ECLI:NL:RBDHA:2026:30746

Datum uitspraak
16-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Zaaknummer
09/208715-26
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Veroordeling voor een poging inbraak en een voltooide inbraak. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/208715-26

Datum uitspraak: 16 oktober 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats], locatie [locatie].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 2 oktober 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J.C. Rous en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J. Klein Molekamp naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 6 november 2025 te in/uit een woning gelegen aan de [straatnaam 1] te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om enig9e) goed(eren) van zijn-verdachtes- gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

hij in of omstreeks de periode van 7 april 2025 tot en met 14 april 2025 in/uit een woning gelegen aan de [straatnaam 2] te Deventer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een/of meer gouden sierraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen sieraad/sieraden onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en verbreking.

3 De bewijsbeslissing

3.1.

Opgave van bewijsmiddelen

De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en).

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van

2 oktober 2026;

Ten aanzien van feit 1

2. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], opgemaakt op 6 november 2025 (PL1500-2025376317 van de politie eenheid Den Haag, p. 18-19);

Ten aanzien van feit 2

3. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2], opgemaakt op 27 april 2025

(PL0600-2025170875, p. 5-7).

3.2.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1

hij op 6 november 2025 in een woning gelegen aan de [straatnaam 1] te ’s-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om goederen die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

hij in de periode van 7 april 2025 tot en met 14 april 2025 in een woning gelegen aan de [straatnaam 2] te Deventer, gouden sierraden die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen sieraden onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertien maanden.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de gevangenisstraf gelijk te stellen aan het voorarrest, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een woninginbraak en een poging daartoe. Woninginbraken veroorzaken niet alleen materiële schade, maar tasten ook het gevoel van veiligheid en de privacy van de bewoners aan, juist omdat een huis bij uitstek een plek is waar men zich veilig en onbezorgd zou moeten kunnen voelen.

Daarnaast zorgen woninginbraken ook binnen de samenleving in het algemeen voor gevoelens van onveiligheid. Het is voor slachtoffers bovendien bijzonder onaangenaam om te leven met de wetenschap dat een vreemde in hun huis is geweest en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht. Uit het dossier is gebleken dat de inbraak in Deventer veel impact heeft gehad op de bewoners. De verdachte heeft in de woning een enorme wanorde achtergelaten; het huis werd zeer grondig doorzocht, waarbij de verdachte niet heeft geschroomd om de babykamer en ondergoedlade van de bewoners te doorzoeken. De slachtoffers hebben bij de politie verklaard dat bij de inbraak voor een totaalbedrag van

€ 12.000,00 aan gouden sieraden is meegenomen. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij geen respect heeft getoond voor de persoonlijke eigendommen en de persoonlijke levenssfeer van de bewoners, en dat hij zich enkel heeft laten leiden door eigen financieel gewin.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 4 september 2026. Hieruit volgt dat de verdachte in Nederland niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het uittreksel uit de European Criminal Records Information System (ECRIS) van 23 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte in Frankrijk wel eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De verdachte is in

2023 tweemaal veroordeeld wegens diefstal na illegale toegang tot eigendom (in februari en in september). Daarnaast is de verdachte in mei 2021 veroordeeld wegens diefstal met verzwarende omstandigheden. De rechtbank weegt deze Franse veroordelingen mee in het nadeel van de verdachte.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft ook acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte De verdachte heeft drie minderjarige kinderen met zijn ex-partner. De kinderen verblijven momenteel bij hun oma in [land], die de zorg voor de kinderen volgens de verdachte niet goed kan dragen. De verdachte heeft aangegeven dat hij graag zelf voor de kinderen wil zorgen. Ook heeft de verdachte aangegeven dat er ten tijde van het plegen van de feiten sprake was van middelenmisbruik en dat hij hier inmiddels mee is gestopt.

Op te leggen straf

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is bij een voltooide inbraak in een woning en wanneer, zoals in dit geval, sprake is van recidive, als uitgangspunt vermeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden. Bij een poging is het vertrekpunt twee derde deel van het uitgangspunt voor de op te leggen straf bij het voltooide delict.

Gelet hierop, en gelet op de aard en ernst van de feiten, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf. De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van acht maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank realiseert zich dat deze strafoplegging ingrijpende gevolgen zal hebben voor het privéleven van de verdachte, in het bijzonder aangezien hij vader is van drie minderjarige kinderen. De bewezenverklaarde misdrijven zijn echter dermate ernstig dat niet kan worden volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 45, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

poging tot diefstal in een woning door iemand die zich daar aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid;

ten aanzien van feit 2:

diefstal in een woning door iemand die zich daar aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 (ACHT) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.E. Povel, voorzitter,

mr. K.C.J. Vriend, rechter,

mr. C.A.W. Zijlstra, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.E. Kramer, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »