RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7150
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. H. Nummerdor-Buijs),
en
de staatssecretaris van Defensie, verweerder
(gemachtigden: mr. J.H.L. Damen en [gemachtigde], kapitein ter zee).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het toekennen van een extra salaristrede.
Bij besluit van 7 november 2023 heeft verweerder eiser met één salaristrede gecompenseerd voor het nadelig effect dat is ontstaan door toepassing van de nieuwe salaristabel militairen. Met het bestreden besluit van 15 mei 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank.
Op 24 december 2025 heeft eiser een besluit ontvangen waarin hem is meegedeeld dat twee extra periodieken zijn toegepast, met terugwerkende kracht tot 9 februari 2023.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is sinds [datum] 2010 in dienst bij Defensie. Hij is op 9 februari 2023 bevorderd naar de rang van tweede luitenant. Bij deze bevordering is er voor hem een nadelig effect ontstaan door de toepassing van de nieuwe salaristabel, die per 1 januari 2023 is ingevoerd. Enkele specifieke groepen, namelijk door- en zij-instromers, ondervinden zodanig financieel nadeel van de overgang naar de nieuwe salaristabel dat voor die groepen aanvullend beleid is gemaakt. Dit beleid is door verweerder vastgelegd in de nota ‘Transitieproblematiek officieren in opleiding’ van 11 januari 2024. Ter compensatie is aan eiser, als doorstromer, één salaristrede toegekend met terugwerkende kracht tot de datum van zijn bevordering. Eiser is hierover op 7 november 2023 geïnformeerd. Omdat eiser het niet eens is met het toekennen van slechts één extra salaristrede heeft hij bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is ongegrond verklaard. Op 24 december 2025 heeft eiser opnieuw een besluit ontvangen, waarin hem is meegedeeld dat op grond van artikel 7c, derde lid, van het Inkomstenbesluit militairen twee extra periodieken zijn toegepast, met terugwerkende kracht tot 9 februari 2023. Dit maakt dat eiser vanaf 9 februari 2023 is ingeschaald in trede 3. Eiser is het nog altijd niet eens met de hoogte van zijn salaris.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Ten eerste is het voor hem niet duidelijk waarom hem bij besluit van 7 november 2023 maar één extra salaristrede is toegekend. Er is nog altijd geen inzicht gegeven in de rekentool waarop het besluit is gebaseerd (door Dienstencentrum Human Resources). Eiser stelt dat wanneer hij zelf een berekening maakt hij op een groter nadeel komt dan verweerder schetst. Verder wijst hij erop dat hij ten tijde van de vergelijkingsdatum (1 juli 2022) in opleiding was aan de Koninklijke Militaire Academie en de rang van korporaal had. Het bestreden besluit is nog altijd niet deugdelijk gemotiveerd volgens eiser.Ten tweede is eiser het niet eens met het verschil in salaris tussen instromend en doorstromend personeel. Hij leidt uit de nota ‘Startsalaris bij initiële opleiding en plaatsing op functie’ van 10 februari 2023 af dat aan instromers maximaal drie extra salaristreden kan worden toegekend. Hij wijst daarnaast ook op de memo ‘Compensatie voor aspirant onderofficieren/officieren: toekenning van extra treden bij inschaling’ van 25 maart 2025.
Eiser verzoekt tot slot om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Wat vindt verweerder in beroep?
4. Verweerder verwijst naar wat hij in de beslissing op bezwaar heeft overwogen. In het bestreden besluit wordt gewezen op de uitkomst van de berekening, die is terug te zien in de grafiek die als bijlage is gevoegd. Verder zijn in het Arbeidsvoorwaardenakkoord sector Defensie 1 januari 2021 t/m 31 december 2023 afspraken gemaakt over de bezoldiging van nieuw instromende militairen. Aan deze afspraken wordt uitvoering gegeven door middel van de nota ‘Startsalaris bij initiële opleiding en plaatsing op functie’ van 10 februari 2023. Omdat eiser al per 8 maart 2010 is aangesteld kan hij geen aanspraak maken op extra treden op basis van deze nota. In aanvulling op de beslissing op bezwaar voert verweerder aan dat de rang van korporaal een tijdelijke rang betrof, en dat daarom terecht is gerekend met de (destijds) daadwerkelijke rang van soldaat der eerste klasse.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Heeft eiser recht op één of meer extra treden ter compensatie?
6. In de nota ‘Transitieproblematiek officieren in opleiding’ van 11 januari 2024 is vastgelegd dat militairen worden gecompenseerd als bij een bevordering tot officier blijkt dat:i. de nieuwe salaristabel langer dan 4 jaar (48 maanden) een lager salaris oplevert dan de oude salaristabel én het cumulatieve effect in deze jaren ook nadelig is (X), óf
ii. Het cumulatieve salaris in de nieuwe salaristabel – gemeten over 7 jaar (84 maanden) vanaf 1 juli 2022 – lager is dan het cumulatieve salaris in de oude salaristabel (Y).
7. De initiële stelling van eiser, dat wanneer hij zelf een berekening maakt hij tot een groter nadeel komt, heeft hij niet nader toegelicht of onderbouwd. Tot welke berekening hij zelf komt is niet duidelijk. Verweerder heeft op zitting aan de hand van de tabel ‘E. Salarisontwikkeling bij oude en nieuwe salaristabel, inclusief de toegepaste maatregel’ uitgelegd waarom eiser met één salaristrede is gecompenseerd. Bij compensatie met één salaristrede doen de nadelen genoemd onder i en ii zich niet (meer) voor. Weliswaar is het cumulatieve effect van compensatie met één salaristrede de eerste vier jaar nadelig, maar de nieuwe salaristabel levert maar voor 37 maanden een lager salaris op dan de oude salaristabel. Van de eerste van de twee voorwaarden onder i, dat langer dan 48 maanden sprake moet zijn van een lager salaris, is dus geen sprake (meer) bij compensatie met één salaristrede. Uit de tabel volgt dat eiser vanaf maart 2026 een hoger maandsalaris krijgt dan het salaris uit de oude tabel en dat vanaf juni 2027 niet langer sprake is van een cumulatief nadeel (dit is korter dan 7 jaar). Ook van de situatie onder ii is dus geen sprake bij compensatie met één trede.
De rechtbank volgt de uitleg van verweerder bij de tabel, en ook de gemachtigde van eiser heeft op zitting te kennen gegeven nu helder te hebben waarom verweerder is overgegaan tot het op grond van de nota ‘Transitieproblematiek’ toekennen van één extra salaristrede. Van een ongerechtvaardigd onderscheid tussen doorstromers en zij-instromers in het kader van deze nota is de rechtbank vooralsnog niet gebleken. Verder heeft eiser de beroepsgrond dat hij ten tijde van de vergelijkingsdatum de rang van korporaal had, op zitting ingetrokken. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot het oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat op grond van de nota ‘Transitieproblematiek’ aan eiser één extra salaristrede moet worden toegekend.
Het besluit van 24 december 2025: toekenning van twee extra periodieken
8. Bij besluit van 24 december 2025 heeft eiser opnieuw een besluit ontvangen, waarin hem door de Commandant Landstrijdkrachten is meegedeeld dat hem op grond van artikel 7c, derde lid, van het Inkomstenbesluit militairen (nog eens) twee extra periodieken zijn toegekend, met terugwerkende kracht tot 9 februari 2023. De reden om eiser een hoger salaris toe te kennen is dat hij als doorstromer in de periode tussen 1 januari 2023 en 1 oktober 2025 de opleiding tot officier aan de Nederlandse Defensie Academie met goed gevolg heeft afgerond.Verweerder heeft erop gewezen dat dit besluit losstaat van de nota ‘Transitieproblematiek’. Doel van het besluit van 24 december 2025 is het uiten van een stuk waardering en erkenning door de Landmacht voor doorstromers. Uit navraag door verweerder is gebleken dat doorstromers maximaal twee extra periodieken zouden krijgen, min het aantal treden dat zij al hadden gekregen op grond van de nota ‘Transitieproblematiek’. Dit is per ongeluk verkeerd uitgevoerd, aldus verweerder. Eiser had bij besluit van 24 december 2025 niet twee extra periodieken moeten krijgen, maar slechts één. Verweerder noemt op zitting dat deze fout in het voordeel van eiser, en in het voordeel van anderen in een soortgelijke situatie, niet zal worden teruggedraaid. Eiser behoudt dus de ten onrechte toegekende extra periodiek. Dat een collega van eiser door deze fout per ongeluk in totaal vier extra periodieken heeft gekregen (twee bovenop de twee die hem op grond van de nota ‘Transitieproblematiek’ al waren toegekend), is volgens verweerder geen reden om eiser nóg een extra periodiek toe te kennen. Verweerder merkt op dat aan eiser inmiddels dus drie extra treden zijn toegekend. Voor zover er al sprake zou van verschillen in beloning tussen eiser als doorstromer en instromers, is daar niet langer sprake van. Instromers kunnen immers op grond van de nota ‘Startsalaris’ in aanmerking komen voor maximaal drie extra periodieken, aldus verweerder. Eiser heeft ondertussen ook drie extra periodieken toegekend gekregen.
9. De rechtbank overweegt dat het besluit van 24 december 2025 een andere wettelijke en feitelijke grondslag heeft dan het hier voorliggende bestreden besluit. De rechtbank zal dit besluit daarom niet op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht betrekken bij de beoordeling van dit beroep.
Overschrijding redelijke termijn
10. Ten aanzien van het betoog van eiser dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM1 en hij daarom in aanmerking komt voor een schadevergoeding, overweegt de rechtbank als volgt. In procedures als deze mag, volgens vaste jurisprudentie, de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar duren. Doorgaans zal geen sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn, als de fase van bezwaar en beroep gezamenlijk niet langer dan twee jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Tot de omstandigheden die een langere behandelingsduur kunnen rechtvaardigen worden onder meer gerekend de invloed van de belanghebbende en/of diens gemachtigde op de duur van het proces. Als de redelijke termijn is overschreden, geldt voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief van € 500,- per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
Verweerder heeft het bezwaarschrift gericht tegen het primaire besluit op 7 december 2023 ontvangen. Vanaf deze datum tot aan 17 september 2026, de datum van de uitspraak op het onderhavige beroep, zijn ruim twee jaar en negen maanden verstreken. Dat betekent dat de termijn, afgerond naar boven, met twee keer een half jaar is overschreden. Dit betekent dat eiser recht heeft op een schadevergoeding van € 1.000,-. De behandeling van het bezwaar door verweerder heeft niet langer geduurd dan de toegestane periode van een half jaar, namelijk iets meer dan vijf maanden. De rechtbank stelt vast dat er een overschrijding is in de beroepsfase. Het voorgaande leidt ertoe dat de schadevergoeding van € 1.000,- voor rekening komt van de Staat.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zal worden toegewezen. Eiser krijgt een vergoeding voor de proceskosten die hij in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn heeft gemaakt. Voor de berekening van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand geldt dat voor een verzoek om schadevergoeding 1 punt (met een waarde van € 934,- per punt) wordt toegekend, met een wegingsfactor van 0,5 (ECLI:NL:RVS:2025:5294). De vergoeding bedraagt € 467,-. De Staat moet deze vergoeding betalen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding van € 1.000,- aan eiser;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.