ECLI:NL:CRVB:2026:1309

Datum uitspraak
30-09-2026
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Zaaknummer
25/1398 WW
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. Geen medische noodzaak voor ontslag. Wijziging grondslag in nader besluit. Herhaling gronden in beroep en hoger beroep. Tegenvallende reistijd komt voor risico van appellant. Geen dringende reden om van maatregel af te zien. Niet gebleken van toezegging dat uitkering wel zou worden betaald.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

25/1398 WW, 25/2529 WW

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 mei 2025, 23/7485 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 30 september 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WW-uitkering van appellant over de periode van 1 mei 2023 tot en met 31 juli 2023 heeft geweigerd. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. Appellant is verwijtbaar werkloos geworden, omdat hij zonder goede reden zelf ontslag heeft genomen. Omdat de dienstbetrekking binnen drie maanden niet verwijtbaar zou zijn geëindigd, heeft het Uwv de WWuitkering terecht geweigerd over de periode van 1 mei 2023 tot en met 31 juli 2023 wegens het plegen van een benadelingshandeling.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Op 29 juli 2025 heeft het Uwv ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en – in een nader verweerschrift – vragen van de Raad beantwoord. Appellant heeft hierop gereageerd.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 augustus 2026. Appellant is via beeldbellen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van de Graaff-Eggink.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Op 1 augustus 2022 is appellant op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van een jaar in dienst getreden bij de [naam stichting] (werkgeefster) in de functie van beleidsbepalend leidinggevende. Feitelijk was hij werkzaam in de functie van afdelingsleider bij het [naam college] in [plaats] .

1.2.

Bij brief van 31 maart 2023 heeft appellant zijn arbeidsovereenkomst met inachtneming van een opzegtermijn van een maand opgezegd. Daarbij heeft hij werkgeefster geïnformeerd dat hij met ingang van 1 mei 2023 een nieuwe functie zal aanvaarden.

1.3.

Op 12 juli 2023 heeft appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd met als ingangsdatum 1 mei 2023. Appellant heeft toegelicht dat de werkomstandigheden bij werkgeefster ziekmakend waren. Hij heeft daarbij met name gewezen op het feit dat hij voor de reis van en naar zijn werk als gevolg van files vijf dagen per week drie tot vier uur in de auto zat.

1.4.

Bij besluit van 27 juli 2023 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 1 mei 2023 recht heeft op een WW-uitkering, maar dat die uitkering over de periode 1 mei 2023 tot 1 augustus 2023 niet tot uitbetaling komt. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden, omdat hij zelf ontslag heeft genomen terwijl hij nog tot 1 augustus 2023 in dienst had kunnen blijven bij werkgeefster.

1.5.

Bij beslissing op bezwaar van 19 oktober 2023 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 juli 2023 ongegrond verklaard. In reactie op wat appellant in bezwaar heeft aangevoerd, heeft het Uwv in bestreden besluit 1 overwogen dat aan voortzetting van het dienstverband niet zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van appellant kon worden gevergd.

Uitspraak van de rechtbank

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen binnen vier weken een nieuw besluit te nemen. Ook heeft de rechtbank het Uwv opgedragen de door appellant gemaakte proceskosten en het griffierecht te vergoeden. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voortzetting van zijn dienstverband zodanige bezwaren waren verbonden dat voortzetting daarvan redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Hoewel de rechtbank begrip had voor het feit dat de forse reistijd een zware wissel trok op appellant, is het zijn keuze geweest om een dienstverband aan te gaan op grote afstand van zijn huis en komt (de vergissing in) de forse reistijd voor zijn rekening en risico. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat appellant op het moment van de ontslagname al geruime tijd op en neer reisde en dat van zijn (tijdelijke) contract nog drie maanden resteerden. Volgens de rechtbank is appellant dan ook verwijtbaar werkloos geworden. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat het Uwv de uitbetaling van de WW-uitkering blijvend geheel heeft geweigerd over de periode van 1 mei 2023 tot en met 31 juli 2023. Het Uwv is verplicht de uitkering te weigeren als de werknemer een verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onder b ten 1e of ten 4e1 van de WW niet is nagekomen. Appellant wordt evenwel niet tegengeworpen dat hij de hiervoor genoemde verplichtingen niet is nagekomen, maar hem wordt tegengeworpen dat hij de verplichting bedoeld in artikel 24, eerste lid, onder a, van de WW niet is nagekomen doordat hij verwijtbaar werkloos is geworden. In dat geval moet het Uwv artikel 27, eerste lid, van de WW toepassen door een bedrag blijvend op de uitkering in mindering te brengen. In het elfde lid van dit artikel staat vermeld hoe het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend. Gelet op artikel 27, eerste en elfde lid, van de WW heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte de uitkering over de periode 1 mei 2023 tot en met 31 juli 2023 blijvend geheel geweigerd. De rechtbank heeft geen reden gezien om zelf in de zaak te voorzien, omdat het Uwv zich in het bestreden besluit niet heeft uitgelaten over de mate van verwijtbaarheid in de zin van artikel 27, eerste lid, van de WW en over de vraag of sprake is van dringende redenen in de zin van artikel 27, achtste lid, van de WW.

Nader besluit

3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv op 29 juli 2025 een nieuwe beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen. Het Uwv heeft – in overeenstemming met de aangevallen uitspraak – zijn standpunt gehandhaafd dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Het Uwv is niet gebleken van verminderde verwijtbaarheid en ook is volgens het Uwv geen sprake van een dringende reden om van het opleggen van een maatregel af te zien. Op de uitkering van appellant wordt voor de maanden mei en juni 2023 – met toepassing van artikel 27, elfde lid, van de WW – een bedrag van € 4.184,81 en over de maand juli 2023 een bedrag van € 3.905,82 in mindering gebracht. Aangezien deze bedragen hoger zijn dan de bedragen van de WW-uitkering komt deze uitkering in die maanden niet tot uitbetaling. Hangende het hoger beroep heeft het Uwv in zijn (nadere) verweerschrift van 3 februari 2026 de grondslag van bestreden besluit 2 gewijzigd in die zin dat het besluit is gebaseerd op artikel 24, vijfde lid, van de WW juncto artikel 27, derde lid, van de WW juncto artikel 2, eerste lid, onderdeel d, en artikel 7 van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten juncto paragraaf 7 van de Beleidsregels toepassing artikel 24 en 27 WW 2006. Kortgezegd: een maatregel in de vorm van een tijdelijk gehele weigering voor de duur van de periode dat appellant nog in dienst had kunnen zijn wegens het plegen van een benadelingshandeling.

Het standpunt van appellant

4. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de rechtbank voorbijgaat aan de door hem aangevoerde bezwaren. Volgens hem heeft hij aangetoond dat hij zich heeft ingespannen om te voorkomen dat hij aanspraak moet maken op een WWuitkering door lager betaalde arbeid te aanvaarden. Met het opleggen van de maatregel wordt onvoldoende rekening gehouden met zijn persoonlijke situatie. Hij heeft zich om gezondheidsredenen genoodzaakt gevoeld ontslag te nemen; anders had hij zich ziek moeten melden. Hij heeft nog getracht met werkgeefster tot een oplossing te komen, maar dat is niet gelukt. Verder heeft appellant gesteld dat hij van het Uwv toestemming had om zich te oriënteren op werkzaamheden als zelfstandige voor de periode van 15 mei 2023 tot en met 25 juni 2023, in welke periode hij zijn uitkering zou behouden. In dit verband heeft appellant verwezen naar een brief van 12 mei 2023. Ook met dit aspect is geen rekening gehouden.

4.1.

In reactie op bestreden besluit 2 heeft appellant naar voren gebracht dat hij vanaf 3 juli 2023 andere werkzaamheden verricht, zodat hij in die maand niet (verwijtbaar) werkloos was.

Het standpunt van het Uwv

5. Het Uwv heeft naar aanleiding van vragen van de Raad te kennen gegeven dat aan appellant een maatregel had moeten worden opgelegd wegens het plegen van een benadelingshandeling. Appellant is weliswaar verwijtbaar werkloos geworden, maar het dienstverband zou binnen drie maanden niet verwijtbaar zijn geëindigd. Dit heeft volgens het Uwv verder geen consequenties, omdat de maatregel al was beperkt tot de maanden mei, juni en juli 2023. Verder heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat appellant per juli 2023 een nieuwe arbeidsovereenkomst is aangegaan, niet maakt dat de benadeling die tot werkloosheid heeft geleid teniet wordt gedaan.

Het oordeel van de Raad

6. Met bestreden besluit 2 heeft het Uwv opnieuw op het bezwaar van appellant beslist. Met dit bestreden besluit 2 is uitvoering gegeven aan de in de aangevallen uitspraak gegeven opdracht. Het bestreden besluit 2 wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken.

6.1.

De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en of het Uwv in hoger beroep de WWuitkering terecht heeft geweigerd op grond van een benadelingshandeling over de periode van 1 mei 2023 tot en met 31 juli 2023. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en dat het beroep tegen bestreden besluit 2 ook niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het (hoger) beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

6.2.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat hij verwijtbaar werkloos is geworden, is een herhaling van wat hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd en geeft geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft deze gronden besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant door zelf ontslag te nemen verwijtbaar werkloos is geworden.

6.3.

Voor de conclusie dat sprake is van verminderde ernst of verwijtbaarheid als bedoeld artikel 3, tweede lid, van de Beleidsregel maatregelen Uwv ziet de Raad geen aanleiding. De rechtbank heeft terecht overwogen dat van appellant verwacht had mogen worden dat hij zijn werkzaamheden voor de resterende drie maanden had voortgezet. Daarbij is nog van belang dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 13 februari 2024 inzichtelijk heeft toegelicht dat op medische gronden geen noodzaak bestond om ontslag te nemen. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe (medische) informatie overgelegd die zou kunnen leiden tot een ander oordeel.

6.4.

De stelling van appellant dat het Uwv hem zou hebben toegezegd dat hij tot zijn pensioengerechtigde leeftijd een WW-uitkering zou ontvangen en dat het Uwv hem in de gelegenheid heeft gesteld zich te oriënteren om werkzaamheden als zelfstandige te verrichte, slaagt niet. Uit de door appellant overgelegde stukken blijkt niet dat het Uwv dergelijke toezeggingen heeft gedaan. Uit de brief van 12 mei 2023 blijkt dat niet het Uwv maar WWplus, de uitvoeringsinstantie voor bovenwettelijke werkloosheidsuitkeringen, appellant een dergelijke onderzoeksperiode heeft toegekend. Nog los van het feit dat het Uwv niet gebonden kan worden geacht aan toezeggingen van WWplus blijkt bovendien dat aan appellant pas op 12 mei 2023 toestemming is verleend voor de onderzoeksperiode, terwijl de appellant verweten handeling (de ontslagname) al voor 1 mei 2023 heeft plaatsgevonden. Ook is niet gebleken dat het Uwv – anders dan appellant lijkt te veronderstellen – partij is geweest bij de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst in 2017 met de vorige werkgever van appellant, [naam werkgever] , en appellant, zodat het Uwv evenmin gebonden is aan de in die vaststellingsovereenkomst gemaakte afspraken.

6.5.

Met het Uwv is de Raad van oordeel dat gelet op het feit dat vaststaat dat de dienstbetrekking van appellant binnen drie maanden na zijn ontslagname niet verwijtbaar zou zijn geëindigd, het Uwv appellant terecht een maatregel heeft opgelegd wegens benadeling voor de duur van de periode dat appellant nog in dienst had kunnen zijn.2 In dit opzicht slaagt het beroep van appellant niet.

Conclusie en gevolgen

6.6.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Het beroep tegen bestreden besluit 2 slaagt evenmin. Dit betekent dat het Uwv de WW-uitkering van appellant terecht heeft geweigerd over de periode van 1 mei 2023 tot en met 31 juli 2023.

7. Gelet op het feit dat het Uwv het bestreden besluit 2 pas in het nadere verweerschrift van 3 februari 2026 heeft voorzien van een deugdelijke grondslag en motivering, ziet de Raad aanleiding het Uwv op te dragen het in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

  • verklaart het beroep tegen het besluit van 29 juli 2025 ongegrond;

  • bepaalt dat het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en M.E. Fortuin en L.A. Kjellevold als leden, in tegenwoordigheid van A.N. Bechinka als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) A.N. Bechinka

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregels

Werkloosheidswet

Artikel 24

1. De werknemer voorkomt dat hij:

a. verwijtbaar werkloos wordt;

(…)

2. De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden indien:

a. aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt;

b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.

(…)

5. De werknemer is verplicht zich zodanig te gedragen dat hij door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds of het Uitvoeringsfonds voor de overheid niet benadeelt of zou kunnen benadelen. Onder benadeling in de zin van dit artikel is niet begrepen een gedraging als bedoeld in artikel 25.(…)

Artikel 27

1. Het Uwv brengt een bedrag blijvend op de uitkering in mindering indien de werknemer een verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of onderdeel b, onder 3°, niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval brengt het Uwv de helft van het bedrag, bedoeld in de eerste zin, in mindering over ten hoogste een periode van 26 weken.

(…)

3. Het Uwv weigert de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in de artikelen 24, eerste lid, onderdeel b, onder 1° of 4°, of vijfde lid, of 26, artikel 55, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of artikel 28, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, dan wel ter zake van het niet binnen de door het UWV daarvoor vastgestelde termijn nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in artikel 25.

(…)8. Het Uwv kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

(…)11. Het bedrag, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt als volgt berekend:

A x B x (C / D). Hierbij staat:

A voor 0,75 in de eerste twee maanden waarop recht op uitkering bestaat en daarna voor 0,7;

B voor het aantal uren in een kalendermaand dat de werknemer gewerkt zou hebben indien hij de arbeid, bedoeld in het eerste of tweede lid, zou hebben aanvaard, verkregen of behouden;

C voor het dagloon; en

D voor het gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek, bedoeld in artikel 16, tweede en zesde lid, gedeeld door 5.

Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten

Artikel 2

1. De hoogte en duur van een, op grond van de in artikel 1, onderdelen b tot en met n, genoemde wetten, op te leggen maatregel wordt, met dien verstande dat de hoogte van de maatregel ten minste € 25 bedraagt, vastgesteld op:(…)

d. een blijvend gehele weigering van de uitkering bij verplichtingen uit de vierde categorie, bedoeld in artikel 7, tenzij het niet nakomen van de verplichting de belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten, in welk geval onderdeel c van toepassing is; of

(…)

5. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel d, wordt bij overtreding van de verplichting, bedoeld in artikel 24, vijfde lid, van de WW, onder «blijvend gehele» verstaan:

a. de gehele uitkering voor de duur dat de verzekerde de aanspraak op loon zou hebben kunnen doen gelden, dan wel de dienstbetrekking zou hebben kunnen voortduren; of

b. dat deel van de uitkering dat niet tot uitbetaling zou komen, indien de benadelingshandeling niet had plaatsgevonden.

Artikel 7

De verplichtingen op grond van de in artikel 1, onderdelen b tot en met h, genoemde wetten, worden ingedeeld in de vierde categorie voor zover zij betrekking hebben op:

a. het zich zodanig gedragen dat de belanghebbende door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het Uitvoeringsfonds voor de overheid, de Werkhervattingskas, de eigenrisicodrager of het Toeslagenfonds niet benadeelt of zou kunnen benadelen, bedoeld in de artikelen 24, vijfde lid, van de WW, 45, eerste lid, onderdeel j, van de ZW en 13, eerste lid, van de IOW;(…).

Beleidsregels toepassing artikelen 24 en 27 WW 2006

Paragraaf 7

De hoofdregel is dat bij verwijtbare werkloosheid door UWV een blijvend gehele weigering wordt opgelegd of een verlaging van de uitkering tot 35% gedurende (maximaal) 26 weken (bij verminderde verwijtbaarheid). Op deze hoofdregel wordt één uitzondering gemaakt. Die uitzondering geldt voor situaties waarin weliswaar sprake is van verwijtbare werkloosheid, maar tevens vaststaat dat het dienstbetrekking binnen drie maanden niet verwijtbaar zou zijn geëindigd. In dat geval wordt door UWV een maatregel wegens benadeling opgelegd voor de duur van de periode dat de werknemer nog in dienst had kunnen zijn.

Beleidsregel maatregelen Uwv

Artikel 3. Afstemming op ernst en verwijtbaarheid

(…)

2. Van verminderde ernst of verwijtbaarheid, die aanleiding is voor toepassing van een verlaagd percentage, is sprake indien:

a. het niet naleven van een niet termijn gebonden verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van de uitkering, en evenmin heeft kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor de re-integratie van de betrokkene;

b. het niet naleven van de verplichting, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene of de omstandigheden waaronder het niet naleven van de verplichting heeft plaatsgevonden, hem slechts in beperkte mate kan worden aangerekend; of

c. de betrokkene uit eigen beweging de nadelige gevolgen van het niet naleven van de verplichting ongedaan heeft gemaakt voordat het UWV die gedraging had geconstateerd.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »