RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1343
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
(gemachtigde: mr. P. Frimpong),
en
de minister van Financiën, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Salhi).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van verweerder om schulden af te betalen.
Met het primaire besluit van 17 mei 2023 heeft Sociale Banken Nederland (SBN), namens de Belastingdienst/Toeslagen, beslist op het verzoek van eiseres tot het overnemen van schulden. Met het bestreden besluit van 18 januari 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 5 september 2024 op zitting behandeld.
Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting geschorst1 om kennis te kunnen nemen van ontbrekende stukken en om partijen in de gelegenheid te stellen een nadere reactie in te dienen. Partijen hebben gereageerd.
Het beroep is op 26 juni 2025 nogmaals op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen een nadere reactie in te dienen op het resterende geschilpunt, te weten het beroep van eiseres op de hardheidsclausule. Partijen hebben gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 nog een keer op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde ouder als gevolg van de toeslagenaffaire. Op grond van de Wht2 komen gedupeerden in aanmerking voor compensatie van private schulden als wordt voldaan aan de vereisten van de Wht. Dit wordt beoordeeld door SBN.
Eiseres heeft vier schuldenlijsten ingediend bij SBN met het verzoek om deze schulden over te nemen.
Met het primaire besluit is beslist dat schulden geheel, gedeeltelijk of niet worden overgenomen. Bij dit besluit is een bijlage gevoegd met een omvangrijke schuldenlijst en de daaraan door SBN toegekende coderingen.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en is daarbij ingegaan op acht specifieke schulden. Dit betreft de schulden bij:
- Cannock Chase Incasso inzake de gemeente Rotterdam € 165,60;
- Gemeente Amsterdam WPI debiteurenbeheer € 123,30;
- Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) € 37.080,76;
- [naam] € 1.040,-;
- Stichting Reinier de Graaf Groep (RdGG) € 173,56 ( [nummer 1] ), € 82,11 ( [nummer 2] ) en
€ 470,06 ( [nummer 3] );
- Intrum Nederland inzake T-mobile h.o.d.n. Ben € 2.263,37.
Met het bestreden besluit is verweerder bij het primaire besluit gebleven. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de schulden bij Cannock Chase, de gemeente Amsterdam en DUO niet worden vergoed, omdat dit geen private schulden zijn, maar een publieke schuld bij de overheid. Bepaalde publieke schulden kunnen door de betreffende overheidsinstanties worden overgenomen en die instanties zullen zelf de gedupeerde ouders aanschrijven. Voorts wordt de schuld bij [naam] niet vergoed. Dit is een informele schuld. Er is geen bewijsmiddel voor het bestaan en de opeisbaarheid van deze schuld. De schuld [nummer 1] bij RdGG is met het primaire besluit (gedeeltelijk) vergoed met de toekenning van € 173,56. Deze schuld wordt niet nogmaals vergoed.
De schuld [nummer 2] bij RdGG wordt niet vergoed, omdat volgens verweerder uit een e-mail van RdGG van 10 mei 2023 blijkt dat deze schuld is komen te vervallen. De schuld [nummer 3] bij RdGG wordt niet vergoed, omdat uit de door eiseres aangeleverde factuur blijkt dat de schuld niet opeisbaar kan zijn geweest vóór 1 juni 2021. De schuld bij Intrum Nederland is met het primaire besluit (gedeeltelijk) vergoed met de toekenning van € 708,51 voor kosten die vielen binnen de telefoonbundel. De overige gemaakte kosten worden niet vergoed.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en verweerder heeft daarop gereageerd. De rechtbank zal daar in haar oordeel op ingaan.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3. Verweerder heeft bij besluit van 3 september 2024 het bestreden besluit van
18 januari 2024 herzien, voor zover het gaat om de schuld bij Intrum Nederland inzake
T-mobile h.o.d.n. Ben. De schuld van € 2.263,37 wordt alsnog overgenomen. Er wordt gedeeltelijk tegemoetgekomen aan het bezwaar van eiseres en het bezwaar wordt op dit punt gegrond verklaard. Aan eiseres wordt een proceskostenvergoeding van € 1.750,- toegekend (1 punt voor het indienen van het bezwaar en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde per punt van € 875,-). Deze nieuwe beslissing op bezwaar treedt terzake deze schuld in de plaats van het bestreden besluit van 18 januari 2024.
De rechtbank is van oordeel dat het wijzigingsbesluit van 3 september 2024 in de plaats is getreden van het bestreden besluit van 18 januari 2024. Het wijzigingsbesluit is terzake genoemde schuld een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb. Het beroep heeft echter niet van rechtswege betrekking op dit wijzigingsbesluit, omdat eiseres daartegen geen gronden heeft aangevoerd en niet is gebleken dat partijen nog een belang hebben bij verdere beoordeling door de rechtbank.
Eiseres heeft op de zitting van 5 september 2024 haar gronden tegen het niet overnemen van de schuld bij DUO ingetrokken, nu DUO deze schuld heeft kwijtgescholden.
De rechtbank laat deze schuld verder buiten beschouwing.
Eiseres heeft op deze zitting meegedeeld dat zij niet meer betwist dat de schuld bij Cannock Chase Incasso inzake gemeente Rotterdam een publieke schuld is. De rechtbank overweegt dat verweerder het verzoek om compensatie van deze schuld terecht heeft afgewezen. Dit betreft namelijk een publieke schuld als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Wht, waarvan het betreffende bestuursorgaan kwijtschelding kan verlenen, en niet een private schuld van eisers als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wht.
Eiseres heeft in haar aanvullend beroepschrift van 6 januari 2025 haar gronden tegen het niet overnemen van de schuld bij de Gemeente Amsterdam WPI debiteurenbeheer ingetrokken. Ook dit blijft verder buiten beschouwing.
5. Eiseres heeft aangevoerd dat bij RdGG alleen de schuld [nummer 3] nog open staat. Zij stelt dat die schuld is verweven met de schulden [nummer 1] en [nummer 2] . Deze schulden zijn onder dezelfde omstandigheden ontstaan. Zij had wegens de toeslagenaffaire te kampen met diverse (medische) omstandigheden, waardoor een bezoek aan het ziekenhuis niet te voorkomen was.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de factuur [nummer 3] dateert van 9 augustus 2021 en dat daarin expliciet is vermeld dat betaling van het verschuldigde bedrag binnen 14 dagen moet plaatsvinden. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat deze schuld dan ook niet opeisbaar kan zijn geweest vóór 1 juni 2021. Dat onderzoek en behandelingen vóór 1 juni 2021 hebben plaatsgevonden betekent, daargelaten de door eiseres gestelde verwevenheid met andere schulden bij RdGG, naar het oordeel van de rechtbank niet dat de betaling ook vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geweest. Eiseres heeft geen andere documenten overgelegd, waaruit blijkt dat voor deze datum al sprake was van opeisbaarheid van deze schuld. De rechtbank verwijst in dit kader naar rechtspraak van de hoogste bestuursrechter in zaken als deze.3 In de betreffende uitspraak heeft de Afdeling verwezen naar een eerdere uitspraak, waarin is overwogen dat de in artikel 4.1. van de Wht neergelegde vereisten voor de overname van private schulden dwingend zijn geformuleerd. Alleen wanneer aan die vereisten is voldaan, komt de schuld voor overname in aanmerking. Dit is alleen anders wanneer aanleiding bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule van artikel 9.1, tweede lid, van de Wht, indien toepassing van artikel 4.1. zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.4 Het gaat in dit geval om artikel 4.1., tweede lid, van de Wht, waarin is bepaald dat alleen private schulden die zijn ontstaan na 31 december 2005 voor overname of betaling in aanmerking komen. Deze schulden moeten bovendien vóór 1 juni 2021 opeisbaar zijn geweest. Alleen op 1 juni 2021 openstaande betalingsachterstanden op geldschulden worden overgenomen, niet de toekomstige termijnen.5 Deze grond van eiseres slaagt niet.
6. Eiseres heeft in haar aanvullend beroepschrift van 19 maart 2024 aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit geen rekening heeft gehouden met de schulden die zij heeft bij GGN inzake Zilveren Kruis en Eneco Services B.V.
Eiseres wordt niet gevolgd in haar standpunt dat het enkele feit dat zij bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit maakt dat verweerder alle schulden in de bezwaarfase nogmaals zal moeten heroverwegen. Bij het primaire besluit is een lijst gevoegd met alle schulden waarop het besluit ziet en voorts een codelijst. De schulden op de lijst zijn voorzien van codes ter motivering van het besluit. De rechtbank overweegt dat daaruit niet volgt dat het primaire besluit niet met de daartoe benodigde zorgvuldigheid is voorbereid. De rechtbank benadrukt dat het op de weg van eiseres ligt om, wanneer zij het niet eens is met het besluit over het niet (geheel) overnemen van de diverse schulden, in bezwaar per schuld aan te geven waarom deze wel (geheel) voor vergoeding in aanmerking moet komen. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat eiseres deze schulden niet expliciet in haar bezwaar aan de orde heeft gesteld. Dat de schuld bij Eneco, zoals eiseres heeft gesteld, is besproken tijdens de hoorzitting op 8 november 2023, is niet gebleken.
Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 23 augustus 2024 vermeld dat het gaat om de schulden bij
- Eneco Energie, afdeling Schuldbemiddeling, ref. [nummer 4] (afwijzing op grond van code 9 en 7);
- Syncasso Gerechtsdeurwaarders € 9.547,41 (afwijzing op grond van code 10);
- GGN Zilveren Kruis (ref. [nummer 5] ) € 1.176,77 (afgewezen op grond van code 10);
- GGN Zilveren Kruis (ref. [nummer 6] ) € 5.982,18 (afgewezen op grond van code 11).
Verweerder heeft toegelicht dat de schuld bij Eneco niet meer aanwezig is, omdat deze is overgedragen aan Syncasso (ref. [nummer 7] ). De betreffende rekeningen staan op naam van de onderneming. Uit een e-mail van Syncasso van 6 maart 20246 blijkt dat sprake is van een openstaande schuld van € 12.999,45. Op de hoofdsom is al een betaling van
€ 7.237,30 in mindering gebracht. Het deel van de factuur dat ziet op termijnbedragen die na 31 mei 2021 opeisbaar zijn geworden, komt op grond van de Wht niet voor vergoeding in aanmerking. Doordat het volgens verweerder gaat om een zakelijke schuld, is de schuld in behandeling bij het zakelijk team van SBN. Eiseres heeft voor deze schuld een afzonderlijk besluit gekregen van SBN, aldus verweerder.
Eiseres heeft in haar aanvullend beroepschrift van 23 augustus 2024 aangevoerd dat de schuld bij Eneco van € 12.999,45 nog open staat, maar zegt ook dat zij daarover contact heeft gehad met Syncasso. Zij heeft het besluit van SBN van 1 mei 2023, gericht aan Syncasso, overgelegd. Daaruit blijkt dat voor de schuld bij Syncasso met voornoemd referentienummer € 6.987,30 (een gedeelte van de vordering) wordt overgemaakt. Eiseres heeft aangevoerd dat op dat moment nog een schuldbedrag van € 4.109,60 resteert. Zij begrijpt niet dat de schuld niet geheel wordt overgenomen. Zij stelt dat zij zelf geen besluit heeft ontvangen. De rechtbank overweegt dat verweerder op 9 april 2025 desgevraagd enkele gedingstukken heeft ingezonden (producties 36 tot en met 38) en heeft vermeld dat SBN geen verzendadministratie bijhoudt. In het besluit van 1 mei 2023 (productie 37) - dat is verzonden aan eiseres - met daarachter een lijst van schulden, is onder meer vermeld dat de schuld met voornoemd referentienummer gedeeltelijk wordt overgenomen met
€ 6.987,30. Eiseres heeft met de doorzending van de gedingstukken kennis kunnen nemen van dat besluit. Eiseres heeft in haar aanvullend beroepschrift van 24 juli 2025 nogmaals aangevoerd dat de schuld bij Eneco van € 12.999,45 nog open staat.
De rechtbank is van oordeel dat het besluit van 1 mei 2023, voor zover het de schuld bij Syncasso betreft, een primair besluit is. De rechtbank ziet hierin aanleiding om het beroep, voor zover dit ziet op deze schuld, te verwijzen naar verweerder ter behandeling als bezwaar. Er bestaat geen aanleiding om het beroep terzake deze schuld als een rechtstreeks beroep aan te merken, omdat de standpunten van partijen over de schuld bij Eneco/Syncasso niet zijn uitgekristalliseerd. Het volgen van de bezwaarprocedure is daarom aangewezen. Nu de beroepsgronden van eiseres over deze schuld al in het bezit zijn van verweerder, zal de rechtbank dit niet opnieuw toezenden ter behandeling als bezwaar en volstaan met deze mededeling. De rechtbank laat deze schuld verder buiten beschouwing.
Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 23 augustus 2024 een toelichting gegeven op de twee schulden bij GGN Zilveren Kruis. De rechtbank overweegt dat verweerder bij de gedingstukken (als productie 37) het besluit van 1 mei 2023 - dat is verzonden aan eiseres - heeft overgelegd, met daarachter de lijst waarop onder meer is vermeld dat voor de schuld bij GGN Zilveren Kruis (ref. [nummer 5] ) € 1.167,77 wordt uitbetaald. Voorts heeft verweerder bij de gedingstukken (als productie 38) het besluit van 9 april 2024 - dat is verzonden aan eiseres - overgelegd, met daarachter de lijst waarop onder meer is vermeld dat voor de schuld bij GGN Zilveren Kruis (ref. [nummer 6] ) € 5.500,29 wordt uitbetaald. Eiseres heeft op de zitting van 5 september 2024 desgevraagd meegedeeld dat GGN heeft gezegd dat de betalingsachterstand volledig is betaald, dus is dat afgesloten. Eiseres weet alleen niet of er nog een dossier is waarin niet volledig is betaald. Zij stelt dat zij zelf geen besluiten heeft ontvangen. De rechtbank overweegt dat eiseres met de doorzending van de gedingstukken kennis heeft kunnen nemen van die besluiten. De stelling dat eiseres niet weet of er nog een openstaande schuld bij Zilveren Kruis is, is onvoldoende om dit te verwijzen naar verweerder ter behandeling als bezwaar. Het ligt op de weg van eiseres om zelf haar schulden, ook bij Zilveren Kruis, in kaart te brengen. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen andere gronden heeft aangevoerd over deze schulden. Voorts heeft zij in haar aanvullend beroepschrift van 24 juli 2025 in haar overzicht van openstaande schulden niet vermeld dat er nog een schuld bij Zilveren Kruis openstaat. De rechtbank is niet gebleken dat partijen nog een belang hebben bij verdere beoordeling op dit punt en laat dit verder buiten beschouwing.
7. Eiseres heeft in haar aanvullende gronden van 23 augustus 2024 vermeld dat de schuld bij Stichting Vestia/Hof Wonen via GGN (ref. [nummer 8] ) € 1.029,08 nog openstaat en dat deze schuld niet is beoordeeld in het bestreden besluit.
De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat eiseres deze schuld niet expliciet aan de orde heeft gesteld in haar bezwaar en dat deze schuld daarom niet is opgenomen in het bestreden besluit. Verweerder heeft in zijn verweerschrift van
3 oktober 2024 vermeld dat het gaat om de schuld bij GGN Vestia, ref. [nummer 8] € 1.010,98 (afwijzing op grond van code 11, wordt nog niet afbetaald, de schuldeiser heeft nog niet (volledig) gereageerd). De rechtbank overweegt dat verweerder bij de gedingstukken (als productie 36) het besluit van 30 november 2023 - dat is gezonden aan eiseres - heeft overgelegd, met daarachter de lijst waarop onder meer is vermeld dat voor deze schuld € 171,72 (een gedeelte van de vordering) wordt overgemaakt, met vermelding van code 22. Dit houdt in dat de schuld bestaat uit huurachterstanden en overige kosten. Alleen de huurachterstanden worden betaald. De overige (onderhouds)kosten hadden voorkomen kunnen worden en die worden niet afbetaald. Eiseres heeft in haar aanvullend beroepschrift van 6 januari 2025 meegedeeld dat zij zelf geen besluit heeft ontvangen en heeft over deze schuld bij Vestia gronden aangevoerd. Verweerder heeft bij brief van 9 april 2025 desgevraagd meegedeeld dat de opgegeven schuld bestond uit huurachterstand € 171,72 in de referteperiode. Die schuld is overgenomen. Het bedrag van € 845,26 zag op kosten voor de schoonmaak van de woning en de plaatsing van een nieuwe koelkast. Dat bedrag is niet overgenomen. De rechtbank overweegt dat eiseres met de doorzending van de gedingstukken kennis heeft kunnen nemen van dat besluit. Eiseres heeft voorts in haar aanvullend beroepschrift van 8 mei 2025 over deze schuld meer gronden aangevoerd.
De rechtbank is van oordeel dat het besluit van 30 november 2023, voor zover het de schuld bij GGN Vestia betreft, een primair besluit is. De rechtbank ziet hierin aanleiding om het beroep, voor zover dit ziet op deze schuld, te verwijzen naar verweerder ter behandeling als bezwaar. Er bestaat geen aanleiding om het beroep over deze schuld als een rechtstreeks beroep aan te merken, omdat de standpunten van partijen over deze schuld niet zijn uitgekristalliseerd. Het volgen van de bezwaarprocedure is daarom aangewezen. Nu de beroepsgronden van eiseres over deze schuld al in het bezit zijn van verweerder, zal de rechtbank dit niet opnieuw toezenden ter behandeling als bezwaar en volstaan met deze mededeling. De rechtbank laat deze schuld verder buiten beschouwing.
8. Eiseres heeft aangevoerd dat de schuld bij [naam] (ref. 2018, [naam] ) € 1.040,- nog openstaat. Eiseres stelt dat verweerder deze schuld moet overnemen en verwijst naar rechtspraak.7
Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 23 augustus 2024 toegelicht dat deze schuld in het primaire besluit is afgewezen op grond van code 5. Deze schuld voldoet niet aan de voorwaarde van artikel 4.1., derde lid, aanhef en onder b, van de Wht. De schuld die eiseres bij [naam] is aangegaan is een informele schuld. Om in aanmerking te komen voor overname geldt als voorwaarde dat een dergelijke schuld is vastgelegd in een notariële akte, die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak als de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoek dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat deze schuld in de betreffende periode niet is vervat in een notariële akte. Verweerder verwijst naar rechtspraak van de Afdeling8, waarin is aangegeven dat zich bijzondere situaties kunnen voordoen waarin het vasthouden aan de eis van een notariële akte als bewijs voor het bestaan van een informele schuld en daarover gemaakte betalingsafspraken zodanig onbillijk is dat de hardheidsclausule kan worden toegepast, bijvoorbeeld in het geval dat aan het bestaan van een informele schuld gelet op andere authentieke documenten redelijkerwijs niet valt te twijfelen. Verweerder is niet gebleken van andere authentieke documenten waaraan redelijkerwijs niet getwijfeld kan worden. Eiseres heeft wat correspondentie van na de referteperiode en een bankafschrift overgelegd. Zij heeft geen authentieke documenten overgelegd waaruit de schuld, bindende afspraken over de aflossing daarvan en de opeisbaarheid kan blijken. Ook voldoet de schuld niet aan de voorwaarde van artikel 4.1., tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht. Een hoofdsom van een lening kan pas opeisbaar worden als dit in de voorwaarden van de lening is afgesproken en deze hoofdsom daadwerkelijk wordt opgeëist.
Niet in geschil is dat de informele schuld niet was vastgelegd in een notariële akte of bleek uit een rechterlijke uitspraak. De rechtbank overweegt dat de eis van de notariële akte als bewijs van het bestaan van een informele schuld en van betalingsafspraken dwingend volgt uit de Wht. Als daaraan niet is voldaan, dan kan de schuld niet worden overgenomen. De Afdeling heeft daarover eerder geoordeeld dat deze eis door verweerder mocht worden gesteld.9 Ook volgt uit uitspraken van de Afdeling dat in een bijzondere situatie met toepassing van de hardheidsclausule een uitzondering gemaakt kan worden voor een schuld.10 Het moet dan gaan om een situatie waarin, gelet op andere authentieke documenten, aan het bestaan van een informele schuld en daarover gemaakte betalingsafspraken redelijkerwijs niet valt te twijfelen. Eiseres heeft op meerdere momenten beschreven dat en hoe deze informele schuld is ontstaan in 2018. Er is een e-mail van [naam] van 7 april 2023, met een kopie van een bankafschrift van 28 april 2017, waarin is vermeld dat op 11 april 2017 € 500,- en op 12 april 2017 € 120,- is overgeboekt naar eiseres, zonder een beschrijving. Verder is er een screenshot van een chatbericht, waarin de afzender zegt een aantal maanden de rente en het bedrag van € 500,- te hebben betaald. De afzender neemt genoegen met € 1.040,-. Dit bericht is ongedateerd, er is gelakt en de afzender is niet bekend. De rechtbank overweegt dat niet gebleken is van stukken, waarin betalingsafspraken tussen partijen zijn gemaakt en bepalingen zijn opgenomen over de opeisbaarheid van de schuld. Wat nu voorligt, ook in samenhang bezien, is onvoldoende voor de conclusie dat verweerder met toepassing van de hardheidsclausule een uitzondering had moeten maken en deze schuld alsnog had moeten overnemen. Deze grond slaagt niet.
9. Eiseres doet ook overigens een beroep op de hardheidsclausule. Zij heeft betoogd dat zij financieel onderuitgaat als schulden niet worden overgenomen. De rechtbank heeft, gelet op de tussenuitspraak van de Afdeling van 21 mei 202511, aanleiding gezien om eiseres een laatste gelegenheid te geven om haar beroep op de hardheidsclausule te onderbouwen. Zij kan stukken indienen over haar huidige financiële situatie, waaronder incidentele uitgaven, haar actuele schuldenlast en eventuele incassomaatregelen of aankondigingen daarvan en haar eventuele aflossingscapaciteit. Eiseres heeft bij brief van 24 juli 2025 haar reactie ingediend. Verweerder heeft op 13 oktober 2025 gereageerd.
In de Wht is in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, een hardheidsclausule opgenomen, op grond waarvan verweerder kan afwijken van onder meer artikel 4.1, voor zover de toepassing daarvan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456, kan de hardheidsclausule worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien, is daarbij niet van doorslaggevend belang. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen.
Eiseres heeft een budgetplan van een bewindvoerder ingezonden. Verweerder heeft hieruit afgeleid dat het totaalbedrag aan maandelijkse afschrijvingen € 2.065,70 bedraagt. De kosten voor streamingsdiensten en uitgaven in verband met twee auto’s (waaronder aflossing, verzekering en motorrijtuigenbelasting) acht verweerder voor de beoordeling van de draagkracht niet relevant. Dit zijn geen noodzakelijke kosten. Voorts komt verweerder uit op een totaal maandelijks inkomen van € 7.548,88, maar merkt daarbij wel op dat er geen salarisspecificaties zijn ingezonden. Daarmee bedraagt de bestedingsruimte van eiseres € 5.483,18. De kosten voor kinderopvang zijn onvoldoende inzichtelijk gemaakt en verweerder schat in dat er een eigen bijdrage van € 963,- per maand is, waardoor een maandelijkse bestedingsruimte resteert van € 4.520,-. Eiseres heeft ook een schuldenlijst overgelegd, maar deze is niet met onderliggende stukken onderbouwd. Voor verweerder is het niet duidelijk of alle opgevoerde schulden nog openstaan, hoe deze zijn ontstaan ondanks het relatief hoge inkomen van eiseres, en of daarop aflossingen plaatsvinden. Uit het budgetplan blijkt verder dat eiseres maandelijks € 200,- kan sparen. Voorts heeft eiseres begeleiding vanuit de Brede Ondersteuning van de gemeente, gericht op meerdere leefgebieden, waaronder huisvesting en financiën. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt dat eiseres, zonder overname van schulden, in een acute financiële noodsituatie zal belanden.
Eiseres heeft op 14 juni 2026 een nadere toelichting met bijlagen van de schuldhulpverlening ingezonden. Zij zegt dat zij sinds 4 juni 2026 is toegelaten tot de gemeentelijke schuldhulpverlening, vanwege een totale schuldenlast van € 39.681,-. Voor diverse schulden lopen inmiddels betalingsregelingen, ongeveer in totaal € 1.500,-. De maandelijkse inkomsten inclusief toeslagen bedragen € 10.732,99 en de maandelijkse uitgaven € 10.884,77, waardoor zij maandelijks € 151,78 tekortkomt. Eiseres is voorts toegelaten tot de voedselbank.
Verweerder heeft op de zitting van 23 juni 2026 erop gewezen dat uit het overzicht van de schuldhulpverlening blijkt dat er voor € 1.075,33 aan betalingsregelingen loopt en niet € 1.500,-. Verweerder gaat uit van € 1.075,33. Voorts is er een persoonlijke lening vermeld van ongeveer € 1.311,- met een betalingsregeling van € 446,79 per maand, waardoor die schuld over drie maanden zal vervallen en dan is dat bedrag maandelijks besteedbaar. Verweerder ziet ook een paar andere schulden die binnen korte tijd worden afgelost. Eiseres heeft over het verschil in het bedrag aan betalingsregelingen gesteld dat het bedrag van € 1.500,- een schatting was van de schuldhulpverlening. Haar maandelijkse tekort is in werkelijkheid meer dan € 500,-. Bovendien zijn er schulden die niet in het overzicht zijn opgenomen. Zo zijn er de schulden bij de Belastingdienst in verband met de motorrijtuigenbelasting, in totaal hoger dan € 100.000,-. Daarvoor heeft zij een tijdelijke betalingsregeling voor zes maanden, met € 20,- per maand. Na die periode moet zij meer aflossen. Dat geldt ook voor andere schulden. Er waren meerdere auto’s, die zijn inmiddels verkocht. Er staat nog een kenteken van een motorfiets op naam van eiseres en er loopt een gerechtelijke procedure om dat kenteken op naam van haar ex-partner te krijgen. Verder zijn er toeslagen die eiseres moet terugbetalen. Ook staan de schulden bij de Gemeente Amsterdam WPI debiteurenbeheer, RdGG, [naam] , Hof Wonen en Eneco niet op de lijst. Het overzicht is volgens eiseres niet compleet. Verweerder heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat ook tijdens de zitting niet alles duidelijk is geworden. Aan de stukken die er nu liggen wordt op zich niet getwijfeld, maar er zijn geen onderliggende stukken overgelegd. Van de motorrijtuigenschuld is al gezegd dat geen rekening wordt gehouden met meerdere auto’s. De persoonlijke omstandigheden die eiseres naar voren heeft gebracht zijn betrokken bij de beoordeling, maar het directe verband tussen de omstandigheden en de schulden wordt niet gezien. Het gaat er juist om dat het niet overnemen van de schuld zal leiden tot een ontwrichtende situatie.
De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat eiseres niet afdoende inzichtelijk heeft gemaakt waar de bijzonderheid of schrijnendheid in haar situatie uit bestaat en dat er een verband is met het niet overnemen van schulden. De onderliggende stukken die van belang zijn om dit goed te kunnen beoordelen zijn niet overgelegd. Verweerder mocht ervan uitgaan dat eerdergenoemde persoonlijke lening op korte termijn zal vervallen en dat ook een paar andere schulden binnenkort zijn afgelost, eiseres heeft dat niet betwist. Daarmee ontstaat enige financiële ruimte. De rechtbank ziet voorts dat in het overzicht van de schuldhulpverlening de vaste lasten in kaart zijn gebracht en rekening wordt gehouden met een bedrag van € 500,- voor boodschappen. Eiseres heeft niet concreet met stukken onderbouwd dat de berekening van de schuldhulpverlening onjuist is dan wel dat zij door het bedrag dat zij overhoudt in serieuze en structurele financiële nood komt.
Verweerder heeft in de omstandigheden van eiseres geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan de hardheidsclausule.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
verwijst het beroep tegen het besluit van 1 mei 2023, voor zover dit ziet op de schuld bij Eneco/Syncasso, naar verweerder ter behandeling als bezwaar;
-
verwijst het beroep tegen het besluit van 30 november 2023, voor zover dit ziet op de schuld bij GGN Vestia/Hof Wonen, naar verweerder ter behandeling als bezwaar.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van
A.J. van Rossum, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2026.
de griffier is verhinderd te tekenen
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.