Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-5107 (bodemprocedure) en FA RK 25-6392 (artikel 223 Rv)
Zaaknummer: C/09/688068 (bodemprocedure) en C/09/690550 (artikel 223 Rv)
Datum beschikking: 7 juli 2026
Omgang
Voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv
Beschikking op de op 7 juli 2025 en 25 augustus 2025 ingekomen verzoeken van:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.K. Gopal te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. B.S. van Haeften te Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
in de procedure met zaaknummer C/09/688068 / FA RK-5107
- het verzoekschrift;
- het bericht van 22 juli 2025 van de man;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek.
in de procedure met zaaknummer C/09/690550 / FA RK-6392
- het verzoekschrift;
- het bericht van 26 augustus 2025 van de vader;
- het bericht van 27 februari 2026 van de vader;
- het bericht van 2 april 2026 van de vader;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek.
Op 9 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Feiten
- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Uit de moeder is op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] geboren de minderjarige [minderjarige].
- De man heeft [minderjarige] niet erkend.
- De moeder oefent van rechtswege het eenhoofdig gezag over [minderjarige] uit.
Verzoek en verweer
De man verzoekt:
in de bodemprocedure (C/09/688068 / FA RK-5107)
- een omgangsregeling vast te stellen, waarbij [minderjarige] bij de man is:
- iedere woensdag na schooltijd tot 19:00 uur en eens per twee weken van vrijdagmiddag na school tot zondagmiddag 17:00 uur;
- gedurende de vakantie- en feestdagen conform het als in productie 6 overgelegde schema;
bij wijze van voorlopige voorziening (C/09/690550 / FA RK-6392)
- een voorlopige omgangsregeling vast te stellen, waarbij gedacht wordt aan een wekelijks omgangsmoment met een opbouw dan wel een regeling die de rechtbank vaststelt.
De moeder voert verweer, welke verweer – voor zover nodig – zal worden besproken en verzoekt in zowel de bodemprocedure als bij wijze van voorlopige voorziening zelfstandig te bepalen dat:
primair
- de man start met het versturen van kaartjes aan [minderjarige];
- er begeleid contact tussen [minderjarige] en de man zal plaatsvinden, waarbij de omgang voorlopig wordt begeleid door een onafhankelijke derde;
- de zaak voor het overige wordt aangehouden, waarna kan worden bekeken of de omgangsregeling onbegeleid kan plaatsvinden en zo ja, welke opbouw zal moeten volgen;
subsidiair
- er een opbouwregeling wordt vastgesteld conform punt 38 van het verweerschrift, alsdan dat er een opbouwregeling wordt vastgesteld zoals de rechtbank in goede justitie vermeend te behoren en waarbij de zaak voor wat betreft de overnachtingen wordt aangehouden;
primair en subsidiair
- partijen worden doorverwezen naar een traject bij Ouderschap Blijft, dan wel de Gezinsvertegenwoordiger,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
Beoordeling
Opmerking vooraf
De man heeft [minderjarige] niet erkend. Tussen partijen is echter niet in geschil dat de man de biologische vader van [minderjarige] is. Nu de man niet de juridische vader van [minderjarige] is, zal de rechtbank hem aanduiden als ‘de man’.
Voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv
Op grond van het eerste lid van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Zoals hierna wordt overwogen, zal de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing nemen over de omgangsregeling. Gelet daarop zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv afwijzen bij gebrek aan belang.
Bodemprocedure
Ontvankelijkheid
Ingevolge 1:377a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Op grond van artikel 1:377a, tweede lid, BW stelt de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van family life tussen de man en [minderjarige]. De man kan derhalve worden ontvangen in zijn verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, waarbinnen [minderjarige] is geboren. Zij woonden gedurende de relatie bij de ouders van de man. In december 2022 zijn partijen echter uit elkaar gegaan, waarbij de moeder en [minderjarige] de woning van de ouders van de man hebben verlaten. Na het uiteengaan van partijen heeft de man tot juni 2024 regelmatig contact met [minderjarige] gehad. In juni 2024 heeft er echter een incident plaatsgevonden, waarna de omgang tussen [minderjarige] en de man door de moeder is stopgezet. Uiteindelijk heeft er – zoals de rechtbank begrijpt – eind 2024 nog één kort contactmoment tussen de man en [minderjarige] plaatsgevonden. Sindsdien is er geen omgang meer tussen [minderjarige] en de man geweest.
Partijen zijn het erover eens dat het in het belang van [minderjarige] is om het contact met de man te herstellen. Zij verschillen echter van mening over de vraag op welk tempo het contact moet worden opgebouwd en op welke wijze de omgang dient plaats te vinden. Tijdens de zitting is hierover in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) uitgebreid met partijen gesproken. De Raad heeft hierbij geadviseerd het contact tussen [minderjarige] en de man op een rustig tempo op te bouwen, waarbij de omgang in beginsel onder begeleiding van iemand uit het netwerk van partijen kan plaatsvinden. Ook heeft de Raad benadrukt dat het van belang is dat partijen gaan werken aan hun onderlinge communicatie en vertrouwen in elkaar. In dat kader is met partijen gesproken over het traject van de Gezinsvertegenwoordiger. Na een korte schorsing hebben beide partijen op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan voornoemd traject. De rechtbank zal partijen dan ook in de gelegenheid stellen deel te nemen aan het traject van de Gezinsvertegenwoordiger, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. De rechtbank is namelijk van oordeel dat het traject van de Gezinsvertegenwoordiger voor partijen een goede manier is om te bespreken wat zij nodig hebben om het ouderschap in de toekomst vorm te geven. Daarbij heeft de rechtbank de verwachting dat partijen erin zullen slagen een ouderschapsplan op te stellen, waarbij zij afspraken ten aanzien van de omgang tussen [minderjarige] en de man zullen maken.
Het proces-verbaal is reeds per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking aan Kenniscentrum Kind en Scheiding zenden.
De rechtbank verzoekt partijen om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van voornoemd traject en de afspraken die zij gedurende het traject met elkaar maken. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.
De rechtbank acht het van belang dat het contact tussen [minderjarige] en de man zo snel mogelijk wordt hersteld. Met partijen is daarom uitgebreid gesproken over hoe het contact tussen [minderjarige] en de man er in afwachting van het verloop van het traject bij de Gezinsvertegenwoordiger uit moet komen te zien. Omdat het partijen niet is gelukt om hierover overeenstemming te bereiken, zal de rechtbank een beslissing nemen. De rechtbank zal grotendeels het voorstel volgen dat de moeder op de zitting heeft gedaan, omdat de rechtbank dit in het belang van [minderjarige] acht. Hierbij zal de rechtbank, gelet op het advies van de Raad en nu partijen het daarover eens zijn, bepalen dat de omgang in eerste instantie onder begeleiding van de moeder van de man dient plaats te vinden. Op deze manier kan het vertrouwen van de moeder in de man worden vergroot.
Op grond van het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de omgang tussen [minderjarige] en de man als volgt dient te worden opgebouwd:
- gedurende vier werken: op zaterdag van 14:00 uur tot 17:00 uur;
- na vier weken: op zaterdag van 12:00 uur tot 17:00 uur;
- na twaalf weken: op zaterdag van 11:00 uur tot 18:30,
waarbij de moeder van de man de eerste zes keer bij de omgang aanwezig zal zijn en de man verantwoordelijk is voor het halen en brengen van [minderjarige]. De rechtbank zal aldus beslissen.
De rechtbank zal iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgangsregeling en de proceskosten aanhouden in afwachting van het door de ouders te doorlopen traject.
Beslissing
De rechtbank:
*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de man] (de man),
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en
[de moeder] (de moeder),
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject van de Gezinsvertegenwoordiger en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
bepaalt dat de ouders de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren over het verloop van voornoemd traject;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders;
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] voorlopig bij de man zal zijn:
- gedurende vier werken: op zaterdag van 14:00 uur tot 17:00 uur;
- na vier weken: op zaterdag van 12:00 uur tot 17:00 uur;
- na twaalf weken: op zaterdag van 11:00 uur tot 18:30,
waarbij de moeder van de man de eerste zes keer bij de omgang aanwezig zal zijn en de man verantwoordelijk is voor het halen en (terug)brengen van [minderjarige];
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgang en de proceskosten aan tot 1 november 2026.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Olthoff als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2026. |