Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/071718-26
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 18 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Vermeulen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J.G.W.M. Lut naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 november 2025 tot en met 18 januari 2026 te Alphen aan den Rijn en/of 's-Gravenhage en/of Zoetermeer, althans in Nederland, een of meerdere voertuigen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 4] en/of [aangever 5] en/of [aangever 6] en/of [aangever 7] en/of [aangever 8] , in elk geval aan een ander(en) toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht, door middel van een valse sleutel, door (telkens) onbevoegd gebruik te maken (van de eerder door verdachte weggenomen) bij dat/die voertuig(en) passende sleutel(s).
3 De bewijsbeslissing
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft de feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025382557, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 195).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 18 juni 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 11 november 2025 (p. 27-29);
3. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 20 november 2025 (p. 50-52);
4. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 26 november 2025 (p. 78-80);
5. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 30 november 2025 (p. 92-95);
6. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 29 november 2025 (p. 127-129);
7. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 9 december 2025 (p. 137-139);
8. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 15 december 2025 (p. 162-164);
9. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 18 januari 2026 (p. 180-183).
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij in de periode van 11 november 2025 tot en met 18 januari 2026 te Alphen aan den Rijn, s-Gravenhage en Zoetermeer voertuigen die aan [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3] en [aangever 4] en [aangever 5] en [aangever 6] en [aangever 7] en [aangever 8] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich telkens die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht, door middel van een valse sleutel, door telkens onbevoegd gebruik te maken van de eerder door hem weggenomen bij die voertuigen passende sleutels;
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5 De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden op te leggen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, wordt opgelegd met eventueel een taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van acht autodiefstallen. De rechtbank merkt daarbij op dat de verdachte op een vaste manier te werk is gegaan. De verdachte ging telkens naar een vestiging van [bedrijf] met een vooropgezet doel, namelijk het zoeken in de kleedkamer naar een autosleutel van bezoekers van de [bedrijf] , om daarmee hun auto te stelen, die auto te verkopen en met het verdiende geld zijn (straat)schuld af te lossen. Uit de gedragingen van de verdachte blijkt een handelwijze die er alleen maar op gericht is geweest om zichzelf te bevoordelen. Het betreft een naar strafbaar feit dat niet alleen financiële schade veroorzaakt voor gedupeerden, maar hen ook een gevoel van onveiligheid en overlast bezorgt. Het is zeer kwalijk dat de verdachte door dit handelen het gevoel van veiligheid van de gedupeerden heeft aangetast.
Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 20 mei 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij al meerdere keren is veroordeeld voor vermogensdelicten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 2 juni 2026, waaruit volgt dat sprake is van problematiek op meerdere leefgebieden, zoals financiën, sociaal netwerk, psychosociaal functioneren en houding. De reclassering stelt dat sprake is van een hoog recidiverisico, gezien het delictverleden van de verdachte. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, een locatiegebod (met elektronisch toezicht), dagbesteding, meewerken aan schuldhulpverlening en beheersing middelengebruik.
Straftoemeting
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en aangesloten bij straffen die in Nederland voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, met een proeftijd van twee jaren en daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
7 De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregel
In totaal hebben zes benadeelden zich gevoegd als partij in dit strafproces. Deze benadeelde partijen vorderen de verdachte te veroordelen om een schadevergoeding te betalen, te vermeerderen met de daartoe geldende wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Hieronder is per benadeelde partij het gevorderde weergegeven:
Benadeelde partij: [aangever 1] (auto 1)
|
Materiële schade |
Immateriële schade |
|
|
Reparatie velg |
€ 538,86 |
|
|
Elektrische deuropener |
€ 475 |
|
|
Totaal |
€ 538,86 |
€ 475 |
Benadeelde partij: [aangever 2] (auto 2)
|
Materiële schade |
Immateriële schade |
|
|
APK en onderhoud |
€ 277,78 |
|
|
Voorloopauto |
€ 600,00 |
|
|
Totaal |
€ 877,78 |
€ 0 |
Benadeelde partij: [aangever 3] (auto 3)
|
Materiële schade |
Immateriële schade |
|
|
Gestolen auto |
€ 12.000 |
|
|
Gereedschap |
€ 350 |
|
|
Zonnebril |
€ 150 |
|
|
Sportschoenen |
€ 85 |
|
|
Aanvraag nieuw rijbewijs |
€ 50 |
|
|
Sleutels |
€ 35 |
|
|
Portemonnee + inhoud |
€ 100 |
|
|
Totaal |
€ 12.770 |
€ 0 |
Benadeelde partij: [aangever 5] (auto 5)
|
Materiële schade |
Immateriële schade |
|
|
Gestolen auto |
€ 5.550 |
|
|
Samsung Galaxy S25+ en silicon cover |
€ 1.018,99 |
|
|
Galaxy Buds3 Pro |
€ 199 |
|
|
EA Pufferjack |
€ 520 |
|
|
Samsung Galaxy Book 3Pro + Case |
€ 1.633,99 |
|
|
OV reiskosten |
€ 962,11 |
|
|
Bluetooth Mouse slim |
€ 30,39 |
|
|
Verlies van inkomen |
€ 15.465 |
|
|
Totaal |
€ 25.379,48 |
€ 0 |
Benadeelde partij: [aangever 6] (auto 6)
|
Materiële schade |
Immateriële schade |
|
|
Waardedaling auto |
€ 2.000 |
|
|
Contant geld uit auto |
€ 400 |
|
|
Schade binnenkant auto |
€ 300 |
|
|
Reservesleutel auto zoon |
€ 250 |
|
|
Vervanging huisslot en -sleutels |
€ 350 |
|
|
Medische klachten |
€ 6.000 |
|
|
Totaal |
€ 3.300 |
€ 6.000 |
Benadeelde partij: [aangever 9] (auto 7)
|
Materiële schade |
Immateriële schade |
|
|
Gestolen auto |
€ 35.000 |
|
|
Wegenbelasting |
€ 22 |
|
|
Wegenbelasting |
€ 54 |
|
|
Kosten lenen auto zusje |
€ 350 |
|
|
Advocaat |
€ 302,50 |
|
|
Reiskosten Amsterdam |
€ 23,73 |
|
|
Parkeren rechtbank |
€ 7 |
|
|
Reiskosten rechtbank |
€ 8,05 |
|
|
Bril |
€ 1.498 |
|
|
Stress |
€ 1.000 |
|
|
Vergoeding reeds ontvangen |
-/- € 33.350 |
|
|
Totaal |
€ 3.915,28 |
€ 1.000 |
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering van [aangever 1] op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen voor een bedrag van € 538,86 (aan materiële schade), vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De immateriële schade (in de vorm van waarneembaar psychisch letsel) is onvoldoende onderbouwd, en dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Ten aanzien van de vordering van [aangever 2] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen voor een bedrag van € 600,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. De kosten van APK en onderhoud van € 277,78 komen immers zonder nadere onderbouwing niet voor vergoeding in aanmerking.
De vordering van [aangever 3] is volgens de officier van justitie slechts toewijsbaar voor zover de vordering ziet op de vergoeding van de gestolen auto; tot een bedrag van de dagwaarde van de auto. De overige onderdelen van deze vordering moeten niet-ontvankelijk worden verklaard omdat deze schade onvoldoende is onderbouwd.
Ten aanzien van de vordering van [aangever 5] is volgens de officier van justitie toewijsbaar de vervangingswaarde van de auto van € 5.500 en alles wat in de auto lag. De OV reiskosten zijn toewijsbaar, omdat deze voldoende zijn onderbouwd. Ten aanzien van het verlies van inkomsten ontbreekt een voldoende onderbouwing waardoor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Van het pufferjack is niet gebleken dat deze aan de benadeelde partij toebehoorde zodat dit deel van de vordering moet worden afgewezen.
Ten aanzien van de vordering van [aangever 7] komt volgens de officier van justitie € 1.876,50 voor vergoeding in aanmerking bestaande uit de kosten voor de bril, de advocaatkosten en de wegenbelasting. Ten aanzien van de materiële schade moet de vordering voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat deze schade niet voldoende is onderbouwd. De immateriële schade (in de vorm van waarneembaar psychisch letsel) is onvoldoende onderbouwd, en dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De vordering van [aangever 6] moet in zijn geheel niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat zowel de materiële als de immateriële schade niet is onderbouwd.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de vordering van [aangever 1] stelt de verdediging dat het onduidelijk is of de verdachte de velg van de auto kapot heeft gereden. De immateriële schade is volgens de verdediging te ver verwijderd van het ten laste gelegde feit waardoor deze schadepost niet voor vergoeding in aanmerking komt.
Ten aanzien van de vordering van [aangever 2] betwist de verdediging het causaal verband tussen het ten laste gelegde feit, de APK kosten en de onderhoudskosten die dateren van twee weken voor de diefstal. Voor zover moet de vordering worden afgewezen. Voor wat betreft de kosten van de voorloopauto, is deze schadepost wat de verdediging betreft onvoldoende onderbouwd zodat dit deel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Ten aanzien van de vordering van [aangever 3] stelt de verdediging zich op het standpunt dat deze onvoldoende is onderbouwd. De vordering dient daarom primair niet-ontvankelijk te worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat op basis van het kenteken en de kilometerstand van de auto de waarde van de auto moet worden vastgesteld op € 5.450.
Ten aanzien van de vordering van [aangever 5] stelt de verdediging zich op het standpunt dat deze niet-ontvankelijk moet worden verklaard bij gebrek aan een voldoende onderbouwing. In ieder geval blijkt uit het verzoek om schadevergoeding dat de pufferjas, de laptop en de oordoppen van andere personen dan de benadeelde partij zijn, voor zover de vordering daarop ziet moet de vordering worden afgewezen. De OV reiskosten zijn reiskosten, waarvan niet kan worden vastgesteld of het rechtstreekse schade is en komen daardoor niet voor vergoeding in aanmerking.
Ten aanzien van de vordering van [aangever 9] stelt de verdediging zich primair op het standpunt dat de benadeelde partij van haar verzekering al meer vergoed heeft gekregen dan de waarde van de auto ten tijde van de diefstal waardoor er geen sprake is van schade. Het is de verdediging bovendien onduidelijk waar de opgevoerde advocaatkosten op zien. Bovendien moeten de kosten van de advocaat worden bepaald op grond van het liquidatietarief en lijkt het erop dat deze kosten dubbel zijn meegenomen in de schadeberekening. De vordering moet daarom worden afgewezen voor zover die ziet op de advocaatkosten, en voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.
Ten aanzien van de vordering van [aangever 6] heeft de verdediging aangevoerd dat deze niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat zowel de materiële schade als de immateriële schade niet is onderbouwd.
Het oordeel van de rechtbank
Vordering [aangever 1]
De rechtbank stelt vast dat de velg van de auto van de benadeelde partij is beschadigd na het bewezenverklaarde feit en zal daarom de vordering wat betreft de materiële schade van € 538,86 inzake de reparatie van de velg toewijzen.
Het aanschaffen van de elektronische deuropener staat niet in een rechtstreeks verband tot het bewezenverklaarde feit. In het algemeen geldt dat kosten die zijn gemaakt om een veiliger gevoel te krijgen, en dus betrekking hebben op toekomstige gebeurtenissen, niet kunnen worden aangemerkt als schade die het gevolg is van een eerdere gebeurtenis. Het is begrijpelijk dat de benadeelde partij een elektronische deuropener wilde kopen om zich thuis veiliger te voelen, maar dit kan de rechtbank niet aanmerken als rechtstreekse schade in de zin van artikel 6:96 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank zal de benadeelde partij wat betreft de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 11 november 2025, omdat vast is komen te staan dat de materiële schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en daarom is hij tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 538,86, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 11 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] .
Vordering [aangever 2]
De kosten van de APK en de onderhoudskosten van € 277,78 zijn gemaakt voordat het bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden, waardoor geen sprake is van schade als gevolg van het bewezenverklaarde feit. De vordering wordt voor dat deel afgewezen. De kosten van de voorloopauto van € 600 staan in rechtstreeks verband tot het bewezenverklaarde feit en daarom zal de rechtbank de vordering in zoverre toewijzen.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 20 november 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en daarom is hij tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 600,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] .
Vordering [aangever 3]
De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van materiële schade toewijzen ter grootte van de vervangingswaarde van € 5.450,- van het voertuig. Voorts zal de rechtbank ten aanzien van de spullen die in de auto van de benadeelde partij lagen gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en dit deel van de vordering toewijzen tot een bedrag van € 200,-, de rechtbank zal de benadeelde partij wat betreft het meerdere niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 26 november 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en daarom is hij tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 5.650, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 3] .
Vordering [aangever 5]
De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van materiële schade toewijzen ter grootte van de vervangingswaarde van € 5.550,- van het voertuig. Voor zover de vordering ziet op het pufferjack en de Samsung Galaxy Book 3Pro en case, zal de vordering worden afgewezen, omdat het geen schade is die door de benadeelde partij is geleden. De andere onderdelen van de vordering, bestaande uit de OV reiskosten, het verlies van inkomen, de Galaxy Buds3 Pro, de telefoon met hoesje en muis zijn namens de verdachte voldoende gemotiveerd betwist. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering (dan wel de mogelijkheid tot bewijslevering) zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 29 november 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en daarom is hij tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 5.550, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 5] .
Vordering [aangever 7]
De rechtbank zal de benadeelde partij [aangever 7] niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De verschillende onderdelen van de vordering zijn immers namens de verdachte voldoende gemotiveerd betwist. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering (dan wel de mogelijkheid tot bewijslevering) zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Proceskostenveroordeling benadeelde partij
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
Vordering [aangever 6]
De rechtbank zal de benadeelde partij [aangever 6] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. De verschillende onderdelen van de vordering zijn namens de verdachte voldoende gemotiveerd betwist. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering (dan wel de mogelijkheid tot bewijslevering) zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Proceskostenveroordeling benadeelde partij
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
8 De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 14a, 14b, 14c, 36fen 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9 De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
diefstal, waarbij de schuldige de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van ZESTIEN (16) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot ZES (6) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich meldt binnen vijf werkdagen nadat de proeftijd is ingaan bij GGZ Reclassering Fivoor op het adres [adres 1] . De veroordeelde blijft zich gedurende de proeftijd melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
- gedurende de proeftijd op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres, zolang de reclassering dat nodig vindt. Het locatiegebod geldt op de volgende dagen en tijden: bij de start dient de veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding 12 uur op het verblijfadres te zijn. Op doordeweekse dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 22 uur en op dagen in het weekend 20 uur. De reclassering kan tijdens deze periode de dagen en tijden waarop het locatiegebod geldt, al dan niet tijdelijk, verminderen. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met de veroordeelde en afhankelijk van de dagbesteding. Het huidige verblijfadres is [adres 2] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. De veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatiegebod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende, verlaat de veroordeelde – gedurende de duur van het elektronisch toezicht – Nederland niet zonder toestemming van de reclassering;
- spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
- werkt mee met de Materiaal Juridische Dienstverlening van Fivoor aan het in kaart brengen en het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen. Ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- werkt gedurende de proeftijd mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan SVG Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
-
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
-
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
de vorderingen van de benadeelde partijen;
[aangever 1] :
wijst de vordering tot schadevergoeding toe tot een bedrag van € 538,86, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 11 november 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
[aangever 2]
wijst de vordering tot schadevergoeding voor een bedrag van € 277,78 af;
wijst de vordering tot schadevergoeding toe tot een bedrag van € 600,- , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 20 november 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
[aangever 3]
wijst de vordering tot schadevergoeding toe tot een bedrag van € 5.650,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 26 november 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
[aangever 5]
wijst de vordering tot schadevergoeding voor een bedrag van € 1538,99 af.
wijst de vordering tot schadevergoeding toe tot een bedrag van € 5.550,- , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 29 november 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen [aangever 1], [aangever 2], [aangever 3] en [aangever 5] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
De vorderingen van [aangever 9] en [aangever 6]
bepaalt dat de benadeelde partijen [aangever 7] en [aangever 6] niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding en de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;
veroordeelt deze benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vorderingen gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
de schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen:
een bedrag van € 538,86, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 11 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 5 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
een bedrag van € 600,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 6 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
een bedrag van € 5.650,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 3];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 56 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
een bedrag van € 5.550,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 5];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 55 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. S.E. Bandsma, voorzitter,
mr. C.M. Zandbergen, rechter,
mr. N. Hengeveld, rechter,
in tegenwoordigheid van A.J.M. Dries, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juli 2026.