RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/8035
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2026 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. E. Kafa),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).
Procesverloop
1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de uitkering die eiseres ontving op grond van de Ziektewet (ZW). Met het besluit van 4 september 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is het UWV bij dat besluit gebleven.
2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
4. De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen. Eiseres is niet verschenen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
5. Eiseres is werkzaam geweest als beoordelaar aanvragen voor 32 uur per week. Op 17 november 2022 heeft eiseres zich voor dit werk ziek gemeld. Met ingang van die datum is aan eiseres een uitkering op grond van de ZW toegekend.
6. In het kader van de Eerstejaars ZW-Beoordeling1 is eiseres op 26 oktober 2023 gezien door een verzekeringsarts. Eiseres is medisch onderzocht door een verzekeringsarts en die vond dat eiseres haar eigen werkzaamheden niet meer kan uitvoeren. Zij kan wel andere werkzaamheden verrichten, als rekening wordt gehouden met haar medische beperkingen. De medische beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).
7. Het dossier van eiseres is vervolgens overgedragen naar een ander kantoor, omdat bleek dat eiseres onder de doelgroep eigen personeel viel. De verzekeringsarts van dat kantoor zag geen aanleiding om eiseres opnieuw medische te beoordelen. De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 12 juli 2024 functies geduid die eiseres met haar beperkingen nog kan verrichten en vastgesteld dat eiseres op 16 november 2023 meer dan 65% (73,08%) kon verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het UWV heeft daarom de ZW-uitkering van eiseres met ingang van 17 augustus 2024 beëindigd.
8. In het kader van de heroverweging in bezwaar stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich in het rapport van 21 juli 2025 op het standpunt dat het onderzoek van de verzekeringsarts zorgvuldig is geweest en dat niet is gebleken dat de verzekeringsarts een onjuist of onvolledig beeld heeft gehad van de gezondheidstoestand van eiseres. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien van het medische oordeel van de verzekeringsarts af te wijken.
9. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 1 september 2025 onderzocht of het onderzoek van de arbeidsdeskundige zorgvuldig is geweest en of de geduide functies geschikt zijn voor eiseres. Hij heeft een aantal aanpassingen gedaan en geconcludeerd dat eiseres met haar beperkingen de volgende functies zou kunnen verrichten: assemblagemedewerker (SBC-code 267041), archiefmedewerker (SBC-code 553020) en controleur, tester elektronische apparatuur (SBC-code 267060). Zij kan daarmee 72,65% (en dus nog steeds meer dan 65%) verdienen van het loon dat zij met haar eigen werk zou kunnen verdienen.
10. Met het bestreden besluit heeft het UWV, onder verwijzing naar de rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, het primaire besluit gehandhaafd.
Gronden van het beroep
11. Eiseres betoogt dat het UWV ten onrechte haar ZW-uitkering heeft beëindigd. Het medisch- en arbeidskundig onderzoek is volgens eiseres onzorgvuldig uitgevoerd. Het is niet inzichtelijk waarom het UWV zijn eigen conclusies volgt en geheel voorbij gaat aan hoe de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige van de gemeente Rotterdam de (medische) situatie van eiseres inschatten. Zo heeft de bedrijfsarts vastgesteld dat eiseres maar 2 uur per dag en 10 uur per week kan werken. Dat het onderzoek niet zorgvuldig is geweest blijkt ook uit het feit dat eiseres medisch is onderzocht door een verzekeringsarts van de vestiging van het UWV in Rotterdam, terwijl zij medisch beoordeeld had moeten worden bij het UWV in Amsterdam. Ook vond de arbeidsdeskundige beoordeling pas maanden na het medisch onderzoek plaats, zonder dat de medische gegevens werden geactualiseerd.
Verder voert eiseres aan dat het bestreden besluit in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Gedurende een periode van acht maanden is geen besluit genomen, terwijl er wel regelmatig contact was tussen eiseres en het UWV. Daarbij kwam nimmer ter sprake dat haar uitkering mogelijk zou worden beëindigd. Deze gang van zaken heeft bij eiseres het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat haar uitkering zou worden voortgezet.
Tot slot voert eiseres aan dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel, omdat het UWV daarin heeft nagelaten om inhoudelijk in te gaan op de gronden van bezwaar.
Beoordeling door de rechtbank
Is de medische beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsarts zorgvuldig verricht?
12. Voor zover eiseres aanvoert dat onduidelijk is waarom de verzekeringsarts afwijkt van de visie van de bedrijfsarts overweegt de rechtbank als volgt. Het is vaste rechtspraak dat het de uitsluitende taak is van een verzekeringsarts om de beperkingen van verzekerden in kaart te brengen en vast te leggen in een FML. Daarbij is de verzekeringsarts niet gehouden tot een bijzondere motivering in het geval deze vastlegging een andere uitkomst heeft dan die van de bedrijfsarts.2 Ook in dit geval hoefde de verzekeringsarts dus niet uit te leggen waarom de beperkingen die hij in de FML heeft opgenomen afwijken van de beperkingen die de bedrijfsarts aannam. Voor zover eiseres met deze beroepsgrond betoogt dat zij niet in staat is om fulltime te werken, overweegt de rechtbank dat dit betoog onvoldoende gewicht in de schaal legt tegenover het gemotiveerde en inzichtelijke medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Eiseres heeft in beroep geen nieuwe medische gegevens overgelegd die aanleiding geven om te twijfelen aan het medische oordeel van de verzekeringsartsen.
13. De rechtbank volgt eiseres ook niet in het standpunt dat het onderzoek onzorgvuldig was omdat zij medisch is beoordeeld in Rotterdam. Weliswaar is zij in eerste instantie beoordeeld door een verzekeringsarts van de vestiging Rotterdam, maar toen duidelijk werd dat zij onder de doelgroep eigen personeel viel is haar zaak overgedragen aan de vestiging Amsterdam. Vervolgens heeft de verzekeringsarts van eigen personeel de zaak bekeken en geconcludeerd dat het geen toegevoegde waarde had om eiseres opnieuw medisch te beoordelen. Er was inmiddels meer dan een half jaar verstreken en het onderzoek van de verzekeringsarts van 27 oktober 2023 gaf de meest betrouwbare informatie over de medische situatie op de datum in geding 15 november 2023. Een actualisatie van de medische gegevens van eiseres was in dit geval dus juist niet nodig. Dit is met eiseres besproken en de zaak is vervolgens overgedragen aan een arbeidsdeskundige van eigen personeel. De rechtbank is van oordeel dat het UWV hiermee zorgvuldig heeft gehandeld.
14. Het voorgaande betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat de beperkingen zoals die zijn vermeld in de FML juist zijn. De rechtbank is niet gebleken dat de belasting van de geselecteerde functies de mogelijkheden van eiseres overschrijdt.
Was het beëindigen van de ZW-uitkering in strijd met het vertrouwensbeginsel?
15. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat eiseres aannemelijk maakt dat van de kant van het UWV toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of zo ja hoe het UWV in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.3
16. Dat in de situatie van eiseres sprake is geweest van zo’n toezegging, uitlating of gedraging is de rechtbank niet gebleken. Alleen de omstandigheid dat zij na de medische beoordeling op 27 oktober 2023 haar uitkering bleef ontvangen is onvoldoende. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Is het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel?
17. Het UWV heeft tijdens de zitting erkend dat op een deel van de bezwaargronden niet is gereageerd in het bestreden besluit. De rechtbank volgt eiseres daarom in het standpunt dat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. Met de nadere toelichting van het UWV in het verweerschrift en op zitting, is het motiveringsgebrek hersteld. Omdat niet is gebleken dat eiseres door het motiveringsgebrek is benadeeld zal de rechtbank het gebrek passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Conclusie en gevolgen
18. Vergelijking van het inkomen dat eiseres in de in bezwaar geselecteerde functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat zij in haar eigen werk zou hebben verdiend als zij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verdiencapaciteit te zien van meer dan 65% (72,65%). Dit betekent dat het UWV terecht heeft bepaald dat eiseres met ingang van 17 augustus 2024 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering.
19. Het beroep is ongegrond.
20. De rechtbank ziet in de toepassing van artikel 6:22 van de Awb aanleiding om het UWV te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Ook moet het UWV het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
bepaalt dat het UWV het door eiseres betaalde griffierecht van € 53,- vergoedt;
-
veroordeelt het UWV in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.N. Foppen, rechter, in aanwezigheid van G.I. Heijblom, griffier.
|
de griffier is verhinderd dit proces-verbaal te ondertekenen |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.