ECLI:NL:RBDHA:2026:30743

Datum uitspraak
16-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Zaaknummer
09/055275-26
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Veroordeling voor aanranding van een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, meermalen gepleegd. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk. Proeftijd van twee jaren.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/055275-26

Datum uitspraak: 16 oktober 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 2 oktober 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S. Sleeswijk-Visser en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. E.M. Steller naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode 24 juli 2025 tot en met 8 augustus 2025 te Parijs en/of Amelie les Bains, althans in Frankrijk, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten- die [slachtoffer 1] over haar rug en/of borsten te strelen en/of- die [slachtoffer 2] over haar rug en/of buik en/of borsten en/of venusheuvel en/of schaamstreek te strelen.

3 De bewijsbeslissing

3.1.

Opgave van bewijsmiddelen

De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen te verklaren feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025372998, van de politie eenheid Den Haag (doorgenummerd pagina 1 t/m 93).

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 2 oktober 2026;

2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 12 september 2025 (p. 7-13).

3.2.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op meerdere tijdstippen in de periode 24 juli 2025 tot en met 8 augustus 2025 te Parijs en Amelie les Bains, althans in Frankrijk, met kinderen in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] seksuele handelingen heeft verricht, te weten- die [slachtoffer 1] over haar rug en borsten te strelen en

- die [slachtoffer 2] over haar rug en buik en borsten en venusheuvel en schaamstreek te strelen.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het taakstrafverbod van toepassing is en heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, en een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het taakstrafverbod niet van toepassing is en heeft verzocht om aan de verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen, eventueel met de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zijn behandeling bij De Waag afrondt.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft seksuele handelingen gepleegd met zijn minderjarige stiefdochters, die destijds dertien en vijftien jaar oud waren. Deze handelingen bestonden in beide gevallen uit het betasten van hun lichamen, waaronder – boven de kleding – de schaamstreek en/of borsten. Zoals de verdachte ook ter zitting heeft erkend, heeft hij met zijn handelen geen rekening gehouden met de grenzen, belangen, gevoelens of het welzijn van zijn stiefdochters. Hiermee heeft hij niet alleen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van zijn stiefdochters, maar heeft hij ook het vertrouwen dat zijn stiefdochters in hun stiefvader hadden moeten kunnen hebben geschaad. Het (samengestelde) gezin zou bij uitstek een onbezorgde en veilige omgeving moeten kunnen zijn, maar de verdachte heeft met zijn handelen van deze plek een plaats gemaakt waar zijn stiefdochter(s) zich onveilig en onprettig hebben gevoeld.

Door de wetgever is de geestelijke en lichamelijke integriteit van jeugdigen uitdrukkelijk beschermd, onder meer op de grond dat zij op seksueel gebied nog niet volgroeid zijn en dat zij worden geacht niet zelfstandig de emotionele gevolgen van seksueel contact voldoende te kunnen inschatten. Handelingen zoals de verdachte die heeft gepleegd, vormen een inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en kunnen, naar de ervaring leert, leiden tot blijvende psychische schade. De verdachte heeft bij dit alles kennelijk niet stilgestaan en is daaraan voorbijgegaan. De rechtbank neemt de verdachte dit kwalijk.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 4 september 2026. Hieruit volgt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 25 september 2026, waaruit volgt dat sprake is van een laag recidiverisico. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen een straf zonder bijzondere voorwaarden.

Zowel uit het reclasseringsadvies alsook uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de verdachte na het plegen van de seksuele handelingen vrijwel meteen vrijwillig hulp heeft gezocht bij De Waag, waar hij inmiddels een jaar onder behandeling is. De verdachte is ook voornemens om dit traject te continueren. Ter zitting heeft hij aangegeven dat hij voorheen niet besefte dat hij ook verantwoordelijk is voor grenzen van anderen. Daar werkt de verdachte nu aan. Naast De Waag is ook Veilig Thuis betrokken (geweest).

Strafmodaliteit

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het taakstrafverbod, zoals neergelegd in artikel 22b Wetboek van Strafrecht, van toepassing is. Bij die beoordeling is het volgende van belang. Er moet ten eerste sprake zijn van een misdrijf waarop een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld, het formele criterium. Ten tweede moet dat misdrijf een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer hebben veroorzaakt, het materiële criterium. Aan het formele criterium is voldaan, nu op aanranding van een slachtoffer van twaalf tot zestien jaar een gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren is gesteld. Gelet op de aard en ernst van de door de verdachte gepleegde handelingen, is er – anders dan de verdediging heeft betoogd – naar het oordeel van de rechtbank ook voldaan aan het materiële criterium, omdat sprake is van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. De rechtbank overweegt daartoe dat in het materiële criterium bewust is afgezien van de gevolgen voor de geestelijke integriteit van het slachtoffer. Omdat de psychische impact sterk per persoon verschilt, vormt dit een te weinig objectieve maatstaf voor de beoordeling of een taakstraf mag worden opgelegd. Daar komt bij dat voor de delictsomschrijvingen van zeden- en geweldsmisdrijven in het Wetboek van Strafrecht geldt dat steeds sprake is van inbreuken op de lichamelijke integriteit. Of deze inbreuk ernstig is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Naast hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder de ‘ernst van het feit’, weegt de rechtbank in dit geval mee dat de handelingen op vakantie in bed hebben plaatsgevonden, terwijl één slachtoffer half sliep en beide slachtoffers in feite geen kant op konden.

Gezien het voorgaande acht de rechtbank het taakstrafverbod van toepassing.

Strafmaat

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat aansluiting gezocht bij straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd. In dit geval acht de rechtbank van belang dat de verdachte als stiefvader de zorg droeg voor zijn minderjarige stiefdochters en dat de handelingen zijn gepleegd terwijl zij tijdens een vakantie met het gezin naast elkaar in bed lagen. Tegelijkertijd heeft de rechtbank oog voor de persoonlijke omstandigheden en de gezinssituatie van de verdachte. De rechtbank acht strafverlagend dat de verdachte volledige openheid van zaken heeft gegeven en blijk heeft gegeven van inzicht in de laakbaarheid van zijn handelen. Daarbij betrekt de rechtbank de stappen die de verdachte reeds heeft gezet, en nog altijd zet, om recidive te voorkomen.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Deze straf dient in de eerste plaats ter vergelding van de ernst van het handelen van de verdachte. Dit strafdoel doet niet alleen recht aan de slachtoffers, maar aan de samenleving als geheel. Daarnaast beoogt de straf door afschrikking bij te dragen aan de generale preventie.

De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van zes maanden passend en geboden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank acht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank, mede gelet op het blanco strafblad en de houding van de verdachte, geen aanleiding om daar een langere proeftijd aan te verbinden dan wel om daarnaast ook nog een taakstraf aan de verdachte op te leggen.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 57 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2. bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

aanranding in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren, meermalen gepleegd;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) MAANDEN;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 5 (VIJF) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F. Bouman, voorzitter,

mr. K.C.J. Vriend, rechter,

mr. C.A.W. Zijlstra, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.E. Kramer, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »