ECLI:NL:CRVB:2026:1312

Datum uitspraak
30-09-2026
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Zaaknummer
25/2069 ZW
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. In hoger beroep herhaling van gronden beroep. Voldoende zorgvuldige medische beoordeling. Uitlatingen bedrijfsarts betreffen geen geobjectiveerde feiten op grond waarvan meer beperkingen moeten worden aangenomen. Geen aanleiding voor benoeming onafhankelijk deskundige. Geselecteerde functies zijn geschikt.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

25/2069 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 9 september 2025, 25/624 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 30 september 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de ZW-uitkering van appellante per 23 februari 2024 terecht heeft beëindigd. Volgens appellante was zij toen door haar (medische) beperkingen niet in staat om passende functies te verrichten zodat zij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.P. van Knippenbergh, advocaat, hoger beroep ingesteld, stukken ingediend en gereageerd op een vraag van de Raad.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en gereageerd op een vraag van de Raad.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 september 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Knippenbergh. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W. van Schaik.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellante heeft tot en met 28 februari 2021 gewerkt als verkoopmedewerker voor gemiddeld 16,92 uur per week. Bij besluit van 2 maart 2021 heeft het Uwv appellante per 2 maart 2021 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Vanaf 29 maart 2021 heeft zij gewerkt als thuishulp voor gemiddeld 13,31 uur per week. Zij heeft zich op 10 oktober 2022 ziekgemeld, zowel in het kader van haar WW-uitkering als voor haar werk als thuishulp, in verband met een operatie aan haar heupen. Het Uwv heeft appellante per 16 januari 2023 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling heeft appellante het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 november 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor de maatgevende functie. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en de mate van arbeidsgeschiktheid vastgesteld op 100%. Het Uwv heeft bij besluit van 22 januari 2024 de ZW-uitkering van appellante met ingang van 23 februari 2024 beëindigd, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.

1.2.

Bij besluit van 4 februari 2025 (bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 22 januari 2024 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van 15 januari 2025 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, een gewijzigde FML van 15 januari 2025 en een rapport van 27 januari 2025 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek door de (verzekerings)artsen zorgvuldig heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft geen reden gehad om te oordelen dat de (verzekerings)artsen aanvullend onderzoek hadden moeten doen of aanvullende medische informatie hadden moeten opvragen. De rapporten van de (verzekerings)artsen bevatten volgens de rechtbank geen tegenstrijdigheden en de conclusies vloeien logisch voort uit hun bevindingen. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar standpunt dat onvoldoende rekening is gehouden met haar beperkingen en heeft geen reden gezien om aan de juistheid van de conclusies van het Uwv te twijfelen. De rechtbank heeft, uitgaande van de juistheid van de bij appellante vastgestelde medische beperkingen, geen grond gezien voor het oordeel dat de voor appellante geselecteerde functies niet geschikt zijn. Volgens de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de zogeheten signaleringen van een afdoende adequate toelichting voorzien.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft aangevoerd dat sprake is geweest van een onzorgvuldig medisch onderzoek. In dat kader heeft appellante ter zitting van de Raad gesteld dat het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep kort was en dat zij wel gehoord is, maar niet is gezien. Appellante heeft verder aangevoerd dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met de zich in het dossier bevindende informatie. Zij heeft, onder verwijzing naar informatie van 17 mei 2023, 28 juni 2023 en 23 augustus 2023 van de bedrijfsarts, informatie van 4 juni 2021 en 16 juni 2022 van een orthopedisch chirurg, een echo en een röntgenfoto, en informatie van haar huisarts, betoogd dat in de FML meer psychische beperkingen (waaronder een beperking wat betreft aandacht en concentratie), meer en verdergaande motorische beperkingen en een urenbeperking hadden moeten worden opgenomen. In hoger beroep heeft appellante nog enkele stukken overgelegd, namelijk een medisch stuk waaruit blijkt dat zij sinds 2017 statines gebruikt vanwege een te hoog cholesterolgehalte, de uitslag van een op 5 december 2025 gemaakte DEXA-scan, alsmede een stuk met de door haar (in juli 2026) gebruikte medicatie. Appellante heeft, onder verwijzing naar het arrest Korošec, verzocht een onafhankelijk deskundige te benoemen, omdat sprake is van een schending van het beginsel van equality of arms en zij financieel niet in staat is om een contra-expertise te laten verrichten.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

5.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW behoudt een betrokkene na 52 weken van ongeschiktheid tot werken zijn ZW-uitkering, als hij als gevolg van ziekte minder kan verdienen dan 65% van zijn laatstverdiende loon (maatmaninkomen). Dit percentage wordt berekend door het maatmaninkomen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Bij deze beoordeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.1 Ook deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.

5.2.

Tussen partijen is in geschil of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellante per 23 februari 2024 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de ZW.

5.3.

In zijn uitspraak van 30 juni 20172 heeft de Raad, gelet op het arrest Korošec, de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv. Dat leidt in dit geding tot het volgende:

Stap 1: zorgvuldigheid van de besluitvorming

5.4.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is geweest. Onderschreven wordt wat de rechtbank daartoe heeft overwogen in overweging 6.1 van de aangevallen uitspraak. Met het medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn eventuele onzorgvuldigheden die aan de primaire beoordeling kleefden, in bezwaar hersteld. Daarmee ligt aan de beëindiging van de ZWuitkering per 23 februari 2024 een zorgvuldige verzekeringsgeneeskundige beoordeling ten grondslag. Het karakter van de bezwaarprocedure brengt mee dat deze procedure bij uitstek is aangewezen voor herstel van zorgvuldigheidsgebreken die kleven aan het primaire besluit.

Stap 2: equality of arms

5.5.

Er is geen reden aanwezig om aan te nemen dat sprake is van schending van het beginsel van equality of arms. Appellante heeft voldoende gelegenheid gehad om haar standpunt te onderbouwen met medische gegevens en tegenbewijs te leveren. Appellante heeft hier ook gebruik van gemaakt en heeft in de beroepsfase informatie ingebracht van haar huisarts en de orthopedisch chirurg, alsmede een echo en een röntgenfoto, en in de hoger beroepsfase een DEXA-scan en informatie over medicatie. Deze stukken zijn naar hun aard geschikt om twijfel te zaaien aan de conclusies die door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn getrokken. Er zijn geen aanwijzingen dat informatie over de medische situatie van appellante ontbreekt. Hiermee is voldaan aan het vereiste van een gelijke procespositie zodat op deze grond geen aanleiding bestaat om een deskundige te benoemen. De vraag of appellante financieel in staat is om de kosten van een (contra)expertise te dragen, kan daarom buiten beschouwing blijven.

Stap 3: de inhoudelijke beoordeling

5.6.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de beroepsgronden die zij bij de rechtbank heeft ingediend en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel – en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen – dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

5.6.1.

Appellante heeft, ter onderbouwing van de stelling dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat, onder meer verwezen naar enkele uitlatingen van de bedrijfsarts bij de spreekuren van 17 mei 2023, 28 juni 2023 en 23 augustus 2023. De Raad onderschrijft het standpunt van het Uwv dat deze uitlatingen geen medisch geobjectiveerde feiten betreffen op grond waarvan (meer) beperkingen zouden moeten worden aangenomen dat in de FML van 15 januari 2025. Daaraan wordt nog toegevoegd dat deze spreekuurcontacten dateren van (ruim) voor de datum in geding van 23 februari 2024.

5.6.2.

In hoger beroep heeft appellante nog enkele stukken overgelegd. Wat betreft de DEXA-scan van 5 december 2025 en de in juli 2026 door appellante gebruikte medicatie stelt de Raad vast dat deze stukken dateren van (ruim) na de datum in geding van 23 februari 2024 en geen informatie geven over de medische situatie van appellante op die datum. Wat betreft het stuk waaruit blijkt dat appellante sinds 2017 statines gebruikt vanwege een te hoog cholesterolgehalte, volstaat de Raad met de constatering dat appellante in de bezwaarfase een overzicht heeft overgelegd van haar dagelijkse medicijnen, en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep deze informatie bij de heroverweging heeft betrokken.

5.7.

Uit 5.6 volgt dat er geen twijfel bestaat aan de juistheid van de medische belastbaarheid van appellante. Het verzoek om inschakeling van een onafhankelijk deskundige wordt dan ook afgewezen.

Arbeidskundige beoordeling

5.8.

Wat appellante heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor haar niet geschikt zijn.

Conclusie en gevolgen

5.9.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek. in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) G.T. Hunsel

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »