Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-6944
Zaaknummer: C/09/691554
Datum beschikking: 4 september 2026
Wijziging kinderalimentatie en zorgregeling
Beschikking op het op 16 september 2025 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.M. Wigman te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.H.P.C. Glaudemans te Delft.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
-
het verzoekschrift;
-
het verweerschrift tevens verzoekschrift;
-
het F9-formulier van 2 april 2026 van de zijde van de man, met bijlage;
-
het F9-formulier van 29 juni 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlage;
-
het F9-formulier van 16 juli 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;
-
het F9-formulier van 20 juli 2026 van de zijde van de man, met bijlagen;
-
het F9-formulier van 21 juli 2026 van de zijde van de man;
-
het F9-formulier van 21 juli 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen.
De minderjarige [de minderjarige 2] heeft in een gesprek met de rechter haar mening gegeven over het verzoek.
Op 29 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
-
de man met zijn advocaat;
-
de vrouw met haar advocaat;
-
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Van de zijde van de man zijn pleitnotities overgelegd. De vrouw heeft tijdens de zitting een brief voorgelezen, die ze ook heeft overgelegd en aan het dossier is toegevoegd.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man luidt:
-
te bepalen, althans voor recht te verklaren, dat partijen elkaar in de periode van 15 maart 2023 tot en met 28 mei 2025 over en weer geen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verschuldigd zijn;
-
met wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 6 februari 2023, te bepalen dat de kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 2] met ingang van 15 maart 2023 althans per 19 april 2023 althans per 28 mei 2025 op nihil wordt gesteld;
-
te bepalen dat de vrouw, ten behoeve van de kosten voor levensonderhoud van [de minderjarige 2] , per 19 april 2023 althans per 28 mei 2025 althans per datum indiening verzoekschrift een bijdrage aan de man dient te leveren ter hoogte van € 288,- per maand, althans een bedrag dat de rechtbank redelijk acht, telkens bij vooruitbetaling te voldoen,
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de vrouw zelfstandig verzocht, met wijziging van de beschikking van het gerechtshof van 28 mei 2025:
-
de verzoeken van de man af te wijzen, dan wel een zodanige bijdrage vasts te stellen en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;
-
een zorgregeling buiten de vakanties en feestdagen vast te stellen inhoudende dat [de minderjarige 2] bij de vrouw verblijft, de ene week van vrijdagavond tot woensdag naar school en de andere week van maandag uit school tot woensdag naar school, waarbij de vrouw [de minderjarige 2] op haar dagen naar de training brengt en haar daar weer ophaalt en de vrouw de hockeywedstrijden, dan wel andere sporten of activiteiten van [de minderjarige 2] kan bijwonen,
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
Feiten
- Partijen zijn gehuwd geweest van 10 juni 2015 tot 1 mei 2023.
- Zij zijn de ouders van de volgende (minderjarige) kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2006 te [geboorteplaats] ,
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats] .
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige 2] uit.
- [de minderjarige 2] heeft haar hoofdverblijf bij de vader.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 6 februari 2023 – voor zover hier van belang – de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is:
- een door de man te betalen kinderalimentatie vastgesteld ten behoeve van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] van € 26,- per maand;
- bepaald dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] de hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben;
- bepaald dat [de minderjarige 2] bij de man zal zijn in de oneven weken, met wisselmoment op de vrijdagmiddag om 17.00 uur, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties, in onderling overleg te bepalen.
- Bij beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 10 mei 2023 is bepaald dat [de minderjarige 2] met ingang van 1 mei 2023 met de vrouw in de echtelijke woning zal zijn voor de duur van de procedure in hoger beroep:
- de ene week van zaterdagmiddag 14.00 uur tot woensdagochtend 9.00 uur;
- de andere week van maandag na school tot woensdagochtend 9.00 uur.
- Bij beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 28 mei 2025 is de beschikking van 6 februari 2023 van de rechtbank, voor zover het betreft de kinderalimentatie, bekrachtigd en is bepaald dat [de minderjarige 2] :
- haar hoofdverblijfplaats bij de man zal hebben;
- bij de vrouw verblijf in de ene week van maandag uit school tot woensdag naar school en in de andere week van zaterdag na de hockeywedstrijd tot woensdag naar school en dat zij de rest van de tijd bij de man verblijft.
- Als gevolg van de wijziging van rechtswege op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedraagt de door de man te betalen kinderalimentatie sinds 1 januari 2026 € 30,75 per maand.
Beoordeling
Kinderalimentatie
Verklaring voor recht
De man verzoekt een verklaring voor recht af te geven dat partijen elkaar in de periode van 15 maart 2023 tot en met 28 mei 2025 over en weer geen onderhoudsbijdragen ten behoeve van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn verschuldigd. Partijen zijn in de voorlopige voorzieningenprocedure bij het hof met beschikking van 19 april 2023 overeengekomen dat zij voor de duur van het hoger beroep over en weer geen onderhoudsbijdragen verschuldigd waren aan elkaar. De vrouw vordert voor deze periode nu ten onrechte kinderalimentatie.
De vrouw voert verweer en stelt dat hoewel partijen zijn overeengekomen tussen 15 maart 2023 en 28 mei 2025 geen onderhoudsbijdragen aan elkaar verschuldigd te zijn, is het verzoek van de man in hoger beroep uiteindelijk afgewezen. Hierdoor is de beschikking van de rechtbank waarbij een bijdrage van € 26,- per kind per maand is bepaald, in kracht van gewijsde gegaan. De vrouw verzoekt dit verzoek af te wijzen.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de beschikking van 19 april 2023 van het hof Den Haag blijkt dat partijen zijn overeengekomen zoals de man naar voren brengt. De vrouw betwist deze afspraak niet, maar stelt dat vanwege het feit dat het verzoek van de man in hoger beroep bij eindbeschikking is afgewezen, de beschikking van de rechtbank van 6 februari 2023 in kracht van gewijsde gaat en de alimentatieplicht van de man herleeft. Aan dit standpunt van de vrouw gaat de rechtbank voorbij. Hoewel de alimentatieplicht van de man na de beschikking van het hof van 28 mei 2025 inderdaad herleeft, geldt dit niet voor de tussenliggende periode van de voorlopige voorzieningenprocedure waarin partijen overeen zijn gekomen dat zij aan elkaar geen bijdragen verschuldigd zijn. De rechtbank zal het verzoek van de man toewijzen en een verklaring voor recht afgeven.
Wijzigingsverzoeken
Ontvankelijkheid
De man beroept zich op het eerste lid van artikel 1:401 BW. Dat sprake is van een wijzigingsgrond, is tussen partijen in geschil.
De man voert het volgende aan. Bij beschikking van 28 mei 2025 heeft het gerechtshof bepaald dat de eerder overeengekomen zorgregeling als definitieve regeling heeft te gelden en dat het hoofdverblijf van [de minderjarige 2] bij de man zal zijn. Dit vormt een wijziging van omstandigheden ten opzichte van de beschikking van deze rechtbank van 6 februari 2023. Daarnaast is het inkomen van de man sindsdien gewijzigd. Waar hij eerst inkomen uit loon ontving, heeft hij nu een WIA-uitkering. Gedurende de procedure in hoger beroep is tevens de zorgregeling over [de minderjarige 2] gewijzigd. Zij is meer tijd bij de man gaan verblijven, waardoor ook sprake is van een wijziging van omstandigheden. De man verzoekt zijn bijdrage aan kinderalimentatie aan de vrouw per 15 maart 2023, althans per 19 april 2023 althans per 28 mei 2025 op nihil te stellen. Wat betreft de ingangsdatum van de kinderalimentatie door de vrouw aan de man te voldoen, sluit de man aan bij het moment van wijziging van het hoofdverblijf van [de minderjarige 2] per 28 mei 2025, althans datum indiening van zijn verzoekschrift op 15 september 2025.
De vrouw betwist dat vanwege de wijziging van het hoofdverblijf van [de minderjarige 2] sprake is van een wijziging van omstandigheden. Dit hoeft er niet direct toe te leiden dat er daarom een bijdrage van de vrouw aan de man kan worden vastgesteld. Daarnaast voert de vrouw aan dat de zorgverdeling tussen de ouders evenredig is gedurende het jaar. De vrouw betaalt alle kosten als [de minderjarige 2] bij haar is. De man ontvangt de kinderbijslag en het kindgebonden budget. De vrouw is om deze redenen van mening dat het niet redelijk is als zij een bijdrage aan kinderalimentatie aan de man zou moeten betalen.
De rechtbank zal de man ontvangen in zijn verzoek, daar sprake is van een wijziging van omstandigheden met ingang van 28 mei 2025. Dit is de datum van de eindbeschikking van het gerechtshof waarin het hoofdverblijf van [de minderjarige 2] is gewijzigd naar de man.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden, die rechtvaardigt dat de beschikking van 6 februari 2023 moet worden gewijzigd.
De rechtbank zal het verzoek van de man om met ingang van 28 mei 2025 de door hem aan de vrouw te betalen kinderalimentatie op nihil te stellen, toewijzen. Niet in geschil is dat [de minderjarige 2] per deze datum hoofdzakelijk bij de man is gaan wonen. Nu de man sinds de beschikking van 6 februari 2023 niets aan de vrouw heeft betaald aan kinderalimentatie, is er geen sprake van een terugbetalingsverplichting van de vrouw aan de man. Vanaf de datum van beschikking van 6 februari 2023 tot 15 maart 2023 had de man deze verplichting nog wel.
De rechtbank zal het verzoek van de man om bijdrage aan kinderalimentatie vast te stellen van de vrouw aan de man te betalen, toewijzen. De rechtbank zal dit vaststellen per datum beschikking zoals de vrouw heeft voorgesteld. Vanwege de onderlinge onenigheid over de onderhoudsbijdragen tijdens het hoger beroep en de periode daarna acht de rechtbank het in dit geval niet redelijk om met ingang van datum indiening verzoekschrift een bijdrage vast te stellen. Hierbij weegt de rechtbank mee dat de man sinds de beschikking van 6 februari 2023 ook niets aan de vrouw heeft voldaan. Niet in geschil tussen partijen is dat vanwege het draagkrachttekort van partijen de bijdrage van de vrouw aan de man niet meer dan € 25,- per maand kan zijn. Dit zal de rechtbank vaststellen met ingang van deze beschikking.
Zorgregeling
De vrouw heeft verzocht de zorgregeling te wijzigen. Sinds de overeenstemming bij de voorlopige voorzieningenprocedure bij het gerechtshof van 10 mei 2023 voeren partijen deze regeling uit, inhoudende dat [de minderjarige 2] bij de vrouw verblijft in de ene week van maandag uit school tot woensdag naar school en de andere week van zaterdag na de hockeywedstrijd tussen 14.00 uur en 15.00 uur tot woensdag na school. De vrouw wenst [de minderjarige 2] vaker te zien en dit was ook de oorspronkelijke bedoeling van partijen. Van de man mag de vrouw op zaterdagochtend niet al bij de hockeywedstrijd van [de minderjarige 2] komen kijken omdat de man de coach is van dit team. [de minderjarige 2] mag zelfs van de man niet meer op dinsdagmiddag naar de training komen, omdat de vrouw [de minderjarige 2] dan zou moeten brengen en halen van de hockey.
De vrouw verzoekt te bepalen dat [de minderjarige 2] in de ene week van vrijdagavond tot woensdag naar school bij de man is en de andere week van maandag uit school tot woensdag naar school, waarbij de vrouw [de minderjarige 2] op haar dagen naar de training brengt en ophaalt en de vrouw de hockeywedstrijden van [de minderjarige 2] kan bijwonen.
De man voert verweer en stelt dat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden, op grond waarvan de vrouw niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Als de rechtbank hieraan voorbij zou gaan, moet volgens hem het verzoek van de vrouw worden afgewezen. Partijen zijn in de procedure bij het hoger beroep deze zorgregeling overeengekomen en deze zorgregeling verloopt goed. De zorg wordt evenredig verdeeld tussen de ouders en er is geen reden om dit te wijzigen.
De rechtbank overweegt als volgt. Met de man is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden. Deze wijziging heeft de vrouw niet gesteld noch onderbouwd. De wens van de vrouw om meer tijd door te brengen met [de minderjarige 2] bij sociale activiteiten maakt niet dat sprake is van een dergelijke wijziging van omstandigheden op grond waarvan de zorgregeling gewijzigd zou moeten worden. De rechtbank verklaart de vrouw daarom niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 6 februari 2023 –:
*
verklaart voor recht dat partijen elkaar in de periode van 15 maart 2023 tot en met 28 mei 2025 over en weer geen onderhoudsbijdragen ten behoeve van de minderjarige kinderen [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2006 te [geboorteplaats] en [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats] , verschuldigd zijn;
*
bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 28 mei 2025 ten behoeve van [de minderjarige 2] op nihil;
*
bepaalt de door de vrouw aan met ingang van heden te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 2] op € 25,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. P. Burgers, rechter, en uitgesproken op de openbare zitting van 4 september 2026. De griffier is buiten staat deze beschikking te ondertekenen. |