Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-6373
Zaaknummer: C/09/690515
Datum beschikking: 1 september 2026
Zorgregeling en kinderalimentatie
Beschikking op het op 18 augustus 2025 ingekomen verzoek van:
[de man],
de man,
volgens de Basisregistratie Personen Registratie Niet Ingezetenen,
advocaat: mr. F. Arslan te ‘s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T.Y. Tsang te ’s-Gravenhage.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
-
het verzoekschrift;
-
het F9-formulier van 17 september 2025 van de zijde van de man, met bijlagen;
-
het F9-formulier van 3 oktober 2025 van de zijde van de man, met bijlagen;
-
het verweerschrift;
-
het F9-formulier van 20 oktober 2025 van de zijde van de man, met bijlagen;
-
het F9-formulier van 6 juli 2026 van de zijde van de man;
-
het F9-formulier van 16 juli 2026 van de zijde van de man, met bijlage;
-
de F9-formulieren van 21 juli 2026 van de zijde van de man, met bijlagen.
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in raadkamer hun mening gegeven over het verzoek.
Op 21 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
-
de man met zijn advocaat;
-
de vrouw met haar advocaat;
-
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Feiten
-
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van [datum 1] 2008 tot [datum 2] 2012.
-
Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats],
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats].
-
Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.
-
Bij beschikking van deze rechtbank van 23 april 2012 is – voor zover hier van belang – :
- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
- bepaald dat de minderjarigen de hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben;
- bepaald dat de minderjarigen volgens een opbouwregeling, in Nederland, bij de man zullen zijn, waarbij zij uiteindelijk eenmaal per twee weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de man zijn, alsmede twee aaneengesloten weken gedurende de schoolvakantie in de zomer;
- bepaald dat de man een kinderalimentatie van € 125,- per maand per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 9 oktober 2020 is – voor zover hier van belang –:
- bepaald dat de minderjarigen volgens een opbouwregeling bij de man zullen zijn, waarbij zij uiteindelijk om de week op zaterdag of zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur bij de man zullen zijn;
- bepaald dat de man een kinderalimentatie van € 49,- per kind per maand zal betalen, met ingang van 26 februari 2020, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- bepaald dat de vrouw aangaande hetgeen zij na 26 februari 2020 eventueel teveel heeft gekregen aan kinderalimentatie geen terugbetalingsverplichting heeft.
- Als gevolg van de wijziging van rechtswege op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek bedraagt de door de man te betalen kinderalimentatie sinds 1 januari 2026 € 62,92 per kind per maand.
Verzoek en verweer
De man verzoekt – met wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 23 april 2012 –:
-
te bepalen dat er een omgangsregeling komt van een weekeinde per 14 dagen;
-
te bepalen dat de bijdrage in de kosten van levensonderhoud ten behoeve van de minderjarigen nihil zal zijn per datum dat het derde kind van de man is geboren ([datum 3] 2016), dan wel per datum dat de man naar [land] is verhuisd (18 oktober 2017), dan wel per datum dat de man zijn baan is verloren (21 mei 2021), dan wel per datum dat de man gedetineerd is geraakt (augustus 2024), dan wel per datum indiening verzoekschrift;
-
te bepalen dat de bijdrage in de kosten van levensonderhoud ten behoeve van de minderjarigen naar de draagkracht van de man zal zijn;
-
althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
-
compensatie van de proceskosten;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Zorgregeling
De man heeft op de zitting zijn verzoek met betrekking tot de zorgregeling ingetrokken, zodat de rechtbank daar niet meer op hoeft te beslissen.
Wijziging kinderalimentatie
Ontvankelijkheid
De man beroept zich op het eerste lid van artikel 1:401 BW. Dat sprake is van een wijzigingsgrond, is tussen partijen in geschil.
Volgens de man zijn er meerdere momenten geweest afgelopen jaren die een wijziging in de hoogte van de kinderalimentatie kunnen rechtvaardigen. De man is opnieuw vader geworden, hij is verhuisd naar [land], heeft in detentie gezeten en is zijn baan verloren door ziekte.
De vrouw vindt dat de man niet-ontvankelijk verklaard moet worden in zijn verzoek. Bij beschikking van 9 oktober 2020 is de kinderalimentatie al verlaagd vanwege de geboorte van het derde kind van de man. De man woonde in die tijd ook al in [land]. De vrouw vindt daarom niet dat er nu opnieuw sprake is van een wijziging van omstandigheden.
De rechtbank overweegt dat, ondanks dat een deel van wijzigingsgronden al in de vorige beschikking mee zijn genomen, er opnieuw sprake is van een wijziging van omstandigheden. Door de man is immers naar voren gebracht dat hij in detentie heeft gezeten en dat hij zijn baan is verloren. Dat was ten tijde van de vorige beschikking nog niet het geval. De rechtbank zal daarom de man ontvangen in het verzoek en hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijzigingsgrondslag leidt tot een wijziging van de rechterlijke uitspraak.
Inhoudelijke beoordeling
De man stelt dat hij op dit moment onvoldoende draagkracht heeft om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voldoen. Hij verzoekt daarom nihilstelling van de kinderalimentatie. Ter onderbouwing van dit verzoek brengt de man naar voren dat hij zijn baan is verloren nadat hij ziek werd. Enige tijd later is de man gedetineerd geraakt, waarna het een stuk lastiger is geworden om werk te vinden. Hij heeft wel geprobeerd werk te vinden, maar dit lukt niet goed. De man werkt nu een paar uur per week en ontvangt een soort uitkering. De man heeft daarnaast nog een schuldenlast. Het lukt de man gelet hierop niet om kinderalimentatie te betalen.
De vrouw vindt dat er sprake is van verwijtbaar inkomensverlies. Volgens de vrouw is de man niet werkloos geraakt doordat hij ziek werd, maar door werkweigering. Dat is te lezen in de beschikking van de kantonrechter van 20 mei 2021. Het is voor de vrouw onduidelijk wat de man in de daaropvolgende jaren heeft gedaan om (voldoende) inkomen te verwerven. Ook de detentie rechtvaardigt volgens de vrouw niet een nihilstelling van de kinderalimentatie. Het is onduidelijk waarom de man in detentie heeft gezeten en is het ook onduidelijk of dit daadwerkelijk van invloed is op het vinden van een baan. De vrouw vindt dat er aan de zijde van de man een verdiencapaciteit is en hij moet dus gewoon een bijdrage leveren in de kosten van de kinderen.
De rechtbank zal het verzoek van de man afwijzen en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank volgt de vrouw in het standpunt dat er sprake is van verwijtbaar inkomensverlies. De rechtbank vindt dit inkomensverlies naast verwijtbaar ook vermijdbaar. De man is zijn baan kwijtgeraakt door werkweigering en is in detentie geraakt. Dat dit van invloed is geweest op het inkomen van de man is aan hemzelf te wijten en had voorkomen kunnen worden. De man heeft onvoldoende aangetoond dat het hem door de detentie niet lukt om een baan te krijgen. De man heeft daarnaast onvoldoende aangetoond dat hij zijn huidige werk niet voor meer uur per week zou kunnen doen. Dit alles maakt dat de rechtbank het verzoek tot nihilstelling afwijst. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat zij ook niet een gewijzigd bedrag aan kinderalimentatie zal bepalen. De man heeft een verdiencapaciteit en zal het bij beschikking van 9 oktober 2020 bepaalde bedrag aan kinderalimentatie moeten blijven voldoen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Beslissing
De rechtbank:
wijst de verzoeken van de man ten aanzien van de kinderalimentatie af;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. P. Burgers, rechter, en uitgesproken op de openbare zitting van 1 september 2026. De griffier is buiten staat deze beschikking te ondertekenen. |