Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-9594
Zaaknummer: C/09/696341
Datum beschikking: 28 augustus 2026
Hoofdverblijfplaats, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en alimentatie
Beschikking op het op 16 december 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N.M. Zeeman in Zoetermeer.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. B.S. van Haeften in Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
-
het verzoekschrift, met bijlagen, namens de moeder;
-
het verweerschrift, met zelfstandig verzoek en bijlagen, namens de vader;
-
het bericht van 23 juni 2026, met bijlage, namens de vader;
-
het bericht van 24 juni 2026, met bijlage, namens de moeder;
-
het bericht van 7 juli 2026, met bijlage, namens de vader;
-
de brief van 8 juli 2026, met bijlagen, namens de moeder.
De minderjarige [minderjarige] heeft in een gesprek met de kinderrechter haar mening ten aanzien van de verzoeken gegeven.
Op 9 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat, de vader met zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Feiten
-
Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2002 tot [datum 2] 2016.
-
Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats].
-
Partijen hebben in 2016 afspraken over onder een verdeling van de zorg- en opvoedtaken vastgelegd in een ouderschapsplan.
-
In 2020 hebben partijen een samenlevingsovereenkomst gesloten. Deze is per 28 februari 2023 beëindigd.
-
[minderjarige] verblijft van maandagochtend tot en met woensdagochtend bij de moeder en van woensdagmiddag tot en met vrijdagochtend bij de vader. In de weekenden is [minderjarige] de ene week bij haar moeder en de andere week bij haar vader.
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt de rechtbank – na wijziging – :
-
te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben;
-
te bepalen dat tussen de vader en [minderjarige], een zorgregeling zal gelden waarbij [minderjarige] om de week van vrijdag uit school tot zondag 12:00 uur bij de vader zal verblijven;
-
te bepalen dat de vader een bedrag van € 393,- per maand, dan wel een in goede justitie te bepalen bijdrage, dient te voldoen aan de moeder als bijdrage in de kosten van de verzorging van [minderjarige], zulks te voldoen vóór iedere eerste dag van de maand en met ingang van 1 oktober 2025, dan wel per 14 november 2025, althans per datum indiening verzoekschrift, althans met ingang van een in goede justitie te bepalen datum;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Tevens verzoekt de vader de rechtbank zelfstandig:
- te bepalen dat de zorgregeling waarvan nu sprake is wordt opgenomen in de beschikking, waarbij [minderjarige] bij de vader is:
- de ene week van woensdag uit school tot en met zondag, waarbij [minderjarige] gezien haar leeftijd naar eigen behoefte aangeeft wanneer zij naar haar moeder wenst te gaan,
- de andere week van woensdag uit school tot vrijdag naar school;
-
te bepalen dat de schoolvakanties bij helfte tussen de ouders wordt verdeeld;
-
te bepalen dat de kinderalimentatie wordt vastgesteld op een bedrag van € 127,- per maand, althans op een zodanig bedrag zoals uw rechtbank in goede justitie vermeend te behoren, met ingangsdatum dat uw rechtbank de beschikking afgeeft, dan wel per datum dat de moeder het verzoek heeft ingediend;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling
Hoofdverblijfplaats
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a lid 2 aanhef en onder b van het BW, kan de rechter, in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag, op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag, waaronder de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank gebleken dat de ouders het erover eens zijn dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft. Nu het belang van [minderjarige] zich hier niet tegen verzet zal de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder bepalen.
Zorgregeling
Wettelijke kader
Ingevolge artikel 1:377 e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van
hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een
beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat
bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De vader voert primair aan dat van een wijziging van omstandigheden geen sprake is en dat de moeder om die reden niet-ontvankelijk is in haar verzoek. Subsidiair voert de vader aan dat er geen reden is om de zorgregeling te wijzigen en dat de huidige regeling het meest in het belang van [minderjarige] is.
Beoordeling
Sinds juli 2024 wordt er door de ouders uitvoering gegeven aan een co-ouderschapsregeling waarbij [minderjarige] de helft van de tijd bij haar moeder is en de helft van de tijd bij haar vader. De moeder verzoekt een regeling vast te leggen die erop neerkomt dat [minderjarige] om het weekend bij haar vader is. De moeder heeft zorgen ten aanzien van de omgang tussen [minderjarige] en haar vader. In dat verband geeft de moeder aan dat de vader veel afwezig is op de momenten dat hij de zorg voor [minderjarige] draagt en dat er onvoldoende zicht is op wat [minderjarige] in haar vrije tijd doet wanneer zij bij haar vader is. De moeder heeft met name zorgen over de omgang met jongens en contacten die [minderjarige] heeft via sociale media. De vader betwist dat hij onvoldoende aanwezig is als hij de zorg voor [minderjarige] heeft. De enkele keer dat hij niet aanwezig kan zijn in verband met zijn werkverplichtingen spreekt hij met de moeder af dat [minderjarige] dan bij de moeder verblijft. Ook herkent de vader de zorgen niet over de sociale contacten van [minderjarige]. Volgens de vader is [minderjarige] daar open over.
Namens de Raad is tijdens de zitting aangegeven dat [minderjarige] een puber van 16 is met een heel eigen leven. Het is goed dat de ouders flexibel met de zorgregeling omgaan en [minderjarige] daarin ook vrij laten. Volgens de Raad past dit bij de leeftijd van [minderjarige] en is er geen aanleiding om nu de zorgregeling ingrijpend te wijzigen.
De rechtbank overweegt het volgende. De ouders geven al geruime tijd uitvoering aan de huidige zorgregeling. Dat de moeder zorgen heeft over met name de sociale contacten van [minderjarige], betekent niet dat het om die reden ook in het belang van [minderjarige] is dat zij een aanzienlijk groter deel van de tijd bij haar moeder is. De rechtbank heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat de vader onvoldoende verantwoordelijkheid neemt als het aankomt op de opvoeding en verzorging van [minderjarige]. Hoewel er op het gebied van communicatie tussen de ouders zaken beter kunnen, is de rechtbank van oordeel dat de huidige zorgregeling goed loopt en waarbij de ouders flexibel omgaan met de afspraken hetgeen past bij de leeftijd van [minderjarige]. Van een relevante wijziging van omstandigheden die maakt dat wijziging van de zorgregeling aan de orde kan zijn, is niet gebleken. Dat heeft tot gevolg dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoek tot wijziging van de zorgregeling.
De rechtbank zal de zorgregeling waar nu uitvoering aan wordt gegeven vastleggen, zoals door de vader is verzocht. Daarbij betrekt de rechtbank het voorgaande maar ook dat [minderjarige] in het gesprek met de kinderrechter heeft aangegeven dat er wat haar betreft geen reden is om de zorgregeling te wijzigen. Ook de rechtbank acht deze regeling het meest in haar belang.
Kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: de expertgroep) opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Op de zitting is namens de vader bezwaar gemaakt tegen de namens de moeder ingediende stukken van 8 juli 2026. Alhoewel de stukken laat zijn ingediend zal de rechtbank de stukken toelaten. De rechtbank acht dit niet in strijd met de goede procesorde nu de vader niet in zijn belang is geschaad gezien de beperkte omvang en eenvoudig te doorgronden inhoud van de stukken.
Ingangsdatum
De rechtbank zal in redelijkheid als ingangsdatum van de vast te stellen kinderalimentatie de datum van de indiening van het verzoekschrift hanteren, te weten 16 december 2025. Vanaf dat moment had de vader rekening kunnen houden me een te betalen bedrag aan kinderalimentatie. Op de zitting is gebleken dat de vader hier ook rekening mee heeft gehouden. De vader heeft vanaf 1 januari 2026 een bedrag van € 132,- per maand aan de moeder betaald.
Behoefte
Voor het bepalen van de behoefte dient allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen ten tijde van hun uiteengaan te worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen samen, eventueel inclusief kindgebonden budget. De ouders zijn in 2023 uit elkaar gegaan.
De ouders zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige], op basis van een gemaximeerd NBGI van € 6.000,- per maand, € 870,- per maand bedroeg in 2023. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte van [minderjarige] € 984,- per maand. De moeder stelt dat de behoefte van [minderjarige] vervolgens vermeerdert moet worden met de kosten van haar lenzen tot een bedrag van € 1.029,- per maand. De vader voert verweer. De kosten van de lenzen zijn inbegrepen in de behoefte van [minderjarige], aldus de man. De kosten zijn niet zo hoog dat de behoefte van [minderjarige] hiermee vermeerderd dient te worden.
Voor de behoefte van een kind wordt aangesloten bij de Nibudtabellen, waar alle gebruikelijke kosten voor een kind zijn inbegrepen, afgestemd op de hoogte van het netto gezinsinkomen tijdens de relatie. In uitzonderlijke gevallen kan de behoefte worden verhoogd. Bijvoorbeeld als er sprake is van een kind met een handicap, topsport of zodanig hoge kosten voor kinderopvang dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door aan andere posten, zoals bijvoorbeeld kleding, minder geld uit te geven. Door de moeder is een factuur met daarop de kosten voor een halfjaar lenzen overgelegd van € 280,50. Daarmee komen de kosten op € 46,75 per maand. De rechtbank is van oordeel dat daarmee, zonder bijkomende omstandigheden waarvan niet is gebleken, niet van uitzonderlijk hoge kosten. als in dit verband bedoeld, kan worden gesproken.
Draagkracht
De behoefte van een kind moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van de ouders moet conform de aanbevelingen uit het rapport 2025 in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)].
Draagkracht vader
De draagkracht van de vader is in geschil. De moeder stelt dat bij de draagkracht van de vader rekening gehouden moet worden met zijn maandelijkse loon, maandelijkse persoonlijke toeslag en met een driemaandelijkse inzetbaarheidsbonus van € 125,- per kwartaal. De vader voert verweer. De vader stelt dat hij deze bonus enkel ontvangt als hij het gehele kwartaal niet ziek is. Het is daarmee geen structureel inkomen volgens de vader. De rechtbank oordeelt als volgt. Op de zitting heeft de vader toegelicht dat hij vorig jaar elk kwartaal de inzetbaarheidsbonus heeft ontvangen, maar dat als hij een dag, of zelfs een dagdeel, ziek is hij deze bonus niet krijgt. Gezien het voorgaande acht de rechtbank het redelijk om jaarlijkse rekening te houden met het tweemaal verkrijgen van de inzetbaarheidsbonus door de vader.
Bij de berekening van de financiële draagkracht gaat de rechtbank uit van een salaris uit loon van € 5.800,- per maand en een persoonlijke toeslag van € 382,- per maand, zoals blijkt uit zijn salarisstroken van augustus, september en oktober 2025. Op basis van het bovenstaande, houdt de rechtbank daarnaast rekening met een inzetbaarheidsbonus van
€ 250,- per jaar. Rekening houdende met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de vader op € 4.456,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De draagkracht van de vader bedraagt volgens de formule € 1.266,- per maand, te weten 70% x [4.456 – (0,3 x 4.456 + 1.310)].
Draagkracht moeder
Bij de berekening van de financiële draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 73.923,- per jaar uit loon, zoals blijkt uit haar jaaropgave 2025. Rekening houdende met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de moeder op € 4.500,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De moeder verzoekt rekening te houden met haar werkelijke woonlasten. Ze stelt dat haar werkelijke hypotheeklasten € 1.218,87 per maand bedragen. Daarnaast betaalt de moeder ook maandelijkse VVE-kosten ten hoogte van € 304,33. De moeder stelt dat de bijdrage van de VVE flink omhoog zal gaan in verband met groot onderhoud en in 2027 € 440,32 gaat bedragen. De vader voert gemotiveerd verweer. De rechtbank overweegt als volgt. De moeder heeft onvoldoende onderbouwd dat er rekening moet worden gehouden met hogere VVE-kosten. Uit de eigen stellingen van de moeder volgt dat het nog onzeker is of er daadwerkelijk een stijging komt en, zo ja, wanneer en hoe hoog deze zal zijn. De rechtbank zal daarom geen rekening houden met de door de moeder gestelde verhoging in woonlasten. Het woonbudget van de moeder bedraagt volgens de berekening van de rechtbank € 1.350,- per maand. De rechtbank merkt het verschil tussen de werkelijke woonlasten en het forfaitaire woonbudget niet aan als aanmerkelijke hogere woonlasten. De rechtbank zal daarom geen rekening houden met haar werkelijke woonlasten.
De draagkracht van de moeder bedraagt volgens de formule € 1.288,- per maand, te weten 70% x [4.500 – (0,3 x 4.500 + 1.310)].
Conclusie
Gelet op de gezamenlijke draagkracht van partijen van (€ 1.266,- + € 1.288,- =) € 2.554,- per maand bedraagt het eigen aandeel van de vader in de kosten van [minderjarige] naar rato van zijn draagkracht (€ 1.266,- / € 2.554,- x € 984,-) € 488,- per maand.
Op de door de vader te betalen bijdrage dient in beginsel een zorgkorting in mindering te worden gebracht. De zorgkorting bedraagt een percentage van de behoefte, welk percentage afhankelijk is van de hoeveel omgang of zorg. Gelet op de vast te stellen zorgregeling ziet de rechtbank aanleiding om rekening te houden met een zorgkorting van 35%. Dat bedrag aan zorgkorting bedraagt € 344,- per maand (35% van € 984,-). De rechtbank zal daarom een bedrag aan kinderalimentatie van € 144,- per maand vaststellen.
Indexering
De rechtbank zal de kinderalimentatie met terugwerkende kracht vaststellen met ingang van 16 december 2025. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1165, zal de rechtbank de kinderalimentatie verhogen met de jaarlijkse indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW met ingang van 1 januari 2026 tot een bedrag van € 151,-. Met ingang van 1 januari 2027 wordt het laatstgenoemde bedrag van rechtswege verhoogd met de jaarlijkse indexering.
Beslissing
De rechtbank:
*
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot wijziging van de zorgregeling;
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats], haar hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben;
*
bepaalt dat [minderjarige] bij de vader is:
-
de ene week van woensdag uit school tot en met zondag, waarbij [minderjarige] gezien haar leeftijd naar eigen behoefte aangeeft wanneer zij naar haar moeder wenst te gaan,
-
de andere week van woensdag uit school tot vrijdag naar school;
*
bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 16 december 2025 een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 144,- per maand, en met ingang van 1 januari 2026 € 151,- per maand zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, rechter, bijgestaan door mr. C.A.E. de Koning als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 28 augustus 2026. |