vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/017932-26
Datum uitspraak: 16 september 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
nu verblijvend in de [Penitentiaire Inrichting]
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 september 2026. Op deze zitting is het onderzoek gesloten en is mondeling uitspraak gedaan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. K. Hara, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L. Tal, naar voren hebben gebracht.
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
1.
hij op of omstreeks 18 januari 2026 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie,
te weten een pistool van het merk Blow, type mini 9, kaliber 9mm en/of een gaspistool van het merk Umarex Sportwaffen, type Glock 17 Gen 5, kaliber 9mm,
zijnde (een) vuurwapen(s) in de vorm van een geweer, revolver en/of (gas)pistool voorhanden heeft gehad;
2.
hij op of omstreeks 18 januari 2026 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie,
te weten twee kogels voor Blow model van het kaliber 9mm,
voorhanden heeft gehad;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3 Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4 Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen op grond van de inhoud van het dossier.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen verweer gevoerd met betrekking tot de bewezenverklaring van de feiten.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierna in rubriek 5 is vermeld.
5 De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte
1.
op 18 januari 2026 te Amsterdam,
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie,
te weten een pistool van het merk Blow, type mini 9, kaliber 9mm en een gaspistool van het merk Umarex Sportwaffen, type Glock 17 Gen 5, kaliber 9mm,
zijnde vuurwapens in de vorm van een (gas)pistool,
voorhanden heeft gehad;
2.
op 18 januari 2026 te Amsterdam,
munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie,
te weten twee kogels voor Blow model van het kaliber 9mm,
voorhanden heeft gehad.
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
6 De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7 De strafbaarheid van verdachte
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het volgende standpunt gesteld. Bij verdachte is sprake van een psychotische kwetsbaarheid, een ernstige stoornis in cannabisgebruik en een matige stoornis in gebruik van een inhalantium. Ten tijde van de feiten was verdachte in psychotische toestand, hetgeen in beginsel tot strafuitsluiting leidt. De psychotische kwetsbaarheid van verdachte is echter door zijn middelengebruik aan verdachte zelf te wijten, zodat sprake is van bijzondere omstandigheden die reden vormen de feiten toch aan verdachte, al dan niet in verminderde mate, toe te rekenen (culpa in causa).
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat, mede gelet op de inhoud van de Pro Justitia-rapportage van 19 juni 2026 – sprake is van volledige ontoerekeningsvatbaarheid, zodat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het oordeel van de rechtbank
Ontslag van alle rechtsvervolging
De rechtbank heeft bij haar oordeel over de strafbaarheid van verdachte acht geslagen op de Pro Justitia-rapportage over verdachte van 19 juni 2026, opgemaakt door drs. [psychiater] , psychiater.
De rechtbank sluit zich aan bij het oordeel van de deskundige dat verdachte lijdt aan een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis, een ernstige stoornis in cannabisgebruik en een matige stoornis in gebruik van een inhalantium. De rechtbank neemt ook de conclusie van de deskundige over dat deze stoornissen aanwezig waren ten tijde van de delicten en dat deze het gedrag van verdachte hebben beïnvloed. Volgens de deskundige was verdachte ten tijde van de feiten ernstig psychotisch ontregeld. Naast akoestische hallucinaties, is er zeer waarschijnlijk ook sprake geweest van paranoïde wanen. Gezien de aanwezigheid van de psychose en de uitspraken die verdachte de dagen daarna deed bij derden, heeft het er volgens de deskundige alle schijn van dat verdachte ten tijde van de delicten volledig werd gestuurd door hallucinaties en wanen.
Gelet op de ernst van zijn stoornissen en de invloed daarvan op het denken en doen van verdachte, is de rechtbank (net zoals de deskundige) van oordeel dat er causaal verband bestaat tussen deze stoornissen en de delicten, waarbij de stoornissen zodanig ernstig zijn dat ze in de weg staan aan de toerekening. De rechtbank is van oordeel dat verdachte als gevolg van de aanwezige stoornissen ten tijde van het bewezenverklaarde niet in staat was om de wederrechtelijkheid van zijn gedragingen te begrijpen dan wel overeenkomstig dat begrip te handelen.1
De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of de psychotische kwetsbaarheid van verdachte, dan wel de omstandigheid dat verdachte in psychose is geraakt, aan verdachte zelf is te wijten door zijn middelengebruik (culpa in causa).
Volgens rechtspraak van de Hoge Raad kunnen gedragingen van de verdachte die aan het optreden van de stoornis als bedoeld in artikel 39 Sr voorafgaan, in de weg staan aan het oordeel dat de tenlastegelegde feiten niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend, 'maar slechts onder bijzondere omstandigheden'. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn als het optreden van de stoornis aan de verdachte zelf te wijten is geweest omdat hij verdovende middelen heeft gebruikt.2
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de gedragingen van verdachte niet in de weg staan aan het oordeel van de rechtbank dat de feiten hem niet kunnen worden toegerekend. Daarbij baseert de rechtbank zich op de hierna weergegeven inhoud van het rapport van de deskundige.
De deskundige concludeert namelijk dat verdachte een psychotische kwetsbaarheid c.q. onderliggende psychotische stoornis heeft, en dat geen sprake is van een zuivere drugspsychose. Verdachte was weliswaar in theorie op de hoogte van de relatie tussen cannabisgebruik en het kunnen aanwakkeren van akoestische hallucinaties, maar heeft - gezien zijn (jonge) leeftijd en het nog maar één keer eerder doormaken van een psychose - niet kunnen overzien tot welke ernstige ontregeling gebruik zou leiden. Bovendien was verdachte door zijn stoornis in middelengebruik en het algemene gegeven dat cannabis bij psychotische klachten vaak als zelfmedicatie wordt gebruikt, waarschijnlijk niet meer bij machte zijn gebruik zelf te reguleren. De deskundige concludeert tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid.
De rechtbank neemt deze conclusies van de deskundige over en is van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten verdachte niet kunnen worden toegerekend. Verdachte is daarom niet strafbaar en wordt dan ook ten aanzien van de feiten ontslagen van alle rechtsvervolging.
Zorgmachtiging
De rechtbank heeft aan verdachte – conform het verzoek van de officier van justitie – in de zaak met rekestnummer 26/6588, welk rekest tegelijkertijd met de onderhavige strafzaak is behandeld, een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3, eerste lid, Wfz verleend voor de duur van zes maanden.
8 Beslag
In het onderzoek zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
- 1 pistool (omgebouwd), goednummer 6762831;
- 1 pistool (Umarex), goednummer 6762836;
- 2 patronen, goednummer 6762828.
Onttrekking aan het verkeer
De voormelde inbeslaggenomen voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het onder 1 en 2 bewezen geachte is begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
9 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte voor het bewezene niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
- 1 pistool (omgebouwd), goednummer 6762831;
- 1 pistool (Umarex), goednummer 6762836;
- 2 patronen, goednummer 6762828.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis. Deze beslissing is afzonderlijk opgemaakt.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C.H. Broesterhuizen, voorzitter,
mrs. A.H.E. van der Pol en B. van Galen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.A. Baaijens, griffier.
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 september 2026.