RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38431
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , v-nummer: [x] , verzoekster
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis bij haar kleinzoon. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 11 augustus 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 juni 2026 op het bezwaar van verzoekster is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat zij in het bezit wordt gesteld van een geldige mvv zodat zij Nederland kan inreizen en de behandeling van haar beroepsprocedure in Nederland mag afwachten.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat onverwijlde spoed dit vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad.1
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit beroep is ingesteld en onverwijlde spoed dit, gelet op de betrokken belangen, vereist.2 Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de beroepsprocedure niet. Voordat kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening moet worden beoordeeld of verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.
Waar gaat deze zaak over?
3. Verzoekster verblijft momenteel met haar zoon en zijn gezin in Egypte. Een kleinzoon van verzoekster (referent) heeft in Nederland een asielvergunning gekregen en verblijft in Nederland. Op 26 oktober 2022 heeft hij aanvragen ingediend voor mvv’s in het kader van nareis voor zijn gezinsleden. De minister heeft de aanvragen van zijn ouders, broers en zus op 5 juni 2026 na bezwaar ingewilligd. De aanvraag van verzoekster, de oma van referent, is afgewezen en het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat tussen verzoekster en referent geen sprake is van familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Daarom heeft de minister geen belangenafweging gemaakt in het kader van dat artikel.
Wat is de strekking van het verzoek?
4. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat de minister verzoekster gedurende de beroepsprocedure behandelt alsof zij in het bezit is van de gevraagde mvv. Dat zou betekenen dat verzoekster Nederland kan inreizen en met referent kan verblijven. Subsidiair verzoekt zij de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening te treffen die zij passend acht om te voorkomen dat verzoekster als enige en zonder adequate verzorging in Egypte achterblijft en om de dreigende scheiding van het gezin te voorkomen. Meer subsidiair verzoekt zij de voorzieningenrechter de minister op te dragen een nieuw besluit te nemen en verzoekster gedurende die termijn te behandelen als het ware zij in het bezit van een geldige mvv.
Toetsingskader
5. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster met haar verzoek om een voorlopige voorziening beoogt dat de minister wordt opgedragen haar in het bezit te stellen van een geldige mvv. Het verstrekken van een geldige mvv heeft feitelijk geen voorlopige karakter, omdat verzoekster hiermee Nederland zal kunnen inreizen en daarmee de feitelijke situatie ontstaat die verzoekster met haar mvv-aanvraag heeft beoogd, terwijl het beroep tegen de afwijzing daarvan nog niet door de rechtbank is behandeld. De gevolgen van toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening zijn daarom onomkeerbaar. De voorzieningenrechter wijst erop dat om die reden alleen in zeer bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat om een dergelijk verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. Daarvoor is alleen aanleiding in die gevallen waarin de nadelige gevolgen van de afwijzing van het verzoek in verhouding tot het belang van de minister bij het handhaven van de afwijzing van de aanvraag zo onevenredig zijn, dat het beroep niet kan worden afgewacht. Zo’n vergaande beslissing is echter alleen gerechtvaardigd als een zwaarwegend spoedeisend belang daarom vraagt en als er sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Dit betekent dat al bij globale beschouwing blijkt dat het besluit niet in stand kan blijven. Enkel in zeer bijzondere omstandigheden kan aanleiding bestaan om in deze situatie een dergelijke voorziening te treffen. De voorzieningenrechter zal daarom beoordelen of sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden.
Heeft verzoekster een spoedeisend belang?
6. Verzoekster voert aan dat zij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Zij voert aan dat voor de andere gezinsleden, aan wie een mvv is verleend, inmiddels een vlucht naar Nederland is geboekt voor 25 augustus 2026. Vooralsnog is geen vlucht geboekt voor haar zoon, maar verzoekster voert aan dat zij alleen in Egypte zal achterblijven wanneer haar zoon binnen de geldigheidsduur van drie maanden van de mvv naar Nederland vertrekt. Omdat de behandeling van het beroep niet te verwachten is vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de aan de gezinsleden verleende mvv’s en verzoekster daardoor op korte termijn alleen in Egypte dreigt achter te blijven, is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang.
Oordeel van de voorzieningenrechter
7. Verzoekster voert aan dat zij als 75-jarige voor haar dagelijkse verzorging, begeleiding en ondersteuning in belangrijke mate afhankelijk is van haar zoon, de vader van referent. Volgens verzoekster is in Egypte voor haar geen reëel en duurzaam alternatief zorgnetwerk beschikbaar. Zij wijst daarbij op haar medische en fysieke problematiek, waaronder diabetes en mobiliteitsproblemen en op de hulp die zij daarvoor nodig heeft. Volgens verzoekster is haar zoon haar primaire en feitelijk onmisbare mantelverzorger en heeft zij in Egypte geen andere kinderen, naaste familieleden of derden die deze zorg kunnen overnemen. Verzoekster voert aan dat de afwijzing van haar mvv daarom met zich meebrengt dat haar zoon wordt gedwongen bij haar in Egypte te blijven om haar de noodzakelijke zorg te blijven verlenen, waardoor hij van zijn echtgenote en kinderen wordt gescheiden. Van verzoekster en haar gezin kan niet worden verlangd dat zij gedurende de beroepsprocedure in een situatie van gedwongen gezinsscheiding verkeren. Bovendien zal zij alleen achterblijven in Egypte op het moment dat haar zoon ook naar Nederland vertrekt.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze omstandigheden niet maken dat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat een voorlopige voorziening met onomkeerbare gevolgen wordt toegewezen. De voorzieningenrechter acht daarbij van belang dat de gestelde afhankelijkheidsrelatie tussen verzoekster en haar zoon, de medische situatie van verzoekster en de vraag of in Egypte alternatieven voor zorg en ondersteuning beschikbaar zijn, door de minister in het bestreden besluit zijn betrokken en beoordeeld. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter ook dat referent in de bezwaarfase is gehoord. De gronden van verzoekster zien in belangrijke mate op de stelling dat de minister alle omstandigheden anders had moeten waarderen en dat de medische stukken en verklaringen tot een ander oordeel hadden moeten leiden. Deze beroepsgronden vergen een inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit en lenen zich niet voor de vaststelling dat het bestreden besluit bij een globale beschouwing niet in stand kan blijven. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat deze situatie voor verzoekster en haar gestelde gezin ingrijpend is, is daarmee niet gegeven dat treffen van een voorlopige voorziening in de gegeven omstandigheden is gerechtvaardigd.
Conclusie en gevolgen
8. Het verzoek wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.