Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/704676 / FA RK 25-6027
Beschikking van 2 september 2026 over vaststelling ouderschap en de onderhoudsbijdrage
in de zaak van:
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. M.E. Hoogenraad te Maassluis,
e n
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2021, hierna: de minderjarige,
vertegenwoordigd door mr. M. van Eck, advocaat te Rotterdam,
in de hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarige,
hierna: de bijzondere curator,
tegen
[naam man] , hierna: de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
niet verschenen.
1 De procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
-
de beschikking van deze rechtbank van 15 september 2025, waarbij de bijzondere curator is benoemd;
-
het verslag tevens verzoekschrift met bijlage, tevens zelfstandig verzoekschrift, van de bijzondere curator van 10 november 2025;
-
het bericht met bijlage van de vrouw van 20 november 2025;
-
het aanvullend verzoekschrift van de vrouw met bijlagen van de vrouw, binnengekomen op 25 juli 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2026. Daarbij zijn verschenen:
-
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
-
de bijzondere curator.
De man is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. Hij is per aangetekende en gewone brief opgeroepen op zijn BRP-adres, zodat de rechtbank van oordeel is dat de man behoorlijk is opgeroepen.
2 De vaststaande feiten
De vrouw is de moeder van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats 1] .
De minderjarige is niet erkend.
Partijen hebben de Bulgaarse nationaliteit.
3 De beoordeling
Vaststelling ouderschap en DNA-onderzoek
De vrouw verzoekt vaststelling van het ouderschap van de man over de minderjarige. Na aanvulling verzoekt zij, indien de rechtbank van oordeel is dat een DNA-onderzoek moet worden bevolen, dat de man wordt veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan het DNA-onderzoek onder verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag dat hij hieraan niet meewerkt, en, indien hij daarmee in gebreke blijft, de vrouw te machtigen om de nakoming te bewerkstelligen door het toepassen van lijfsdwang met behulp van de sterke arm door hem in gijzeling te nemen tot het moment dat hij wel tot medewerking overgaat.
De man is niet verschenen.
In het geval de vrouw niet kan worden ontvangen in haar verzoek, verzoekt de bijzondere curator namens de minderjarige het vaderschap van de man gerechtelijk vast te stellen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de bijzondere curator verduidelijkt dat ze de verzoeken van de vrouw ten aanzien van het opleggen van een dwangsom en lijfsdwang aan de man voor het meewerken aan een DNA-onderzoek overneemt. Zij heeft de stellingen van de vrouw integraal overgenomen.
Rechtsmacht
De Nederlandse rechter heeft op grond van artikel 3 aanhef en onder a Rv rechtsmacht, omdat de vrouw en de minderjarige woonplaats in Nederland hebben.
Toepasselijk recht
Op grond van artikel 10:97 BW wordt de vraag of ouderschap gerechtelijk kan worden vastgesteld bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de aangewezen ouder en de moeder of, als dit ontbreekt, door het recht van de staat waar de aangewezen ouder en de moeder elk hun gewone verblijfplaats hebben, of, als dit ook ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind.
Op grond van artikel 10:97 BW is, gelet op de gemeenschappelijke nationaliteit van de moeder en de aangewezen ouder, het Bulgaars recht van toepassing op het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap.
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 69 van het Bulgaars Familiewetboek (BFW) kan het vaderschap worden vastgesteld door een vordering ingediend door:
-
de moeder binnen drie jaar na de geboorte van het kind, of
-
het kind binnen drie jaar na het bereiken van de meerderjarige leeftijd.
Naar het oordeel van de rechtbank kan de vrouw niet worden ontvangen in haar verzoek, aangezien zij dit meer dan drie jaar na de geboorte van de minderjarige heeft ingediend. De rechtbank komt dan ook toe aan het voorwaardelijk verzoek van de bijzondere curator. Aangezien in het Bulgaars Familiewetboek aan het verzoek van het kind tijdens de minderjarigheid geen termijn is verbonden, is de rechtbank van oordeel dat de bijzondere curator wel kan worden ontvangen in het verzoek. De rechtbank zal daarom dit verzoek hieronder inhoudelijk beoordelen.
Inhoudelijke beoordeling
Voor de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is van belang of is komen vaststaan dat de man de biologische vader is van de minderjarige. De vraag of dit in deze procedure voldoende is aangetoond, betreft een processuele vraag waarop het Nederlands recht van toepassing is (artikel 10:3 BW).
Uit de parlementaire geschiedenis inzake het afstammingsrecht (Kamerstukken II 1996/97, 24 649 en 25 189, nr. 35, blz. 31) volgt dat de rechter ambtshalve bewijs kan verlangen en ambtshalve een deskundigenbericht, te weten een DNA-onderzoek, kan gelasten. Zo’n onderzoek is geen vereiste voor de rechter om te komen tot de conclusie dat een man de verwekker is van een kind.1 De bijzondere curator stelt dat de man de verwekker is van de minderjarige. Ter onderbouwing van die stelling wijst zij op de verklaringen van de vrouw. Zij verklaarde dat zij rondom het tijdstip van verwekking van de minderjarige een affectieve relatie had met de man en zij toen alleen met hem geslachtsgemeenschap had. Er zijn foto’s overgelegd die zijn gemaakt tijdens de relatie van partijen (productie 9). Tijdens de zwangerschap heeft zij ook nog contact gehad met de man. Uit overgelegde WhatsAppberichten van toen blijkt dat de man vraagt hoe de vrouw wil bevallen. Na de geboorte van de minderjarige stuurt de vrouw de man een foto van de minderjarige waarop de man reageert dat hij erg lijkt op hemzelf en zijn zoon [naam 1] . De vrouw beaamt dit en heeft ook foto’s overgelegd van beide kinderen waaruit de gelijkenissen blijken. Verder schrijft de vrouw tweemaal dat ze samen een (mooi) kind hebben gemaakt, waarna de man haar niet tegenspreekt. Hij schrijft op zijn beurt ‘dat nu ook nog is uitgekomen dat hij een kind heeft.’ Op het bericht van de vrouw ‘Je krijgt het gewoon niet over je hart. Als je zijn geurtje eenmaal ruikt, [naam 2] , wordt het heel zwaar voor je’ antwoordt de man: ‘Daarom wilde ik het niet, snap je nu waarom ik het niet wilde?’ De man heeft in de periode van 1 november 2022 tot en met 16 maart 2023 geregeld aan de vrouw gevraagd hoe het met de minderjarige gaat, zo blijkt uit door de vrouw overgelegde correspondentie (productie 12). Daarnaast heeft de man de minderjarige een aantal keer gezien middels videobellen (productie 11).
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het niet nodig om ambtshalve een deskundigenonderzoek, in de vorm van een DNA-onderzoek, te gelasten. De rechtbank is van oordeel dat de bijzondere curator de stelling dat de man de verwekker is van de minderjarige voldoende heeft onderbouwd, zodat deze is komen vaststaan. Het had op de weg van de man gelegen de stelling te betwisten en hij is hiertoe ook meerdere keren in de gelegenheid gesteld. Het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man over de minderjarige zal dan ook worden toegewezen.
Aangezien de rechtbank niet van oordeel is dat een DNA-onderzoek moet worden gelast, komt de rechtbank niet toe aan de voorwaardelijke verzoeken tot het opleggen van een dwangsom en lijfsdwang aan de man voor het niet meewerken aan een dergelijk onderzoek.
De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator. De rechtbank zal op die manier beslissen.
Onderhoudsbijdrage
De vrouw verzoekt vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 475,- per maand met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift.
De man is niet verschenen.
Het verzoek van de vrouw kan als onweersproken en op de wet gegrond worden toegewezen. Daarbij merkt de rechtbank op dat op grond van artikel 1:208 BW een alimentatieverplichting gelijktijdig kan worden opgelegd met de vaststelling van het ouderschap.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4 De beslissing
De rechtbank:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap;
stelt het ouderschap vast van:
[naam man] , geboren op [geboortedatum 2] 1988 te [geboorteplaats 2] , [geboorteland] , ten aanzien van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats 1] ;
draagt de griffier op om niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak
van deze beschikking – en als daartegen geen hoger beroep is ingesteld – een afschrift van
deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Rotterdam zoals bepaald in artikel 1:20e lid 1 BW;
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 5 augustus 2025, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 475,- per maand;
bepaalt dat deze onderhoudsbijdrage per 1 januari 2026 en ieder daarop volgend jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW;
beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van de datum van deze beschikking als beëindigd;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de vaststelling van het ouderschap;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. T. Houtepen, griffier, op 2 september 2026. |
||
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.