ECLI:NL:CRVB:2026:1305

Datum uitspraak
30-09-2026
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Zaaknummer
25/2225 ZW
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering omdat appellant meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Medisch onderzoek voldoende zorgvuldig. De geselecteerde functies zijn in medisch opzicht geschikt voor appellant. Bevestiging aangevallen uitspraak.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

25/2225 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 1 oktober 2025, 25/242 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 30 september 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 1 juli 2024 heeft beëindigd. Volgens appellant was hij toen door zijn (medische) beperkingen niet in staat om passende functies te verrichten zodat hij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.P.F. Rober, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 augustus 2026 door middel van beeldbellen. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Rober. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellant heeft voor het laatst gewerkt als kwaliteitsinspecteur voor 37,08 uur per week. Op 6 januari 2023 heeft hij zich ziekgemeld met luchtwegklachten. Het Uwv heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een Eerstejaars ZW-beoordeling heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 april 2024. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 30 mei 2024 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 1 juli 2024 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.

1.2.

Bij besluit van 30 december 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een nieuwe FML van 29 november 2024 en rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

2.1.

De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn stelling dat het onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Appellant is in de bezwaarprocedure gezien door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en alle medische beschikbare informatie is meegenomen. Dat appellant zelf de medische informatie heeft verstrekt en de verzekeringsarts deze niet heeft opgevraagd, kan daaraan niet afdoen.

2.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding om te oordelen dat het Uwv de belastbaarheid van appellant onjuist heeft ingeschat. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant meer beperkt heeft geacht en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar conclusies inzichtelijk heeft gemotiveerd. De in beroep overgelegde informatie is dezelfde informatie als in bezwaar al is overgelegd. De informatie van de gemeente Heerlen heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid. Deze informatie is enerzijds van ruim na de datum in geding en verder zegt het feit dat geen reintegratiedienstverlening door de gemeente plaatsvindt onvoldoende over de medische belastbaarheidsbeoordeling in het kader van de ZW.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep op het Korošec-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 20151en het beroep op het beginsel van equality of arms verworpen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk de informatie van de behandelend artsen bij de beoordeling betrokken, zodat deze door de rechter kan worden getoetst. Er is dan ook geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen.

2.4.

Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat de belastbaarheid van appellant in de geselecteerde functies niet wordt overschreden.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het medisch onderzoek van het Uwv zorgvuldig is geweest. Appellant heeft gesteld dat de Uwv-artsen medische gegevens uit de periode 2021 tot 2024 hadden moeten opvragen, omdat hij in die periode arbeidsongeschikt was en zijn medische situatie sindsdien niet is veranderd. Appellant heeft aangevoerd dat geen belastbaarheidsonderzoek heeft plaatsgevonden en dat de uit zijn medische klachten voortkomende beperkingen zijn onderschat. Appellant heeft een brief van 20 april 2026 van zijn huisarts en een brief van 14 augustus 2026 van een radioloog ingebracht, waarmee hij wil onderbouwen dat zijn medische situatie alleen maar slechter is geworden. Appellant heeft de Raad verzocht om een onafhankelijke deskundige te benoemen, waarbij hij opnieuw een beroep heeft gedaan op het Korošec-arrest. De geselecteerde functies zijn volgens appellant niet passend, omdat hij de daarvoor vereiste opleiding niet heeft en hij ook geen geld heeft om die opleidingen te volgen.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

5.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW behoudt een betrokkene na 52 weken van ongeschiktheid tot werken zijn ZW-uitkering, als hij als gevolg van ziekte minder kan verdienen dan 65% van zijn laatstverdiende loon (maatmaninkomen). Dit percentage wordt berekend door het maatmaninkomen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Bij deze beoordeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.2 Ook deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.

Medische beoordeling

5.2.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de conclusies van deze artsen. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel rust. Daaraan wordt toegevoegd dat voor zover zou moeten worden aangenomen dat het onderzoek in eerste instantie onvoldoende zorgvuldig is geweest, omdat de verzekeringsarts niet beschikte over informatie van de behandelaars, deze onzorgvuldigheid in de bezwaarfase is hersteld. Het Uwv heeft immers in bezwaar een volledige heroverweging heeft verricht, waarbij overigens meer beperkingen zijn aangenomen.

5.3.

De in hoger beroep ingebrachte medische stukken leiden niet tot een ander oordeel. Het Uwv wordt gevolgd in zijn reactie daarop dat uit deze stukken weliswaar een verslechtering is te lezen na de datum in geding, maar dat uit de stukken niet blijkt dat de medische situatie op de datum in geding is onderschat.

5.4.

Het beroep op het arrest Korošec slaagt niet. Appellant heeft informatie van haar behandelaars in de procedure kunnen inbrengen en de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv heeft die informatie inzichtelijk in de beoordeling betrokken, zodat deze door de rechter kan worden getoetst. Van een schending van het beginsel van equality of arms is geen sprake. Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling, ziet de Raad ook daarin geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige.

Arbeidskundige beoordeling

5.5.

Wat appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor hem niet geschikt zijn. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat de belastbaarheid van appellant in de geselecteerde functies niet wordt overschreden. Het Uwv wordt gevolgd in zijn standpunt dat het niet beschikken over geld om een interne opleiding te volgen, daargelaten dat het gaat om interne opleidingen bij de desbetreffende werkgever, niet behoort tot de toets die het Uwv moet verrichten. De arbeidsdeskundige heeft verder voldoende gemotiveerd dat appellant met zijn mbo 4diploma laboratoriumschool voldoet aan de opleidingseisen voor deze functies, namelijk maximaal mbo 4-diploma, zonder specifieke richting.

Conclusie en gevolgen

5.6.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.H. Ermers, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026.

(getekend) J.H. Ermers

(getekend) F.M. Gerritsen

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »