actief te kunnen zijn. Wat eisers heeft aangevoerd in het kader van de functie ‘telefonisch verkoper’ met betrekking tot omgevingsgeluiden kan haar niet baten, omdat, zoals hiervoor overwogen, in de FML geen beperking is opgenomen ten aanzien van het gehoor.
Informatie na data in geding
15. De door eiseres op 9 april 2024 overgelegde informatie van Revalidatiecentrum OCA Haaglanden van 6 oktober 2023 ziet op een onderzoek in het kader van medisch specialistische revalidatie vanaf 22 september 2023. Deze informatie ziet dus op een periode na de data in geding (26 maart 2022, 5 april 2023, 21 juni 2023 en 29 juni 2023). De rechtbank kan deze informatie daarom niet bij de beoordeling betrekken.
Bejegening door het Uwv
16. Namens de erven is op de zitting van 8 september 2026 toegelicht hoe zij de bejegening door het Uwv hebben ervaren, zowel vóór als na het overlijden van eiseres. Zij hebben onder meer aangevoerd dat het Uwv in deze zaken verkeerde beslissingen heeft genomen, dat eiseres in het geheel niet kon werken en dat zij wel degelijk recht had op een volledige WIA-uitkering. De rechtbank heeft in het dossier en op de zittingen geen aanknopingspunten gezien om te denken dat sprake is geweest van onjuiste beslissingen. Evenals de rechtbank kon het Uwv ten tijde van de besluitvorming niet weten dat sprake was van een andere ernstige ziekteoorzaak die mogelijk achteraf gezien klachten had kunnen verklaren. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de namens de erven gegeven toelichting consequenties te verbinden voor de uitkomst van deze beroepszaken.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep met betrekking tot de terugvordering is niet-ontvankelijk.
18. De beroepen met betrekking tot de afwijzing van de WIA-uitkering en de besluiten waarin aan eiseres is medegedeeld dat zij vanaf 5 april 2023, 21 juni 2023 en 29 juni 2023 geen recht (meer) heeft op een ZW-uitkering zijn ongegrond.
19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
SGR 24/25
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
SGR 23/4223 en SGR 24/24
- verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE: WET- EN REGELGEVING
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
Artikel 7a
1. Het maatmaninkomen, bedoeld in artikel 6, eerste en derde lid, artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW en artikel 1 van de Wet WIA, wordt vastgesteld door het loon, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdelen a en b, dat de verzekerde of de jonggehandicapte met de maatgevende arbeid in het refertejaar heeft verdiend te delen door het aantal uren van die maatgevende arbeid in het refertejaar, waarbij het loon geacht wordt te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan.
2. Bij de toepassing van het eerste lid worden het loon verdiend met maatgevende arbeid en het aantal uren van de maatgevende arbeid in volledige aangiftetijdvakken in aanmerking genomen en worden daarbij de aangiftetijdvakken buiten beschouwing gelaten waarin geen sprake is van maatgevende arbeid van de verzekerde of de jonggehandicapte of waarin sprake is van arbeid in een urenomvang die niet maatgevend is.
3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt een andere periode van maximaal één jaar vast waarover het inkomen en het aantal uren van de maatgevende arbeid in aanmerking worden genomen, indien in het refertejaar geen sprake is van maatgevende arbeid of van arbeid van een urenomvang die maatgevend is.
4. Indien de verzekerde of de jonggehandicapte feitelijk geen inkomen heeft verdiend met maatgevende arbeid of arbeid van een urenomvang die maatgevend is, neemt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het inkomen in aanmerking, dat de verzekerde of de jonggehandicapte zou hebben verdiend, indien hij de maatgevende arbeid of arbeid in de urenomvang die maatgevend is, zou hebben verricht, alsmede het aantal uren van die arbeid.
5. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan loon in aanmerking nemen, waarvan geen opgave is gedaan in de aangiftetijdvakken in het refertejaar, indien de verzekerde aantoont, dat hij daarop wel recht had in die aangiftetijdvakken.