Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-6773
Zaaknummer: C/09/691246
Datum beschikking: 19 juni 2026
Omgang
Beschikking op het op 5 september 2025 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.G. Peters te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J. de Koning te ’s-Gravenhage.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
het verzoekschrift, met bijlagen;
het verweerschrift;
het F9-formulier van de zijde van de moeder van 12 mei 2026, met bijlagen.
De minderjarige [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek. Zij heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
Op 22 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
-
de vader met zijn advocaat;
-
de moeder met haar advocaat.
De Raad voor de Kinderbescherming is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de zitting verschenen.
Feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] .
[minderjarige] woont bij de moeder.
In het gezagsregister is op 1 september 2016 aangetekend dat de ouders gezamenlijk zijn belast met het gezag over [minderjarige] .
De moeder is bij beschikking van 20 december 2024 van deze rechtbank alleen met het gezag over [minderjarige] belast.
Verzoek en verweer
De vader verzoekt:
primair een omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en [minderjarige] , waarbij [minderjarige] (na opbouw) elke week één dag in de week bij de vader is, of zoals de rechtbank juist acht;
subsidiair een informatieregeling vast te stellen waarbij de moeder om de week de vader informeert over de relevante ontwikkelingen van [minderjarige] ;
meer-subsidiair een jeugdhulpverleningsinstantie aan te wijzen om de omgang te begeleiden en op te bouwen.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Omgangsregeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe en persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. De rechtbank stelt op verzoek van de ouder(s) of degene die in een nauwe en persoonlijke betrekking staat tot het kind een omgangsregeling vast, tenzij zich één of meer van de in dat artikel genoemde uitzonderingsgronden voordoen, te weten:a) indien omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, ofb) indien de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c) het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
d) omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Standpunt vader
De vader voert aan dat de ouders gezamenlijk het gezag hadden, maar dat de rechtbank, na een periode waarin het niet goed ging met hem, bij beschikking van 20 december 2024 het eenhoofdig gezag aan de moeder heeft toegekend. De vader verklaart dat hij door een moeilijke periode is gegaan, maar dat hij inmiddels aan zichzelf heeft gewerkt. Hij wil het verbroken contact met [minderjarige] zo spoedig mogelijk herstellen. Na de zitting voorafgaand aan de beschikking van 20 december 2024 heeft hij enkele maanden bij zijn familie in Spanje doorgebracht en momenteel wordt hij ondersteund door onder andere de Straatalliantie, die hem heeft geholpen de mogelijkheden voor contactherstel te verkennen. Bovendien heeft de vader een woning toegewezen gekregen. Ook is er een zorgmachtiging afgegeven en slikt hij medicatie. Hij wordt ambulant behandeld. De vader benadrukt dat het voor de (identiteits)ontwikkeling van [minderjarige] belangrijk is dat het contact op korte termijn wordt hersteld, waarbij ook zijn wens om contact met zijn dochter te onderhouden meeweegt. De vader staat open voor hulpverlening. Daarom verzoekt hij in dit verband een instantie aan te wijzen als Centrum voor Jeugd en Gezin of Voor Ieder1 om de omgang tussen hem en [minderjarige] op te bouwen en te begeleiden.
Standpunt moeder
De moeder verzet zich tegen het verzoek van de vader tot het treffen van een omgangsregeling. Zij stelt dat omgang tussen de vader en [minderjarige] op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is, aangezien [minderjarige] op dit moment nog therapie volgt om het verleden met de vader te verwerken. [minderjarige] klapt dicht op het moment dat het onderwerp van haar vader opkomt. Zij praat niet over haar vader, ook niet met anderen dan haar moeder. De moeder maakt zich hierover grote zorgen en heeft daarom hulpverlening gezocht. Sinds september 2025 is [minderjarige] bij een particuliere therapeut in behandeling, maar ook daar is het nog niet gelukt om het onderwerp van de vader aan te kaarten. Wel is [minderjarige] beter geworden in het benoemen en duiden van haar emoties door de therapie die zij volgt. De moeder probeert het zelf ook af en toe bespreekbaar te maken, maar dat heeft tot nu toe geen tot weinig resultaat.
De moeder verklaart dat zij lange tijd heeft geprobeerd contact te onderhouden met de vader, maar dat zijn reacties telkens verward en negatief waren. Sinds 2023 is er geen contact meer tussen de vader en [minderjarige] . De vader is wel twee keer op het schoolplein verschenen, wat [minderjarige] in de war bracht en liet schrikken. Daarom is met de school afgesproken dat [minderjarige] binnenblijft totdat de moeder aanwezig is om haar op te halen. De moeder acht de vader door zijn psychische (schizofrene) problematiek niet in staat om op pedagogisch verantwoorde wijze met [minderjarige] om te gaan.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank neemt het volgende in haar beoordeling mee. De vader is gediagnostiseerd met een psychiatrische ziekte en is van augustus tot december 2025 opgenomen geweest in een zorginstelling. Momenteel geldt er een zorgmachtiging, op basis waarvan hij ambulante zorg ontvangt. De vader woont nu begeleid en gebruikt medicatie. Er is inmiddels al enkele jaren geen contact tussen de vader en [minderjarige] . Er zijn zorgen over [minderjarige] , zij praat niet over vader en is gestart met hulpverlening. Ook is er geen contact tussen de ouders onderling. Daarnaast maakt de moeder zich zorgen over de erfelijkheid van de psychiatrische problematiek van de vader.
Op de zitting zijn de mogelijkheden voor contactherstel en omgang besproken met partijen. Tijdens de zitting zijn in dat kader afspraken gemaakt. Voorop staat dat er alleen sprake kan zijn van contactherstel als daarvoor draagkracht bestaat bij [minderjarige] en als de situatie van de vader voldoende stabiel is. Eventuele stappen tot contactherstel dienen daarom in overleg met de therapeut van [minderjarige] plaats te vinden. Bovendien is het van belang dat de vader informatie over zijn belang aan de moeder verstrekt. De moeder zal de gemeente benaderen om te informeren naar de mogelijkheden voor begeleiding bij contactherstel en voor het volgen van een KOPP-training voor [minderjarige] . Partijen zullen beginnen met het verschaffen van informatie over en weer en de vader zal niet meer zonder toestemming van de moeder op of bij de school van [minderjarige] verschijnen. Door zich te houden aan deze afspraken kan de vader het benodigde basisvertrouwen bij de moeder en bij [minderjarige] opbouwen. Dat vertrouwen is nodig om, als daarvoor draagkracht bestaat bij [minderjarige] , te komen tot contactherstel.
De rechtbank ziet op dit moment geen ruimte voor het vaststellen van een concrete (begeleide) omgangsregeling. De rechtbank ziet op dit moment dan ook geen aanleiding om een jeugdhulpverleningsinstantie aan te wijzen voor de opbouw en begeleiding van de omgang. De daarop gerichte verzoeken worden daarom afgewezen.
Informatieregeling
Wettelijk kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:377b BW is de ouder die met het gezag is belast, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen – zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter daarvoor een regeling vaststellen.
Standpunt vader
De vader stelt dat het contactherstel een betere kans van slagen heeft als hij regelmatig op de hoogte gebracht wordt van de ontwikkelingen van [minderjarige] met een update en relevante informatie.
Standpunt moeder
De moeder stelt dat de informatieregeling een te grote belasting voor haar vormt. Bovendien ontvangt zij op alle informatie die zij aan de vader verstrekt reacties van hem in de vorm van onduidelijke e-mails en brieven. Daardoor ervaart zij spanning.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank beschouwt het als een belangrijke eerste stap richting contactherstel dat de vader informatie krijgt over [minderjarige] en de moeder informatie ontvangt over de behandeling van de vader. Dit stelt beide partijen in staat om een beter inzicht te krijgen in wat er speelt in elkaars leven en in het leven van [minderjarige] . De rechtbank heeft de hoop dat de informatie-uitwisseling ook bijdraagt aan het herstel van het onderlinge vertrouwen tussen de ouders en ruimte creëert voor contactherstel, in combinatie met de therapie die [minderjarige] volgt.
Tijdens de zitting hebben partijen afgesproken dat de moeder eenmaal per maand informatie over [minderjarige] deelt met de vader, waarbij is afgesproken dat de vader hier niet op reageert. Daarnaast zal de vader ervoor zorgen dat de moeder informatie van de behandelaar van de vader ontvangt over zijn behandeling en dat zij daarover vragen kan stellen. De rechtbank zal de gemaakte afspraken in deze beschikking vastleggen.
De rechtbank heeft er vertrouwen in dat de ouders de gemaakte afspraken zullen nakomen en, als de situatie van [minderjarige] en de vader dat toestaat, met de hulp van professionele begeleiding tot herstel van het contact tussen de vader en [minderjarige] en tot verdere afspraken zullen komen. Omdat op dit moment niet is in te schatten of en wanneer verdere stappen mogelijk zijn, zal de rechtbank de procedure niet aanhouden.
Beslissing
De rechtbank:
*
wijst het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling af;
*
stelt vast dat partijen een informatieregeling zijn overeengekomen, inhoudende dat:
de moeder één keer in de maand informatie verstuurt aan de vader over [minderjarige] ;
de vader daarop niet reageert;
de vader ervoor zorgt dat de moeder informatie ontvangt over de behandeling van de vader via diens behandelaar, waarbij zij de behandelaar ook vragen kan stellen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, kinderrechter, bijgestaan door mr. T.A.L. Ravenhorst als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 19 juni 2026.