Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/703855 / FA RK 25-5647
Beschikking van 2 september 2026 over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de onderhoudsbijdrage
in de zaak van:
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. A. Fakiri te Den Haag,
t e g e n
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. R.A.F. Jansen te Rotterdam.
de ouders van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] .
1 De verdere procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
-
de beschikking van 10 juni 2026, afgegeven op 22 juli 2026;
-
het bericht van de rechtbank aan partijen en de raad van 22 juli 2026;
-
het bericht van de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad) van 17 juli 2026;
-
de berichten van de vrouw van 27 juli 2026 en 17 augustus 2026;
-
het aanvullend verzoek van de man van 11 augustus.
De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor een nadere mondelinge behandeling. Zij doet de zaak af op de stukken.
2 De verdere beoordeling
Zorgregeling
De man verzoekt een regeling van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
(hierna: de zorgregeling) vast te stellen met een opbouwregeling als volgt:
-
in de eerste zes maanden verblijft de minderjarige twee keer in de maand gedurende één uur bij de man;
-
daarna wordt de regeling uitgebreid naar één weekend in de maand, van vrijdag na school tot zondag om 18.00 uur;
-
na drie maanden wordt de regeling opnieuw uitgebreid naar één weekend per twee weken, eveneens van vrijdag na school tot zondag 18.00 uur.
De vrouw vraagt om de verzoeken van de man af te wijzen, althans om bij het vaststellen van (begeleid) contact rekening te houden met dat wat de vrouw heeft opgemerkt over de intensiteit van verzorging en veiligheid voor zowel de vrouw als de minderjarige.
Rechtsmacht
De zaak heeft een internationaal karakter, zodat eerst de vraag beantwoord moet
worden of aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarigeFout! De documentvariabele ontbreekt. \* MERGEFORMAT in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de zorgregeling.
Erkenning van de Marokkaanse beslissing
De rechtbank van Eerste Aanleg, afdeling familierecht te Casablanca (Marokko) heeft op 4 oktober 2022, als nevenvoorziening bij de echtscheiding, bepaald dat de vrouw gehouden is de man in de gelegenheid te stellen de minderjarige wekelijks te bezoeken op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur, alsook op de tweede dag van de religieuze feestdagen en tijdens de eerste helft van de schoolvakanties. De rechtbank is van oordeel dat deze beslissing niet voor erkenning in Nederland in aanmerking komt. Zij overweegt daartoe als volgt.
Het omgangsrecht valt binnen het materieel toepassingsgebied van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996, Trb. 1997, 299 (hierna: HKBV). Marokko en Nederland zijn allebei aangesloten bij het verdrag. Artikel 23 HKBV bepaalt dat de maatregelen die door de autoriteiten van een verdragsluitende staat zijn genomen van rechtswege in alle andere verdragsluitende staten worden erkend. Op grond van lid 2 van het artikel kan erkenning worden geweigerd als de maatregel is genomen door een autoriteit wiens bevoegdheid niet was gebaseerd op één van de in artikel 5 tot en met 10 HKBV bedoelde gronden.
Artikel 10 HKBV ziet op het treffen van nevenvoorzieningen bij echtscheiding, waarvan in deze zaak sprake is. De Marokkaanse rechter kan, ook als minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, als nevenvoorziening bij echtscheiding een omgangsregeling vaststellen, als aan alle van de in artikel 10 lid 1 HKBV genoemde voorwaarden is voldaan. Het eerste lid van het artikel luidt als volgt: onverminderd de artikelen 5 tot en met 9, kunnen de autoriteiten van een Verdragsluitende Staat, in de uitoefening van hun bevoegdheid om te beslissen over een verzoek tot echtscheiding (…) van de ouders van een kind dat zijn gewone verblijfplaats heeft in een andere Verdragsluitende Staat, (…), maatregelen nemen ter bescherming van de persoon of het vermogen van dat kind indien het recht van hun Staat daarin voorziet en indien:
-
op het tijdstip van de aanvang van de procedure een van de ouders zijn of haar gewone verblijfplaats heeft in die Staat en een van hen de ouderlijke verantwoordelijkheid over het kind heeft, en
-
de bevoegdheid van deze autoriteiten om dergelijke maatregelen te nemen zowel door de ouders is aanvaard, als door enige andere persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van het kind, en het belang van het kind daarmee is gediend.
In deze zaak is niet voldaan aan de voorwaarde dat één van partijen op het tijdstip van de aanvang van de echtscheidingsprocedure zijn of haar gewone verblijfplaats in Marokko had. De man heeft verklaard dat partijen en de minderjarige hun gewone verblijfplaats niet in Marokko hebben gehad. De vrouw heeft dit niet weersproken. De stelling van de man wordt ondersteund door de gegevens uit de Basisregistratie Personen, nu daaruit volgt dat partijen en de minderjarige vanaf 2013 onafgebroken in Nederland ingeschreven staan. De rechtbank leidt daarom uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling af dat partijen en de minderjarige bij aanvang van de echtscheidingsprocedure hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Aan artikel 10 HKBV kon de Marokkaanse rechter de bevoegdheid om een zorgregeling te bepalen daarom niet ontlenen. Die kon de Marokkaanse rechter ook niet ontlenen aan de artikelen 5 tot en met 9 HKBV. Dit betekent dat de erkenning van de beslissing over de omgang op grond van artikel 23 lid 2 HKBV kan worden geweigerd. De rechtbank vindt dat ook redelijk, omdat de rechter van het land waar de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft het beste in staat de situatie en het belang van de minderjarige te beoordelen.
Het oordeel van de rechtbank dat de Marokkaanse beslissing over de omgang niet voor erkenning in aanmerking komt, brengt mee dat de rechtbank moet oordelen over het verzoek een (eerste) zorgregeling vast te stellen. Van deze buitenlandse beslissing kunnen partijen in Nederland geen nakoming of wijziging vragen.
Toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarigeFout! De documentvariabele ontbreekt. \* MERGEFORMAT in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
Op grond van artikel 1:253a BW, voor zover hier van belang, kan de rechtbank op verzoek van de gezaghebbende ouders of een van hen een zorgregeling vaststellen.
Bij beschikking van 10 juni 2026 is de behandeling van de verzoeken over de zorgregeling aangehouden in afwachting van het verslag van de raad. De rechtbank heeft in haar tussenbeschikking reeds geoordeeld dat op het moment geen sprake kan zijn van onbegeleide omgang gelet op de zeer specialistische zorgbehoefte van de minderjarige in combinatie met onbetwiste stelling van de vrouw dat er nooit sprake is geweest van omgang waarbij de man zelf de zorg voor de minderjarige heeft gehad. Het contact heeft steeds kortdurend plaatsgevonden in de woning van de vrouw en in haar bijzijn. Het laatste contact is van inmiddels (ruim) zes jaar geleden. De raad heeft na de mondelinge behandeling contact opgenomen met het ontwikkelcentrum van de minderjarige om te informeren of, en zo ja, welke mogelijkheden er voor de man zijn om daar contact te hebben met de minderjarige. De rechtbank heeft op 17 juli 2026 het verslag van 1 juni 2026 van de raad ontvangen. Het verslag is opgesteld na contact heeft met gedragsdeskundige [naam] , werkzaam bij Kinderopvangplus van Pameijer. De vrouw heeft gereageerd op het verslag op 27 juli 2026. Van de man heeft de rechtbank niets meer vernomen.
Uit ingebrachte verslag volgt dat de minderjarige continu zorg en toezicht nodig heeft. Hij functioneert gemiddeld op een niveau van een kind van twaalf maanden, maar op sommige gebieden is hij iets verder en op andere gebieden zit hij daar iets onder. Hij kan zich niet verbaal uiten en het is noodzakelijk zijn gedrag goed te kunnen lezen om op de juiste wijze bij hem aan te kunnen sluiten. De vrouw kan zijn gedrag goed lezen en bij hem aansluiten, maar het is een dagtaak. De vaste medewerkers van de opvang leren dit steeds beter. Als er minder bekende medewerkers zijn, kan de minderjarige ontregeld raken. Hij heeft een bovengemiddelde behoefte aan voorspelbaarheid en vaste gezichten. Omdat hij daarnaast epilepsie heeft, is het bovendien nodig om alert te blijven. De inhoud van het verslag komt overeen met wat de vrouw de rechtbank eerder in deze procedure naar voren heeft gebracht.
De inschatting van de raad is dat er op het moment geen draagkracht bij de minderjarige is voor het contact met de man. Onduidelijk is of deze mogelijkheid er op de lange termijn wel is. De minderjarige heeft geen besef van het begrip ‘vader’ en het is niet de verwachting dat hij kan begrijpen wie zijn vader is. Er zijn binnen het ontwikkelcentrum geen mogelijkheden voor de man om de minderjarige te bezoeken; de minderjarige verblijft op een groep met andere kinderen met een verhoogde kwetsbaarheid. Een bezoek zal ook effect hebben op hen.
Gelet op de overgelegde informatie komt de rechtbank tot de conclusie dat het op dit moment niet in het belang van de minderjarige kan worden geacht om een regeling vast te leggen. Voldoende is gebleken dat dit de draagkracht van de minderjarige zal overstijgen. Gelet op de zeer specialistische zorgbehoefte van de minderjarige is het uiterst belangrijk dat voldoende rekening wordt gehouden met zijn behoefte en draagkracht. Daarbij komt dat gebleken is dat het contact tussen de man en de minderjarige niet vormgegeven kan worden binnen het ontwikkelcentrum. Gezien de onderlinge verhouding tussen de man en de vrouw en de belastbaarheid van de vrouw acht de rechtbank het ook niet van haalbaar dat partijen de contactmomenten in onderling overleg regelen zoals zij dat kennelijk tot zes jaar geleden hebben gedaan. Dat betekent dat de rechtbank het verzoek van de man zal afwijzen.
Dit betekent niet dat de man helemaal geen onderdeel kan uitmaken van het leven van de minderjarige. Onduidelijk is hoe de toekomst eruit zal komen te zien. Het ontwikkelcentrum heeft aangeboden om de man op regelmatige basis van informatie over de minderjarige te voorzien. Zij zijn bereid om de man wekelijks een update of foto sturen en kunnen hem toevoegen aan een app, zodat hij het functioneren van de minderjarige op de groep kan volgen. De vrouw heeft in haar bericht van 27 juli 2026 kenbaar gemaakt dat zij hier ook achter staat. De rechtbank hoopt dat de man gebruik zal maken van dit aanbod.
Onderhoudsbijdrage
De man verzoekt, na wijziging op 11 augustus 2026, om:
primair:
- te bepalen dat de hoederechtvergoeding van 200 dirham per maand, de huisvestingsvergoeding van 800 dirham per maand en de feestbijdrage van 1.000 dirham per religieuze feestdag, zoals vastgesteld bij de echtscheidingsbeschikking van de Marokkaanse rechtbank 4 oktober 2022, moeten worden aangemerkt als kosten van verzorging en opvoeding in de zin van artikel 1:404 BW, en deze posten, samen met de onderhoudsbijdrage van 1.000 dirham per maand, elk met ingang van de hiervoor genoemde data te wijzigen en vast te stellen op € 25,- per maand, dan wel op nihil;
subsidiair:
- voor zover de rechtbank de hoederechtvergoeding, de huisvestingsvergoeding en/of de feestbijdrage niet aanmerkt als kosten van verzorging en opvoeding in de zin van artikel 1:404 BW deze posten afzonderlijk, elk met ingang van de hiervoor genoemde data, te wijzigen en op nihil te stellen.
De vrouw vraagt de rechtbank om het verzoek van de man af te wijzen. Als de
rechtbank van oordeel is dat de man onvoldoende draagkracht heeft het destijds vastgelegde
bijdrage te kunnen voldoen, dan verzoekt zij de man in ieder geval te verplichten om met ingang datum indiening verzoekschrift het minimale bedrag van € 25,- per maand aan de vrouw te voldoen.
Bij tussenbeschikking van 10 juni 2025 is de man in de gelegenheid gesteld om nadere informatie te verstrekken over de Marokkaanse echtscheidingsbeschikking, waarin (ook) een onderhoudsbijdrage is vastgesteld. De rechtbank heeft deze informatie verstrekt op 11 augustus 2026. De vrouw heeft gereageerd bij bericht van 17 augustus 2026.
Rechtsmacht
De zaak heeft een internationaal karakter, zodat eerst de vraag beantwoord moet
worden of aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Omdat partijen in Nederland woonplaats hebben, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van artikel 3, aanhef en sub a en b, van de Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4/2009 van 18 december 2008).
Erkenning buitenlandse beslissing
De mogelijkheid tot erkenning en tenuitvoerlegging van een Marokkaanse beslissing over een onderhoudsbijdrage wordt beheerst door artikel 431 Rv. Op grond van het eerste lid van dat artikel kan een beslissing die is gegeven door de rechter van een vreemde staat niet in Nederland ten uitvoer worden gelegd, tenzij deze tenuitvoerlegging haar grondslag vindt in een verdrag of in en wettelijke bepaling, zoals bedoeld in artikel 985 of artikel 993 Rv. Tussen Marokko en Nederland bestaat geen verdrag op het punt van de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing over een onderhoudsbijdrage.
In het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2838) heeft de Hoge Raad de voorwaarden voor de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen naar commuun internationaal privaatrecht volgens artikel 431 Rv uiteengezet. Een buitenlandse beslissing moet in principe worden erkend als is voldaan aan de volgende voorwaarden:
-
de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is;
-
de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging;
-
de erkenning van de buitenlandse beslissing is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde, en
-
buitenlandse beslissing is niet onverenigbaar met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.
De rechtbank zal hierna de beslissing van de Marokkaanse rechtbank toetsen aan de hiervoor genoemde voorwaarden.
(a) Marokkaanse rechter naar internationale maatstaven bevoegd?
De bevoegdheidsgronden die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar zijn, zijn kenbaar uit internationale verdragen. Alhoewel de Alimentatieverordening hier niet van toepassing is, bevat deze wel algemeen erkende uitgangspunten waaraan een bredere gelding kan worden toegekend. Om die reden sluit de rechtbank ten aanzien van de bevoegdheid aan bij de Alimentatieverordening. Gekeken naar de bevoegdheidsgronden van de Alimentatieverordening kwam de Marokkaanse rechter bij de onderhavige beslissing rechtsmacht toe, omdat het alimentatieverzoek een nevenverzoek was in de echtscheidingsprocedure en de (advocaat van de) man in de procedure is verschenen zonder de bevoegdheid van de Marokkaanse rechter te betwisten.
(b) Een met voldoende waarborgen omklede rechtspleging in Marokko?
De rechtbank ziet geen aanleiding voor de conclusie dat de rechtspleging in Marokko met onvoldoende waarborgen was omkleed. De man is blijkbaar naar behoren opgeroepen. Dat leidt de rechtbank af uit het feit dat uit de Marokkaanse uitspraak blijkt dat beide partijen tijdens de mondelinge behandeling vertegenwoordigd werden door hun advocaten.
(c) Erkenning van de Marokkaanse beslissing strijdig met de Nederlandse openbare orde?
Van strijd met de openbare orde is pas sprake indien het buitenlandse rechtsfeit in strijd is met materieelrechtelijke beginselen van juridische, sociale en morele aard, die in de Nederlandse rechtsgemeenschap voor fundamenteel worden gehouden. Het enkele feit dat het in het buitenland toegepaste recht afwijkt of niet identiek is aan het Nederlandse recht is daartoe onvoldoende. De rechtbank is van oordeel dat niet gebleken is dat de Marokkaanse beslissing met betrekking tot de alimentatie niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde.
(d) Marokkaanse beslissing onverenigbaar met een eerdere tussen partijen gegeven alimentatiebeslissing?
Tussen partijen is niet eerder over de kinderbijdrage beslist. Daarom kan van strijdigheid met een eerdere alimentatiebeslissing geen sprake zijn.
Conclusie
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat aan de voorwaarden van erkenning is voldaan, zodat de beslissing van de Marokkaanse rechtbank in Nederland kan worden erkend. Daarmee komt de rechtbank toe aan het verzoek van de man en moet de rechtbank onderzoeken of de buitenlandse beslissing over de kinderbijdrage kan en moet worden gewijzigd.
Toepasselijk recht
Op grond van artikel 3 van het Haagse Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, is Nederlands recht van toepassing.
Inhoudelijke beoordeling
Op grond van artikel 1:401 lid 4 BW kan een rechterlijke uitspraak over de kinderbijdrage bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Voor zover de man stelt dat sprake is van een situatie als genoemd in dit artikel overweegt de rechtbank dat de man daarvoor onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangedragen zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.
Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst over levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Deze wettelijke maatstaven zijn de behoeften van de alimentatiegerechtigde en de draagkracht van de alimentatieplichtige (artikel 1:397 lid 1 BW). Niet elke wijziging van omstandigheden is voldoende voor wijziging van de onderhoudsbijdrage. Alleen die wijzigingen waardoor het aanvankelijk vastgestelde of overeengekomen bedrag niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven, zijn in dit opzicht rechtens relevant. Volgens vaste jurisprudentie moet in geval van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden een volledige herbeoordeling plaats vinden aan de hand van alle op dat moment bestaande omstandigheden.
De rechtbank is van oordeel dat er in ieder geval sprake is van gewijzigde omstandigheden. Uit de stukken en dat wat besproken is tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat de man aanvankelijk werkzaam was als chauffeur. Op enig moment is hij in de ziektewet geraakt en inmiddels ontvangt hij een uitkering op grond van de Participatiewet. Anders dan in de buitenlandse procedure heeft de man nu uitkeringsspecificaties ingebracht. De rechtbank zal de kinderbijdrage (her)berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport) om te beoordelen of de bijdrage nog voldoen aan de wettelijke maatstaven.
De rechtbank zal als eerst een beslissing nemen over de ingangsdatum van de kinderbijdrage. Het verzoekschrift is op 23 juli 2025 bij de rechtbank ingediend zodat de vrouw vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met een wijziging van de bijdrage. Uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat de man in ieder geval met ingang van januari 2024 (alleen) een uitkering genoot op basis van de Participatiewet. Dat is een minimuminkomen. In 2024 is door de man ook geen kinderbijdrage betaald. Daarom vindt het redelijk om 1 januari 2024 als ingangsdatum vaststellen.
Omdat tussen partijen niet ter discussie staat dat draagkracht van de man de beperkende factor is, zal de rechtbank de berekening van het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarige (de behoefte) en de draagkracht van de vrouw achterwege laten en starten bij de draagkracht van de man. Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen van de man worden vastgesteld.
De man heeft een jaaropgave van 2024 en 2025 overgelegd, waaruit volgt dat hij een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd erkend dat het inkomen van de man minimaal is. Zijn draagkracht wordt aan de hand van de draagkrachttabel behorende bij het rapport vastgesteld op het minimumbedrag van € 25,- per maand.
Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 25,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Dat betekent dat de kinderbijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet en dat de rechtbank de bijdrage met ingang van 1 januari 2024 aldus zal wijzigen.
De rechtbank bepaalt dat zolang de man alleen een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt de wettelijke indexering op de verschuldigde kinderbijdrage niet zal worden toegepast, omdat een dergelijke uitkering gelijk is aan het bestaansminimum.
Wat wordt er gewijzigd?
In de Marokkaanse echtscheidingsbeschikking is een onderhoudsbijdrage vastgesteld ten behoeve van de minderjarige. Naast deze onderhoudsbijdrage kent de beschikking nog drie andere posten ten behoeve van de minderjarige waarvan de man in deze procedure wijziging heeft verzocht:
-
een hoederechtvergoeding;
-
een huisvestigingsvergoeding;
-
een feestbijdrage per religieuze.
Net als de man is de rechtbank van oordeel dat ook deze posten, ondanks hun andere benaming, naar hun functie evenzeer strekken tot het voorzien in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige als bedoeld in artikel 1:404 BW. De vrouw heeft zich op dit punt naar het oordeel van de rechtbank gerefereerd. De huisvestings-vergoeding voorziet immers in de woonlast van de minderjarige en de hoederecht-vergoeding strekt ertoe de dagelijkse zorg voor de minderjarige te faciliteren. De feestbijdrage is weliswaar in de Marokkaanse beschikking gegrond op gewoonte en gebruik, maar is uitsluitend ten behoeve van de minderjarige toegekend en dient, net als de overige posten, ter voorziening in zijn levensonderhoud.
De rechtbank zal met de hiervoor genomen beslissing over de kinderbijdrage de door de Marokkaanse rechtbank opgelegd bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige, waaronder de hiervoor genoemde posten, met ingang van
1 januari 2024 wijzigen.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
3 De beslissing
De rechtbank:
wijst af het verzoek van de man over het gezag en de zorgregeling;
wijzigt de beschikking rechtbank van Eerste Aanleg, afdeling familierecht te Casablanca (Marokko) heeft op 4 oktober 2022 in die zin, dat de daarbij aan de man opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (waaronder de onderhoudsbijdrage, de hoederechtvergoeding, de huisvestigingsvergoeding en de feestbijdrage) met ingang van 1 januari 2024 wordt bepaald op € 25,- per maand;
bepaalt dat deze onderhoudsbijdrage zolang de man een uitkering heeft op grond van de Participatiewet jaarlijks niet zal worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J. Veldthuis, griffier, op 2 september 2026. |
||
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.