Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/335763-25, 13/285492-25 (ttz. gev.) en 15/337717-23 (tul)
Datum uitspraak: 6 augustus 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] ,
op dit moment gedetineerd in [plaats] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 23 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.J. Algera, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. B.I. Keukens, naar voren is gebracht.
De rechtbank heeft ter terechtzitting de voeging bevolen van de dagvaarding met parketnummer 09/335763-25 (hierna: dagvaarding I) met de dagvaarding met parketnummer 13/285492-25 (hierna: dagvaarding II).
2 De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Dagvaarding I
1.
hij op of omstreeks 19 november 2025 te Noordwijk omstreeks 23.00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een woning een telefoon en/of een of meer geldbedrag(en) en/of een horloge en/of een portemonnee en/of een etui en/of (een) nektasje(s) en/of een of meer ander(e) goed(eren), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
en zich de toegang tot die woning heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door via een kliko de veranda van die woning op te klimmen en/of vervolgens een ruit van die woning te verbreken en/of via de aldus ontstane opening die woning binnen te gaan, althans door braak, verbreking en/of inklimming,
welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of
bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- het richten en/of tonen van een revolver en/of een karabijn/geweer, althans (een) op
vuurwapen(s) gelijkende voorwerp(en), op/aan die [slachtoffer 1] en/of
- het slaan/stompen en/of schoppen/trappen in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of
- het naar de grond duwen/werken van die [slachtoffer 1] en/of vervolgens zijn benen en/of armen aan elkaar vast te binden en/of
- het op dreigende dwingende toon te roepen "geld", "waar is het geld", althans woorden van
gelijke dreigende aard en/of strekking en/of
- het vastpakken en/of meeslepen/meetrekken van die [slachtoffer 1] naar een kluis in die woning;
2.
hij op of omstreeks 9 december 2025 te Amsterdam een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een zelf vervaardigd explosief, voorzien van een lont en/of gevuld met ongeveer 200 gram flitspoeder, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad;
Dagvaarding II
hij op of omstreeks 15 november 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld,
[slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 3] en/of een derde toebehoorde, door een mes te tonen aan voornoemde [slachtoffer 3] en daarbij te zeggen "Je krijgt deze als je niet meewerkt", althans onder bedreiging met geweld,
- voornoemde [slachtoffer 3] heeft bewogen tot afgifte van zijn telefoon, waarna verdachte
geld naar zichzelf, dan wel een ander, over heeft gemaakt middels de bankapp van
voornoemde [slachtoffer 3] , dan wel
- voornoemde [slachtoffer 3] heeft bewogen geld naar hem, verdachte, dan wel een ander,
over te maken middels de bankapp van voornoemde [slachtoffer 3] .
3 De bewijsbeslissing
Ten aanzien van feit 1 (dagvaarding I)
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor feit 1 volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025393163, van de politie eenheid Den Haag, district Leiden - Bollenstreek, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 1629).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van
23 juli 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , opgemaakt op
20 november 2025 (p. 36-40);
3. Het geschrift, te weten een ‘aanvulling op aangifte nav gewapende roofoverval’ van [slachtoffer 1] en opgemaakt op 21 november 2025 (p. 41).
Ten aanzien van feit 2 (dagvaarding I) en dagvaarding II
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het bij dagvaarding I onder feit 2 tenlastegelegde (het voorhanden hebben van een explosief) en tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding II tenlastegelegde (de afpersing).
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het bij dagvaarding I onder feit 2 tenlastegelegde (het voorhanden hebben van een explosief) en partiële vrijspraak van het bij dagvaarding II tenlastegelegde (de afpersing).
Vrijspraak van feit 2 (dagvaarding I)
De rechtbank is met betrekking tot het bij dagvaarding I onder feit 2 tenlastegelegde, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. Dit maakt dat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.
Gebruikte bewijsmiddelen ten aanzien van dagvaarding II
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1300-2024274214, van de politie eenheid Amsterdam, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 62).
1. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] opgemaakt op 15 november 2024, voor zover inhoudende (p. 7-10):
Feit: Diefstal met (bedreiging) geweld (straatroof)
Plaats delict: Amsterdam
Pleegdatum: 15 november 2024
Ik zat in de Sprinter vanaf Abcoude. Ongeveer een minuut later kwamen jongens naast mij zitten, jongen 1 en jongen 2.
Ik zag dat Jongen 1 een mes liet zien. Ik zag dat het een mes was van ongeveer 20 centimeter. Ik zag dat deze inklapbaar was en dat het lemmet een zwarte kleur had en het snijvlak zilver was. Ik hoorde hem zeggen dat 'ik deze zou krijgen' terwijl hij het mes openklapte.Ik hoorde hem zeggen dat ik mijn telefoon moest laten zien. Ik moest mijn telefoon opendoen en mijn bankapp ontgrendelen. Ik zag dat hij toen op mijn telefoon zijn rekeningnummer invulde en hier 100 euro naar overmaakte. Ik hoorde hem het volgende zeggen: " je krijgt deze als je niet meewerkt." Ik zag dat hij op dat moment het met (de rechtbank begrijpt mes) vast had en hij wees dit mes mijn richting op.
Ik zag dat het geld over is gemaakt naar het volgende rekeningnummer: [bankrekening] , dit rekeningnummer staat op naam van [verdachte] .
2. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 23 juli 2026, voor zover inhoudende:
U zegt mij dat ik op de zitting van 19 maart 2026 de afpersing in de trein heb bekend en vraagt mij of ik dit nog steeds beken. Ja, ik heb dit gedaan.
Bewijsoverwegingen
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het bij dagvaarding II ten laste gelegde voor zover dat ziet op het tonen van een mes aan aangever, omdat alleen de aangever hierover heeft verklaard en op de camerabeelden geen mes te zien is.
De rechtbank overweegt als volgt.
De verdachte heeft bekend de afpersing te hebben gepleegd, maar heeft ontkent dat hij aangever een mes heeft getoond. De verdachte heeft hierover verklaard dat hij een blikje Red Bull in zijn handen had en dat aangever dit misschien heeft aangezien voor een mes. De rechtbank heeft, gelet op de gedetailleerde beschrijving door aangever van het mes, geen reden te twijfelen aan de verklaring van aangever. De omstandigheid dat dit mes op de camerabeelden van de trein niet te zien is, maakt het voorgaande niet anders. Die beelden geven immers geen onbelemmerd zicht op de handelingen van de verdachte op het moment dat hij tegenover de aangever zit en, volgens de verklaring van de aangever, het mes laat zien. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte aangever heeft gedwongen tot afgifte van een geldbedrag door onder andere een mes aan hem te tonen.
Dit maakt dat het aan de verdachte bij dagvaarding II ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het bij dagvaarding I onder feit 1 ten laste gelegde feit en het bij dagvaarding II tenlastegelegde feit van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I (09/335763-25)
1.
hij op 19 november 2025 te Noordwijk omstreeks 23.00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met een ander, in een woning een telefoon en geldbedragen en een horloge en een portemonnee en een etui en nektasjes, die geheel aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
en zich de toegang tot die woning heeft verschaft door via een kliko de veranda van die woning op te klimmen en vervolgens een ruit van die woning te verbreken en via de aldus ontstane opening die woning binnen te gaan,
welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- het richten van een revolver en een karabijn, althans op vuurwapens gelijkende voorwerpen, op die [slachtoffer 1] en
- het slaan tegen het gezicht en tegen het hoofd en tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en
- het naar de grond duwen/werken van die [slachtoffer 1] en vervolgens zijn benen en armen aan elkaar vast te binden en
- het op dreigende dwingende toon te roepen "geld", "waar is het geld", althans woorden van
gelijke dreigende aard en strekking en
- het vastpakken en meeslepen van die [slachtoffer 1] naar een kluis in die woning;
Dagvaarding II (13/285492-25)
hij op 15 november 2024 in Nederland,
met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen
door bedreiging met geweld,
[slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag, dat geheel aan die [slachtoffer 3] toebehoorde,
door een mes te tonen aan voornoemde [slachtoffer 3] en daarbij te zeggen "Je krijgt deze
als je niet meewerkt".
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5 De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen van maximaal vier jaar, zodat nog een voorwaardelijk strafdeel in combinatie met een reclasseringstraject mogelijk is.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een gewapende woningoverval die laat in de avond plaatsvond, terwijl de bewoners in bed lagen. De mededaders zijn de woning binnengedrongen en kwamen niet veel later een van de bewoners tegen, die afging op het geluid. Ze hebben hem bedreigd met vuurwapens of voorwerpen die daarop lijken en hebben fors geweld gebruikt. Ze hebben hem vastgebonden aan armen en benen en hem onder dwang meegenomen naar de kluis. Het slachtoffer voelde zich uiteindelijk genoodzaakt zelf de kluis te openen. Zijn vrouw is vanuit de slaapkamer naar de tuin gevlucht. Zij heeft daar kans gezien de hulpdiensten te waarschuwen.
Deze gebeurtenissen zijn voor beide slachtoffers buitengewoon beangstigend geweest. De eigen woning is bij uitstek een plek waar men zich veilig moet kunnen voelen. Door het handelen van de verdachte en zijn mededader is de slachtoffers dit gevoel van veiligheid ontnomen. Het is een feit van algemene bekendheid dat een overval, zeker als deze gepaard gaat met fors geweld, vergaande gevolgen voor de slachtoffers heeft. Zij houden nog lange tijd gevoelens van angst en onveiligheid en dit heeft bovendien veel impact op hun dagelijks leven en functioneren. Uit de slachtofferverklaringen blijkt hoe groot de impact op hen en de rest van hun gezin is. De gebeurtenissen hebben niet alleen fysieke en psychische gevolgen maar strekken zich ook uit tot het eigen bedrijf van de slachtoffers. In de maanden na de overval konden zij niet normaal functioneren, terwijl dit juist een belangrijke periode voor hun bedrijf was, met alle negatieve gevolgen van dien.
Van dit alles heeft de verdachte zich – achteraf – wel enige rekenschap gegeven, door de overval te bekennen en meermaals zijn spijt te betuigen. Voor hem gold destijds echter enkel een financieel motief. Dit rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan een afpersing. Hij heeft het slachtoffer in de trein met een mes bedreigd. Op die manier heeft hij het slachtoffer gedwongen zijn telefoon af te geven, zodat de verdachte geld van de rekening van het slachtoffer naar zichzelf kon overmaken. Dit soort feiten veroorzaken veel gevoelens van angst en onveiligheid, niet alleen bij het slachtoffer maar ook in de maatschappij. De verdachte heeft daar totaal geen oog voor gehad en zich, ook hier, enkel laten leiden door zijn eigen financieel gewin.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 17 juli 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten, namelijk een overval op een winkel en een straatroof. Daaruit blijkt ook dat de verdachte de woningoverval heeft gepleegd gedurende de proeftijd van een voorwaardelijk opgelegde straf.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 8 juni 2026. Hieruit blijkt dat de reclassering op basis van de delictgeschiedenis van de verdachte een delictpatroon ziet aangaande high impact diefstallen. Ten tijde van de woningoverval stond de verdachte onder toezicht van de reclassering. De reclassering ziet dan ook verschillende risicofactoren en beschouwt de jonge leeftijd in relatie tot de ernst van de ten laste gelegde feiten als zorgelijk. De reclassering schat de kans op recidive in als hoog en acht een reclasseringstoezicht geïndiceerd. Mocht een (deels) voorwaardelijke straf niet mogelijk zijn, gelet op de aard en ernst van de feiten, dan zullen de geadviseerde bijzondere voorwaarden opnieuw worden meegewogen bij het verlenen van een voorwaardelijke invrijheidsstelling.
De strafbepaling
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is bij een overval op een woning met geweld als uitgangspunt vermeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar. In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat de overval in vereniging is gepleegd, heeft plaatsgevonden in de voor de nachtrust bestemde tijd en dat niet alleen zeer fors geweld is gebruikt, maar ook gedreigd is met vuurwapens of voorwerpen die daarop lijken. Bovendien is sprake van recidive en heeft de verdachte de overval gepleegd gedurende de proeftijd van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf.
Bij een straatroof met licht geweld of verbale bedreiging is een uitgangspunt vermeld van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die de onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Gelet op de duur van de op te leggen gevangenisstraf is een voorwaardelijk strafdeel niet mogelijk. De rechtbank acht dit, gelet op de aard en ernst van de strafbare feiten, ook niet passend.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar en zes maanden een passende en geboden reactie.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en een vordering tot schadevergoeding ingediend. Deze vordering bestaat uit gevorderde gezamenlijke en individuele materiële schade en individuele immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Een schadeoverzicht is als bijlage 1 bij de vordering gevoegd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen voor hoofdelijke toewijzing in aanmerking komen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De vorderingen zijn door de raadsvrouw grotendeels betwist. De rechtbank zal bij de beoordeling van de vorderingen nader ingaan op hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
Wanneer in dit onderdeel wordt verwezen naar het bewezen verklaarde feit, wordt verwezen naar de bewezenverklaring van feit 1 van dagvaarding I.
Gezamenlijk gevorderde materiële schade
De rechtbank zal allereerst ingaan op de gevorderde gezamenlijke materiële schade en de verschillende schadeposten die daarvan onderdeel uitmaken.
- Gestolen geld
Gevorderd is een bedrag van € 9.000,00, te weten het bedrag van het weggenomen geld uit de kluis zoals door de benadeelde partijen is geschat.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat hoogstens € 5.000,00 is gestolen, omdat dit door aangever zelf, in zijn aanvullend verhoor op pagina 55 van het dossier, is verklaard. Verzocht is dan ook de schade te matigen tot € 5.000,00 (randnummer 25).
De rechtbank is van oordeel dat dit deel van de vordering door en namens de benadeelde partijen voldoende is onderbouwd. Uit de verschillende verklaringen van aangever tezamen volgt genoegzaam dat een bedrag van net geen € 10.000,00 in de kluis zat, in envelopjes én in buideltjes. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partijen rechtstreeks schade hebben geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
- Schade aan de woning
Gevorderd is een bedrag van € 10.321,03, omdat bij de overval en de mishandeling van [slachtoffer 1] aanzienlijke schade aan de woning is toegebracht, onder andere door gebroken glas en bloedsporen. Deze schade is opgebouwd uit verschillende onderdelen (zie bijlage 1 bij de vordering tot schadevergoeding).
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de schade niet dan wel onvoldoende is onderbouwd en dat voor wat betreft de schadepost van de rolgordijnen en de herstelwerkzaamheden aan de vloer niet kan worden vastgesteld dat deze schade door toedoen van het strafbare feit is ontstaan nu deze schade pas maanden later is hersteld (randnummers 27-31). Verder heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat door de benadeelde partijen niet is voldaan aan de schadebeperkingsplicht (randnummer 33).
De rechtbank is van oordeel dat dit deel van de vordering voldoende is onderbouwd. Ten aanzien van het donzen jack is op de terechtzitting toegelicht dat deze met de benadeelden is meegegaan naar het ziekenhuis en besmeurd is geraakt met bloed. Ten aanzien van de (overige) schade aan de woning bevat het dossier naast de foto’s bij de vordering verschillende foto’s waarop braakschade op de eerste verdieping en bloedvlekken op meerdere plaatsen in de woning zijn te zien. Weliswaar bevat het dossier niet een foto van iedere gestelde schade, maar die schade past wel bij de schade die op de foto’s is te zien. Ook past die schade bij de bevindingen van de politie over de wijze waarop de verdachten hebben ingebroken in de woning en bij de verklaring van [slachtoffer 1] over de plaatsen in de woning waar hij door de verdachten is mishandeld en vervolgens bloedend en onder dwang van de verdachten is geweest. Dat de schade aan de rolgordijnen en de vloer pas maanden later zou zijn hersteld, doet aan het bestaan van die schade niet af. Op grond daarvan en van de overige stukken bij de vordering is de rechtbank van oordeel dat dit deel van de vordering voldoende is onderbouwd. Daarnaast blijkt uit de vordering dat de benadeelde partijen eerst hebben geprobeerd de bloedvlekken van de muur en de gordijnen te (laten) verwijderen. Omdat dat niet is gelukt, hebben zij de muren opnieuw moeten verven en zijn nieuwe gordijnen aangeschaft. In zoverre hebben zij voldaan aan de schadebeperkingsplicht en het beroep daarop wordt dan ook verworpen.
Concluderend kan op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting worden vastgesteld dat de benadeelde partijen rechtstreeks schade hebben geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
- Schade aan goederen
Gevorderd is een bedrag van € 837,00 aan schade aan de bril van [slachtoffer 1] , die bij de overval en mishandeling onherstelbaar beschadigd is geraakt. Ter onderbouwing van deze schade is een prijsopgave bijgevoegd (bijlage 9). Hieruit blijkt het totaalbedrag van
€ 837,00, welk bedrag is opgebouwd uit twee keer € 279,00 voor een enkelvoudig glas en een keer € 279,00 voor een nieuw montuur.
De raadsvrouw heeft verzocht deze schadepost te matigen tot het bedrag van een nieuw montuur van € 279,00 en voor het overige af te wijzen, omdat alleen sprake is van onherstelbare schade aan het montuur (randnummer 42).
De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat de benadeelde partijen rechtstreeks schade hebben geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van € 279,00 te weten de kosten voor een nieuw montuur. De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die ziet op de vervanging van de brilglazen voor een bedrag van € 558,00. Onvoldoende is onderbouwd dat ook de brilglazen waren beschadigd en moesten worden vervangen. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.
- Beveiligingskosten
Gevorderd is een bedrag van € 1.643,86 aan beveiligingskosten, omdat de beveiliging van de woning naar aanleiding van de woningoverval is uitgebreid.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat dit deel van de vordering moet worden afgewezen, omdat geen sprake is van een rechtstreeks verband met het strafbare feit (randnummer 38).
De rechtbank overweegt dat het bij kosten van beveiliging gaat om kosten die, in de kern, ter voorkoming of beperking van schade als gevolg van toekomstige gebeurtenissen worden gemaakt. Deze kosten kunnen in het algemeen niet worden aangemerkt als materiële schade die het gevolg is van een eerdere gebeurtenis. Dit volgt ook uit de wetsgeschiedenis van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek. In de memorie van antwoord is opgemerkt: ‘Hetgeen boven uiteengezet is, kan geen grond opleveren voor vergoeding van kosten die geheel in het algemeen ter voorkoming van schade zijn gemaakt, zoals de kosten van een alarminstallatie ter voorkoming van diefstal of van een controledienst ter opsporing van overtreders van auteursrechten of van reizigers die zonder geldig plaatsbewijs van een vervoermiddel gebruik maken. Dergelijke kosten kunnen niet alleen moeilijk als een gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, worden gezien maar hebben ook niet gestrekt ter voorkoming of ter beperking van de schade die van deze bepaalde gebeurtenis mocht worden verwacht.’ (vgl. ECLI:PHR:2021:596).
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende verband bestaat tussen het bewezen verklaarde feit en de gevorderde schade in de vorm van kosten voor extra beveiliging van de woning. Uit de onderbouwing van deze schade is niet gebleken van omstandigheden die nopen tot een ander oordeel. Zo is bijvoorbeeld geen sprake van een voortdurend delict zoals belaging of van een voortdurende en concrete dreiging als gevolg van de woningoverval. Naar het oordeel van de rechtbank is de gestelde schade dan ook niet aan te merken als rechtstreekse schade, zodat de benadeelde partijen in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk zullen worden verklaard.
- Onderzoekskosten
Gevorderd is een bedrag van € 1.052,10 vanwege het veiligstellen van camerabeelden door een beveiligingsbedrijf.
De raadsvrouw heeft verzocht de schadepost te matigen tot een bedrag van € 163,35 en heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor het overige onvoldoende is onderbouwd (randnummers 35-36).
De rechtbank is van oordeel dat dit deel van de vordering voldoende is onderbouwd. Uit de onderbouwing en hetgeen namens de benadeelde partijen ter terechtzitting is aangevoerd, blijkt dat op verzoek van de politie de camerabeelden van de bewuste avond en van een aantal weken daarvoor zijn veiliggesteld door een professioneel bedrijf. De beelden van meerdere beveiligingscamera’s moesten worden geselecteerd en het beveiligingsbedrijf heeft daarvoor harddisks en een docking station moeten aanschaffen die de politie niet heeft teruggegeven. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partijen rechtstreeks schade hebben geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
- Kosten hotelovernachting
Gevorderd is een bedrag van € 180,00 aan een hotelovernachting.
De rechtbank is van oordeel dat de gemaakte kosten voor een hotelovernachting niet zijn aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het bewezen verklaarde feit. De rechtbank overweegt hiertoe dat uit de onderbouwing van dit deel van de vordering blijkt dat na een anoniem telefoontje over de vermeende opdrachtgever van de woningoverval, de benadeelde partijen samen met één van hun dochters uit angst hun woning hebben verlaten en hebben overnacht in een hotel. Deze kosten staan in een te ver verwijderd verband van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank betrekt daarbij dat niet is gebleken dat de verdachte hier een aandeel in heeft gehad. De rechtbank zal de benadeelde partijen dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.
- Reiskosten
Gevorderd is een bedrag van € 303,34 aan reiskosten. Deze schadepost is in bijlage 4 bij de vordering tot schadevergoeding nader gespecificeerd.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, omdat de reiskosten onvoldoende zijn onderbouwd (randnummer 40).
De rechtbank is van oordeel dat dit deel van de vordering voldoende is onderbouwd. Gezien de overige (toe te wijzen) schadeposten ligt het voor de hand dat de benadeelde partijen de gevorderde reiskosten hebben gemaakt. Dat in de onderbouwing een overzicht met de data, aantal kilometers per rit en de bijbehorende postcodes ontbreekt, maakt dat niet anders. De gevorderde reiskosten naar de advocaat voor een bedrag van € 13,20 zijn naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit, maar als proceskosten. De rechtbank zal de benadeelde partijen dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partijen rechtstreeks schade hebben geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van € 290,14.
- Nodeloos gemaakte kosten
Gevorderd is een bedrag van € 228,00 aan nodeloos gemaakte kosten. Door de benadeelde partijen waren kaartjes aangeschaft voor de Rock Sympho Show in Scheveningen op
29 december 2025. Door de fysieke en psychische impact van de woningoverval op hen beiden kon dit niet doorgaan en hebben zij niet het genot van deze uitgave mogen beleven.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, omdat deze kosten niet kunnen worden aangemerkt als schade. De kaartjes waren nog steeds in bezit van de benadeelde partijen en hadden kunnen worden verkocht (randnummer 37).
De rechtbank begrijpt het standpunt van de raadsvrouw zo dat daarmee een beroep is gedaan op de schadebeperkingsplicht. De rechtbank stelt vast dat uit de bij de vordering gevoegde tickets blijkt dat één van de aankoopvoorwaarden is dat het niet is toegestaan de toegangsbewijzen te verkopen aan derden, zodat het beroep op de schadebeperkingsplicht reeds om die reden niet kan slagen. Het beroep op de schadebeperkingsplicht wordt verworpen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat kan worden vastgesteld dat de benadeelde partijen rechtstreeks schade hebben geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
Conclusie ten aanzien van gezamenlijke materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de vordering, voor zover dit ziet op de gevorderde gezamenlijke materiële schade, kan worden toegewezen tot een bedrag van:
-
Gestolen geld: € 9.000,00
-
Schade aan de woning: € 10.321,03
-
Schade aan goederen: € 279,00
-
Onderzoekskosten: € 1.052,10
-
Reiskosten: € 290,14
-
Nodeloos gemaakte kosten: € 228,00
Totaal € 21.170,27
Ter terechtzitting is namens de benadeelde partijen na vragen van de rechtbank het standpunt ingenomen dat de benadeelde partijen voor wat betreft het gezamenlijke deel ieder recht hebben op de helft, nu zij in gemeenschap van goederen zijn getrouwd. De rechtbank begrijpt hieruit dat de vordering in die zin is aangepast en zal aan ieder van de benadeelde partijen de helft van de vastgestelde gezamenlijke materiële schade toekennen
(€ 21.170,27 / 2 = € 10.585,14).
Materiële schade [slachtoffer 1]
Voorts is door de benadeelde partij [slachtoffer 1] individueel geleden materiële schade gevorderd voor een bedrag van € 2.093,60.
De posten ‘medicatie’ en ‘eigen risico’ met een totaalbedrag van € 173,60 zijn door de raadsvrouw niet betwist en naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering voor zover die ziet op de post ‘eigen bijdrage’ in verband met een behandeling bij een psycholoog voor een bedrag van € 320,00 en de post ‘toekomstige behandelingen psycholoog’ voor een bedrag van € 1.600,00. De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat de benadeelde partij niet heeft voldaan aan de schadebeperkingsplicht, door zelf te kiezen voor een vorm van therapie die niet volledig wordt vergoed. De raadsvrouw heeft subsidiair aangevoerd dat een bedrag van € 320,00 wordt gevorderd, terwijl slechts twee facturen van € 80,00 per behandeling zijn bijgevoegd (randnummers 43-44).
De rechtbank is van oordeel dat de vordering, voor zover die ziet op de post ‘eigen bijdrage’, voldoende is onderbouwd. Namens de benadeelde partij zijn nieuwe declaraties ingebracht en het bedrag van € 320,00 is daarmee voldoende onderbouwd.
De rechtbank is van oordeel dat de schadebeperkingsplicht niet zover reikt dat een benadeelde genoodzaakt is te kiezen voor een andere therapeut dan die van zijn eigen keuze, alleen maar omdat die zorg volledig wordt vergoed. De rechtbank acht bovendien voldoende onderbouwd waarom de keuze is gemaakt voor een behandeling bij een psychotherapeut die slechts gedeeltelijk wordt vergoed door de zorgverzekeraar. Het beroep op de schadebeperkingsplicht wordt verworpen.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van € 493,60.
Ook is een vergoeding gevorderd van toekomstige behandelingen bij een psychotherapeut voor een bedrag van € 1.600,00. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering, omdat onvoldoende is onderbouwd dat deze behandelingen te verwachten zijn en het aanhouden van de zaak voor een verdere uitwisseling van standpunten over dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Totaal toe te wijzen materiële schade aan [slachtoffer 1]
Het totaal toe te wijzen bedrag aan materiële schade komt dan op € 11.078,74 (€ 493,60 +
€ 10.585,14).
Materiële schade [slachtoffer 2]
Ook door de benadeelde partij [slachtoffer 2] is individuele materiële schade gevorderd voor een bedrag van € 3.095,00 aan psychologische behandelingen.
De raadsvrouw heeft zich ook in dit verband op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering voor zover die ziet op de kosten in verband met een behandeling bij een psycholoog voor een bedrag van € 1.495,00 en de kosten in verband met toekomstige behandelingen bij een psycholoog voor een bedrag van € 1.600,00. De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat de benadeelde partij niet heeft voldaan aan de schadebeperkingsplicht, door zelf te kiezen voor een vorm van therapie die niet volledig wordt vergoed. De raadsvrouw heeft subsidiair aangevoerd dat een bedrag van € 1.495,00 wordt gevorderd, terwijl bij de vordering declaraties zijn gevoegd met een totaal aan niet vergoede bedragen van € 885,00 (randnummers 45-46).
De rechtbank is van oordeel dat de vordering, voor zover die ziet op de post ‘eigen bijdrage’ voldoende is onderbouwd tot een bedrag van € 1.365,00. Namens de benadeelde partij zijn aanvullende nota’s en declaraties ingebracht. Uit die declaraties en de overige declaraties blijkt dat in totaal een bedrag van € 1.365,00 niet is vergoed door de zorgverzekeraar. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Ten aanzien van de schadebeperkingsplicht verwijst de rechtbank naar dat wat zij daarover hiervoor met betrekking tot materiële schade van [slachtoffer 1] heeft overwogen.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van € 1.365,00.
Ook is een vergoeding gevorderd van toekomstige behandelingen voor een bedrag van € 1.600,00. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering, omdat onvoldoende is onderbouwd dat deze behandelingen te verwachten zijn en het aanhouden van de zaak voor een verdere uitwisseling van standpunten over dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Totaal toe te wijzen materiële schade aan [slachtoffer 2]
Het totaal toe te wijzen bedrag aan geleden materiële schade komt dan op € 11.950,14
(€ 1.365,- + € 10.585,14).
Immateriële schade [slachtoffer 1]
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 30.000,00 aan immateriële schade, omdat sprake is van meervoudig letsel, bestaande uit orthopedisch letsel aan de neus en nek en geestelijk letsel.
De raadsvrouw heeft verzocht dit deel van de vordering te matigen tot € 11.000,00 en voor het overige af te wijzen (randnummers 47-50).
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Op grond van artikel 6:106 onder b heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, omdat hij lichamelijk letsel heeft opgelopen en op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Voor de begroting van de immateriële schade heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse Schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. De rechtbank zal op basis van de beschikbare medische informatie en hetgeen namens de benadeelde partij is aangevoerd voor wat betreft het nekletsel aansluiten bij de verzochte categorie 5.1.b.2 en voor wat betreft de neusfractuur bij de verzochte categorie 9.1.c.1. De neus van de benadeelde partij heeft een blijvende scheefstand met restklachten als gevolg en ook ervaart hij nog altijd klachten van de gebroken nekwervel. De rechtbank overweegt dat uit de onderbouwing en toelichting echter niet blijkt in hoeverre sprake is van blijvende klachten. De rechtbank zal gelet op het voorgaande aansluiten bij het minimumbedrag per categorie. Voor wat betreft het geestelijke letsel heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij categorie 19.1.a. Deze categorie ziet op de meest ernstige persoonsaantastingen in het geval van bedreigende situaties die gepaard gaan met diefstal en/of afpersing.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op de 'Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van artikel 6:106 BW' van de rechtspraak, in het bijzonder naar aanbevelingen 3 en 5. Aangezien sprake is van het opzettelijk toebrengen van letsel aan de benadeelde, gaat de rechtbank uit van een verhoging van 10%. Daarnaast gaat de rechtbank uit van het nekletsel als het zwaarste letsel en het neusletsel als het in ernst tweede letsel.
Gelet op het voorgaande en de namens de benadeelde beschreven gevolgen van het geestelijke letsel is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 25.000,00 billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade daarom tot dat bedrag toe. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade [slachtoffer 2]
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 20.000,00 aan immateriële schade, omdat sprake is van geestelijk letsel.
De raadsvrouw heeft verzocht dit deel van de vordering te matigen tot € 4.000,00 (randnummers 51-53).
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, in de vorm van een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Op grond van artikel 6:106 onder b heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, omdat zij daarmee op andere wijze in haar persoon is aangetast. Voor de begroting van de immateriële schade heeft de rechtbank ook in dit verband acht geslagen op de Rotterdamse Schaal. De rechtbank zal op basis van de beschikbare medische informatie en hetgeen namens de benadeelde partij is aangevoerd aansluiten bij categorie 14.2.d ‘minder ernstig’. De rechtbank overweegt dat uit de onderbouwing en toelichting blijkt dat de benadeelde nog onder behandeling is voor haar PTSS en dat niet duidelijk is of in de toekomst aanzienlijke beperkingen bestaan.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 5.500,00 billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade daarom tot dat bedrag toe. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Totaal toe te wijzen bedrag aan [slachtoffer 1]
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toewijzen tot een bedrag van € 36.078,74, bestaande uit € 11.078,74 aan materiële schade en € 25.000,00 aan immateriële schade.
Totaal toe te wijzen bedrag aan [slachtoffer 2]
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toewijzen tot een bedrag van € 17.450,14, bestaande uit € 11.950,14 aan materiële schade en € 5.500,00 aan immateriële schade
Wettelijke rente, proceskosten en hoofdelijkheid
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 19 november 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vorderingen gedeeltelijk worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partijen heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partijen hoeft te betalen. De door de raadsvrouw aangevoerde omstandigheid dat in totaal vijf verdachten zijn aangehouden in verband met de woningoverval en dat de strafzaken, en in dat verband een eventuele vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen, van drie van die verdachten nog moeten worden behandeld, leidt niet tot een ander oordeel. Die omstandigheid brengt niet met zich dat de verdachten niet (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken voor de door hen toegebrachte schade.
De schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer 1]
De verdachte zal voor het bij dagvaarding I onder feit 1 bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 36.078,74, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 1] .
De schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer 2]
De verdachte zal voor het bij dagvaarding I onder feit 1 bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 17.450,14, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 2] .
8 De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert vergoeding van geleden materiële schade ter hoogte van € 100,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding kan worden toegewezen tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De vordering tot schadevergoeding is door en namens de verdachte niet betwist.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding II bewezen verklaarde feit, ter grootte van € 100,00.
De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen tot een bedrag van € 100,00 aan materiële schade. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van
15 november 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer 3]
De verdachte zal voor het bij dagvaarding II bewezen verklaarde feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor de schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 100,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 november 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald.
9 De vordering tot tenuitvoerlegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 29 januari 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 15/337717-23 door de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, op 13 december 2024 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten jeugddetentie voor de duur van 90 dagen, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, zodat de verdachte snel met de reclassering aan de slag kan in het kader van een voorwaardelijk strafdeel. Subsidiair is verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging voor het deel van 30 dagen niet-ontvankelijk te verklaren, omdat voor dit deel reeds de tenuitvoerlegging is bevolen door de rechtbank Haarlem en is omgezet naar een taakstraf van 60 uur.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 29 januari 2026 tot tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie voor de duur van 90 dagen, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank te Noord-Holland, locatie Haarlem, van 13 december 2024. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.
De door de raadsvrouw aangevoerde omstandigheden leiden niet tot een ander oordeel. De rechtbank legt geen voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden op, waardoor dit geen aanleiding kan vormen voor een afwijzing van de vordering. Verder beschikt de rechtbank niet over de door de raadsvrouw genoemde beslissing van de rechtbank Haarlem en komt een gedeeltelijke tenuitvoerlegging niet terug op het strafblad van de verdachte van 17 juli 2026. In het geval een deel van de hiervoor genoemde voorwaardelijke straf al ten uitvoer is gelegd, kan dat alsnog worden afgetrokken van de tenuitvoerlegging van het resterende deel van die straf.
10 De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
11 De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I onder feit 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding I onder feit
1 ten laste gelegde feit en het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.7 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I feit 1:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
ten aanzien van dagvaarding II:
afpersing;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 7 (ZEVEN) JAREN en 6 (ZES) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding deels toe tot een bedrag van € 36.078,74, en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 november 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 1] ;
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding voor zover deze betrekking heeft op beveiligingskosten en kosten voor een hotelovernachting;
bepaalt dat de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding voor zover deze betrekking heeft op de overige kosten voor een bril, de kosten voor toekomstige behandelingen bij een psycholoog en de overige immateriële schade en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 36.078,74, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 november 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 178 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 17.450,14 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 19 november 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 2] ;
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding voor zover deze betrekking heeft op beveiligingskosten en kosten voor een hotelovernachting;
bepaalt dat de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding voor zover deze betrekking heeft op de overige kosten voor een bril, de kosten voor toekomstige behandelingen bij een psycholoog en de overige immateriële schade en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 17.450,14, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 november 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 112 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van
€ 100,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 15 november 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen een [slachtoffer 3] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 100,00 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 november 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 3] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 1 dag. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de rechtbank te Noord-Holland, locatie Haarlem, d.d. 13 december 2024, gewezen onder parketnummer 15/337717-23, te weten jeugddetentie voor de duur van 90 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C. Beuze, voorzitter,
mr. G.P. Verbeek, rechter,
mr. J. Herfkens, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.A. Haas, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 augustus 2026.