RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/6085
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 oktober 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. N. Kose-Albayrak),
en
Dienst Toeslagen, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van verweerder van 24 september 2024. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoekster heeft zich bij verweerder gemeld en verzocht om een integrale beoordeling van de kinderopvangtoeslag.
3. Met het primaire besluit van 13 augustus 2024 heeft verweerder besloten dat verzoekster geen recht heeft op een vergoeding. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en op 27 juli 2026 een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter.
Wat vindt verzoekster?
4. In haar verzoekschrift stelt verzoekster dat verweerder heeft bepaald dat zij bij de behandeling van haar bezwaar ambtelijk zal worden gehoord op 20 augustus 2026. Dit is tegen de wens van verzoekster, omdat zij uitdrukkelijk heeft aangegeven dat zij wil worden gehoord door de onafhankelijke Bezwaarschriftenadviescommissie (BAC). Verweerder heeft daar ten onrechte geen gehoor aan gegeven. Verzoekster stelt dat de opvolgende beroepsprocedure volgens haar geen reëel alternatief biedt voor de onderhavige voorziening. Het afwachten van de bodemprocedure zou volgens haar de gehele procedure vertragen. In het kader van de belangenafweging stelt zij zich op het standpunt dat haar belangen in dit geval zwaarder wegen, omdat het hier gaat om het behoud van een onafhankelijke procedurele waarborg die niet meer kan worden hersteld als het eenmaal is gepasseerd. Zij verzoekt de voorzieningenrechter een voorlopige voorzieningen te treffen dat verweerder verbiedt om het bezwaar van verzoekster door middel van ambtelijk horen af te doen en dat zij wordt gehoord door de BAC.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. De conclusie is in dit geval dat er geen spoedeisend belang is. Daartoe acht de voorzieningenrechter allereerst van belang dat de datum van de ambtelijke hoorzitting inmiddels is verstreken. Verzoekster heeft niet gereageerd op de vraag van de rechtbank om gelet op die omstandigheid het spoedeisend belang nader te onderbouwen. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat de hoorzitting inmiddels heeft plaatsgevonden waardoor het spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening is komen te vervallen.
6. Daarnaast had verzoekster onvoldoende onderbouwd waarom niet kon worden gewacht op de uitkomst van de bezwaarprocedure en, indien nodig, een daaropvolgende beroepsprocedure. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij bij behandeling van haar bezwaar door de BAC dient te worden gehoord en dat het achterwege blijven daarvan een onherstelbaar procedureel gebrek oplevert. De voorzieningenrechter volgt haar daarin niet. Ambtelijk horen kan soms nodig zijn om de omvang van het geschil te bepalen, waarna alsnog een hoorzitting door de BAC kan volgen. Indien ten onrechte niet door de BAC wordt gehoord kan dit worden beoordeeld in een eventuele beroepsprocedure. In die procedure kan verweerder worden opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, waarbij het gebrek alsnog wordt hersteld. Van een onomkeerbare situatie is daarom geen sprake. Voor zover verzoekster stelt dat het afwachten van de bezwaar- en eventuele beroepsprocedure leidt tot vertraging, overweegt de voorzieningenrechter dat de enkele omstandigheid dat een procedure tijd in beslag neemt, onvoldoende is om een spoedeisend belang aan te nemen. Dat geldt in beginsel immers voor iedere bezwaar- en beroepsprocedure. Verzoekster heeft niet concreet onderbouwd waarom juist in haar geval sprake is van zodanige gevolgen dat niet kan worden gewacht op de uitkomst van de reguliere rechtsgang. De voorzieningenrechter is dan ook niet gebleken van een spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt. De voorzieningenrechter is ook niet van oordeel dat op dit moment al evident is dat het besluit op bezwaar onrechtmatig zal zijn, omdat verzoekster niet is uitgenodigd om door de BAC te worden gehoord.
Conclusie en gevolgen
7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026.
|
griffier |
de voorzieningenrechter is verhinderd te tekenen |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.