ECLI:NL:RBMNE:2026:5640

Datum uitspraak
18-08-2026
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
16-132889-25, 16-223643-25, 16-256593-25 en 16-258657-25 (t.t.z. gevoegd)
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verdachte ontoerekeningsvatbaar. Verdachte leed ten tijde van de feiten aan een stoornis, waardoor hij, hoewel hij kon begrijpen dat de feiten wederrechtelijk waren, niet in staat was in overeenstemming daarmee te handelen. Geen straf of maatregel. Vorderingen van benadeelde partijen niet-ontvankelijk.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers:

16-132889-25, 16-223643-25, 16-256593-25 en 16-258657-25 (t.t.z. gevoegd)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 18 augustus 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] , geboren op [1988] in [geboorteplaats] (Turkije),

ingeschreven op het adres [adres] , [woonplaats] ,

hierna: de verdachte.

1 Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 4 augustus 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

  • de verdachte;

  • de officier van justitie: mr. M.L. Kruit;

  • de advocaat van de verdachte: mr. F. Visser (hierna: de advocaat).

2 Tenlasteleggingen

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

in de zaak met parketnummer 16-132889-25

op 30 januari 2025 te Blaricum, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem met gebalde vuist tegen de borst te slaan, waardoor die [slachtoffer 1] viel;

in de zaak met parketnummer 16-223643-25

op 14 augustus 2025 te Blaricum, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft mishandeld door [slachtoffer 2] een kopstoot te geven en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] te slaan;

in de zaak met parketnummer 16-256593-25

1.

op 12 september 2025 in Blaricum, een verkeersongeval heeft veroorzaakt en de plaats van het ongeval heeft verlaten terwijl hij wist dat daarbij aan [slachtoffer 4] schade was toegebracht;

2.

op 12 september 2025 te Blaricum, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] heeft mishandeld door hen een kopstoot te geven, te slaan en te schoppen;

3.

op 28 september 2025 te Blaricum,

primair:

[slachtoffer 6] zwaar heeft mishandeld door hem een glas in het gezicht te gooien;

subsidiair:

heeft geprobeerd [slachtoffer 6] zwaar te mishandelen door hem een glas in het gezicht te gooien;

meer subsidiair:

[slachtoffer 6] heeft mishandeld door hem een glas in het gezicht te gooien;

4.

op 28 september 2025 te Blaricum, een verkeersongeval heeft veroorzaakt en de plaats van het ongeval heeft verlaten terwijl hij wist dat daarbij aan [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] schade was toegebracht;

5.

op 28 september 2025 te Blaricum, zich met geweld heeft verzet bij zijn aanhouding tegen [politieagent 1] , [politieagent 2] en [politieagent 3] , politieagenten werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening;

in de zaak met parketnummer 16-258657-25

1.

op 1 oktober 2025 te Eemnes, diefstal van pakken sigaretten van [bedrijf 1] B.V. gevolgd door bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 7] , door een schroevendraaier te tonen en daarmee te zwaaien en stekende bewegingen te maken;

2.

op 1 oktober 2025 te Blaricum, diefstal van een fatbike van [benadeelde 4] ;

3.

op 1 oktober 2025 te Blaricum, bedreiging van [benadeelde 4] door een schroevendraaier te tonen en daarmee te zwaaien en stekende bewegingen te maken.

De volledige tekst van de beschuldigingen staat in bijlage I bij dit vonnis.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de zaak met parketnummer 16-256593-25 onder 3. primair, maar het subsidiair tenlastegelegde is (wel) te bewijzen. Ook is te bewijzen dat verdachte al de overige tenlastegelegde feiten heeft gepleegd.

De onderbouwing van het standpunt van de officier van justitie wordt – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken in paragraaf 3.3.3.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken

in de zaak met parketnummer 16-256593-25 onder 1. en 4.

van het toebrengen van letsel;

in de zaak met parketnummer 16-256593-25 onder 3.

van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde, omdat aannemelijk is dat verdachte met het glas heeft ‘geslagen’, terwijl ‘gooien’ is tenlastegelegd;

Verder dient de verdachte van het onder 3 primair te worden vrijgesproken omdat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 6] .

De advocaat heeft zich voor het overige wat het bewijs betreft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De verschillende verweren van de verdediging worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.3.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Gedeeltelijke vrijspraak

in de zaak met parketnummer 16-256593-25 onder 3. primair

De rechtbank oordeelt dat feit 3 primair niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De officier van justitie en de verdediging komen tot dezelfde conclusie, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.

in de zaak met parketnummer 16-258657-25 onder 3.

De rechtbank oordeelt dat feit 3 niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken.

Aangeefster heeft verklaard dat de verdachte ‘in haar richting’ kwam rennen en dat hij ‘een schroevendraaier in zijn hand vast hield en heen en weer zwaaide’, maar daaruit volgt niet zonder meer dat verdachte haar heeft bedreigd. Uit haar verklaring en de rest van het dossier blijkt weliswaar dat de verdachte aan het rennen was om aan zijn achtervolgers te ontkomen en dat hij een schroevendraaier in zijn hand had, maar het is niet duidelijk geworden op welke afstand de verdachte de aangeefster is genaderd met die schroevendraaier. Het dossier bevat ook geen ander bewijs waaruit blijkt dat het bedoeling was van de verdachte om aangeefster te bedreigen. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat het opzet van de verdachte was gericht op het bedreigen van aangeefster.

3.3.2.

Bewijsmiddelen voor de overige feiten

De rechtbank oordeelt dat de overige feiten zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.

Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.

3.3.3.

Bewijsoverwegingen

in de zaak met parketnummer 16-256593-25 onder 3.

Het slaan en/of gooien van het glas

De verdediging voert ten aanzien van het onder 3. tenlastegelegde aan, dat aannemelijk is dat de verdachte het glas niet heeft gegooid, maar met het glas op het hoofd van [slachtoffer 6] heeft geslagen. Dat moet tot vrijspraak leiden omdat slaan met het glas niet ten laste is gelegd. De rechtbank volgt de raadsman daar niet in.

De rechtbank stelt voorop dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte [slachtoffer 6] letsel in zijn gezicht heeft toegebracht en daarbij gebruik heeft gemaakt van een wijnglas. Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring van getuige [getuige 1] dat de verdachte een glas ‘kapot sloeg’ op het hoofd niet wezenlijk anders dan de verklaring van getuige [getuige 2] dat hij zag dat de verdachte het glas ‘kapot gooide’ en dat het glas ‘kapot spatte’.

De rechtbank vindt dat het onder 3 subsidiair tenlastegelegde bewezen.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

in de zaak met parketnummer 16-132889-25

op 30 januari 2025 te Blaricum[slachtoffer 1] heeft mishandeld, door met gebalde vuist tegen de borst van die [slachtoffer 1]te slaan en/of te duwen, waardoor die [slachtoffer 1] ten val is gekomen;

in de zaak met parketnummer 16-223643-25

op 14 augustus 2025 te Blaricum [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door- die [slachtoffer 2] eenmaal een kopstoot te geven in het gezicht en - die [slachtoffer 2] eenmaal te slaan in het gezicht en

- die [slachtoffer 3] eenmaal te slaan in het gezicht;

in de zaak met parketnummer 16-256593-25

1als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Blaricum op/aan de [straat] , op 12 september 2025 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,terwijl bij dat ongeval, naar hij wist, aan een ander te weten [slachtoffer 4] schade was toegebracht;

2op 12 september 2025 te Blaricum, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] eenmaal- een kopstoot te geven en - in het gezicht, te slaan en - tegen het lichaam te schoppen;

3.

op 28 september 2025 te Blaricum, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 6] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een glas tegen het hoofd van die [slachtoffer 6] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Blaricum op/aan de [straat] en/of de [straat] , op 28 september 2025 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist aan een of meer anderen te weten [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 3] schade was toegebracht;

5.

op 28 september 2025 te Blaricum, zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren, te weten [politieagent 1] (aspirant bij de Eenheid Midden-Nederland) en [politieagent 2] (hoofdagent bij de Eenheid Midden-Nederland) en [politieagent 3] (agent bij de Eenheid Midden-Nederland),werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door met kracht- in tegengestelde richting te lopen en/of bewegen en - met zijn bovenlichaam voornoemde ambtenaren weg te duwen en - trappende bewegingen te maken tegen voornoemde ambtenaren en het dienstvoertuig;

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4 Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

in de zaak met parketnummer 16-132889-25

mishandeling;

in de zaak met parketnummer 16-223643-25

mishandeling, meermalen gepleegd;

in de zaak met parketnummer 16-256593-25

1. overtreding van artikel 7 lid 1 Wegenverkeerswet 1994;

2. mishandeling, meermalen gepleegd;

3. poging tot zware mishandeling;

4. overtreding van artikel 7 lid 1 Wegenverkeerswet 1994;

5. wederspannigheid;

in de zaak met parketnummer 16-258657-25

1. diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

2. diefstal.

4.2.

Strafbaarheid feiten

De feiten zijn strafbaar.

4.3.

Strafbaarheid van de verdachte

4.3.1.

Beroep op schulduitsluitingsgrond

De raadsman verzoekt verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging omdat volgens de psycholoog geen van de feiten aan hem kan worden toegerekend.

4.3.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat uit het rapport van de psycholoog en haar toelichting daarop ter zitting volgt dat de verdachte ontoerekeningsvatbaar is voor de strafbare feiten. De verdachte kon op het moment waarop de feiten zijn gepleegd wel begrijpen dat zijn handelen wederrechtelijk was, maar was niet in staat in overeenstemming daarmee te handelen.

4.3.3.

Oordeel van de rechtbank

In artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap niet kan worden toegerekend.

Uit de jurisprudentie over dit wetsartikel volgt dat de rechtbank kan beslissen dat een feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend als ten tijde van dat feit bij de verdachte sprake was van een stoornis, en de verdachte als gevolg van die stoornis niet kon begrijpen dat dat feit wederrechtelijk was, of niet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van dat feit.

Uit het advies van de psycholoog L.F.P.Q. van der Vis van 16 mei 2026 volgt dat de verdachte ten tijde van de strafbare feiten leed aan, kort gezegd, een psychotische stoornis. De psycholoog zegt dat de verdachte waarschijnlijk wel begreep dat wat hij deed niet mocht (en dus wederrechtelijk was), maar dat hij niet in staat was om in overeenstemming daarmee te handelen. De deskundige heeft ter zitting het eerder uitgebrachte advies nader toegelicht en heeft daarbij aangegeven dat zij adviseert de strafbare feiten geheel niet aan de verdachte toe te rekenen omdat zijn keuze- en handelingsvrijheid tijdens de strafbare feiten door de psychotische ontregeling geheel ontbrak.

De psycholoog heeft zich echter geen beeld kunnen vormen van de redenen dat de verdachte de feiten heeft gepleegd. De rechtbank ook niet. Dat komt doordat de verdachte zegt dat hij zich van deze periode niets kan herinneren, wat volgens de psycholoog een gevolg van de psychose kan zijn. Het is daardoor voor de rechtbank lastig vast te stellen of en in hoeverre de psychose van invloed is geweest op het handelen van verdachte.

Toch vindt de rechtbank op basis van het dossier dat voldoende aannemelijk is geworden dat verdachte niet in staat was om zijn wil te bepalen. Uit het dossier komt naar voren dat verdachte initieel een ogenschijnlijk rustig leven leidde tot zijn psychische toestand verslechterde door zijn persoonlijke omstandigheden (vlucht uit zijn moederland, een scheiding met zijn partner en het niet kunnen inbedden in de Nederlandse maatschappij door een taalbarrière) en door cannabisgebruik. Dat mondde uit in een lange periode waarin de verdachte volgens de psycholoog psychotisch gedrag vertoonde, aan betrekkingswanen leed (het idee dat hij werd geobserveerd) en dat hij (sociale) situaties sneller als bedreigend interpreteerde. Volgens de psycholoog is er in die periode sprake geweest van chronische angstklachten. Daardoor kan een verstoring van het toestandsbeeld ontstaan die ertoe leidt dat iemand geen ruimte meer heeft om zijn gedrag aan te passen.

De rechtbank kan uit het dossier afleiden dat die betrekkingswanen ook aanwezig waren voorafgaand, gedurende en na de meeste bewezenverklaarde feiten. Zo spreekt hij zonder enige aanwijsbare reden slachtoffer [slachtoffer 1] aan met de woorden “Why are you looking at me?” (Waarom kijk je naar me?) en blijft dat ook meermalen herhalen waarna hij [slachtoffer 1] mishandelt, ondanks het de-escalerend handelen van [slachtoffer 1] . Diezelfde achterdocht is te zien bij de mishandelingen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] waar de verdachte voorafgaand aan de feiten zegt: “Why are you laughing at me?” (Waarom lach je me uit?). De rechtbank ziet ook dat verdachte na het verlaten van de plaats van het ongeval op 12 en 28 september 2025 en de diefstal (met geweld) op 1 oktober 2025 zonder redelijke aanleiding en plotseling agressief gedrag laat zien. Dat geeft de rechtbank aanleiding om te veronderstellen dat toen sprake was van een situatie die de verdachte als gevolg van zijn stoornis als bedreigend ervoer, zoals ook door de psycholoog is omschreven. En bij de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 6] zijn aanwijzingen voor de doorwerking van de psychose te zien. De verdachte roept na die feiten “This is my street!” (Dit is mijn straat!). Daaraan valt op dat hij op dat moment helemaal niet in zijn woonstraat is én dat de verdachte de anderen om zich heen desondanks als indringers in ‘zijn’ straat lijkt te omschrijven.

Het zijn al deze omstandigheden in samenhang met elkaar bezien dat de rechtbank het aannemelijk vindt dat de verdachte ten tijde van alle feiten niet in staat was om in overeenstemming met zijn begrip van de wederrechtelijkheid te handelen.

De rechtbank gaat daarom ervan uit dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten en zal hem ontslaan van alle rechtsvervolging.

5 Geen straf, maatregel of zorgmachtiging

5.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft niet gevorderd tot oplegging van een straf of maatregel.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen straf of maatregel aan de verdachte moet worden opgelegd.

5.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal aan de verdachte geen (voorwaardelijke) straf of maatregel opleggen en ziet ook (ambtshalve) geen aanleiding om een zorgmachtiging af te geven of te laten voorbereiden. De rechtbank licht dat toe.

Uit het rapport van de psycholoog van 16 mei 2026 volgt dat er een laag herhalingsgevaar is zolang de verdachte zijn medicatie neemt, behandeling volgt en begeleiding krijgt voor praktische zaken. Volgens de psycholoog heeft de verdachte ook geen ‘forensisch profiel’. De rechtbank begrijpt dat de psycholoog daarmee uitdrukt dat de verdachte vooral hulp nodig heeft voor zijn psychische problematiek en dat de inschatting van de psycholoog is dat er dan ook geen strafbare feiten meer worden gepleegd. De psycholoog adviseert in haar rapport om géén dwingend forensisch kader op te leggen en de zorg te verplichten door een zorgmachtiging af te geven. De psycholoog vindt een zorgmachtiging noodzakelijk ten behoeve van de stabiliteit en het voorkomen van terugval. Hoewel de verdachte openstaat voor hulp en medicatie, is de behandeling pas recent opgestart en daarmee kwetsbaar.

Naar aanleiding van het rapport van de psycholoog heeft de officier van justitie een geneesheer-directeur aangewezen en daaraan verzocht om zich uit te laten over de noodzaak van een zorgmachtiging. Uit de bevindingen van de geneesheer-directeur van 18 juni 2026 volgt dat de geneesheer-directeur negatief adviseert over een zorgmachtiging. De geneesheer-directeur beschrijft dat er contact is geweest met de huidige behandelaar van de verdachte, psychiater S. Akyazi die dezelfde taal spreekt als verdachte. Zij heeft bevestigd dat de verdachte bij haar in behandeling is en gemotiveerd is om dat door te zetten inclusief de inname van medicatie. Een zorgmachtiging is volgens de geneesheer-directeur niet nodig, en zou zelfs nadelig kunnen werken omdat de verdachte niet bij dezelfde behandelaar zou kunnen blijven en nieuwe behandelaar mogelijk niet dezelfde taal spreekt.

Uit het reclasseringsadvies van 16 juli 2026 blijkt dat de verdachte sinds de voorlopige hechtenis medicatie gebruikt waardoor hij geen psychotische klachten meer ervaart, gestabiliseerd is en niet meer met de politie in aanraking is geweest. De verdachte is inmiddels op vrijwillige basis onder behandeling bij een psychiater, S. Akyazi, gebruikt antipsychotische medicatie en is gemotiveerd de behandeling voort te zetten. Verdachte heeft een baan, een stabiel inkomen en huisvesting en er zijn geen aanwijzingen dat hij weer verdovende middelen gebruikt. Ook heeft hij een beperkt, maar sterk sociaal netwerk, wat beschermend voor hem is. De reclassering wijst erop dat de positieve ontwikkelingen nog pril zijn (de voorlopige hechtenis is op 2 april 2026 geschorst) en dat er stress- of risicofactoren zijn omdat verdachte schulden heeft en hij op dit moment geen contact heeft met zijn kinderen. De reclassering schat het recidiverisico daarom in als gemiddeld en adviseert een deels voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, de verplichting om mee te werken aan ambulante behandeling met de mogelijkheid van een kortdurende opname, de verplichting om mee te werken aan het aflossen van zijn schulden en de verplichting om mee te werken aan drugscontroles om zicht te krijgen op eventueel drugsgebruik.

De rechtbank leidt uit de rapporten af dat de verdachte medicatie, psychiatrische behandeling en praktische begeleiding nodig heeft. Hoewel het nog pril is, blijkt daaruit ook dat de psychische en persoonlijke situatie van verdachte sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis op 2 april 2026 is gestabiliseerd. Hij lijkt op dit moment ook voldoende ingebed in de (psychiatrische) zorg en wordt gesteund door zijn netwerk.

De rechtbank ziet in deze zaak verder geen mogelijkheden om de verdere medewerking van de verdachte daaraan af te dwingen. Doordat de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging is het niet mogelijk om een (voorwaardelijke) straf op te leggen en daaraan (de geadviseerde) voorwaarden te verbinden. Er kan ook geen zorgmachtiging worden afgegeven. Dat kan alleen als de verdachte zorg weigert en de verdachte werkt juist vrijwillig mee aan de inname van medicatie en aan de psychiatrische behandeling. De rechtbank ziet in deze zaak ook ambtshalve geen aanleiding om een maatregel op te leggen, zoals tbs (met voorwaarden). Dat gaat de rechtbank – zeker gezien het herstel als gevolg van de behandeling en medicatie na de schorsing van de voorlopige hechtenis – te ver.

6 Vordering benadeelde partijen

6.1

De inhoud van de vorderingen

in de zaak met parketnummer 16-256593-25 onder 4.

[benadeelde 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 5.185,85 voor feit 4, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 4.608,85 (€ 7.452,35 waarvan € 2.843,50 is vergoed) voor vergoeding van materiële schade en € 550,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).

[benadeelde 3] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van in totaal € 5.824,62 voor feit 4, vermeerderd met de wettelijke rente.

in de zaak met parketnummer 16-258657-25 onder 1.

[benadeelde 5] heeft zich namens [bedrijf 2] gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 277,50 voor feit 1, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

in de zaak met parketnummer 16-258657-25 onder 2. en 3.

[benadeelde 4] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 16.525,- voor feit 2. en 3., vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 25,- voor vergoeding van materiële schade en € 15.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld) en € 1.000,- voor affectieschade.

6.2

Standpunt van de officier van justitie

in de zaak met parketnummer 16-256593-25 onder 4.

Met betrekking tot [benadeelde 1]

Volgens de officier van justitie is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Met betrekking tot [benadeelde 3]

Volgens de officier van justitie kan de vergoeding tot een bedrag van € 1.077,77 worden toegekend.

in de zaak met parketnummer 16-258657-25 onder 1.

Met betrekking tot [benadeelde 5]

Volgens de officier van justitie is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

in de zaak met parketnummer 16-258657-25 onder 2. en 3.

Met betrekking tot [benadeelde 4]

Volgens de officier van justitie kan de vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 150,- worden toegewezen en moet de vergoeding van affectieschade worden afgewezen.

6.3

Standpunt van de verdediging

in de zaak met parketnummer 16-256593-25 onder 4.

Met betrekking tot [benadeelde 1]

Volgens de raadsman is is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Met betrekking tot [benadeelde 3]

Volgens de raadsman is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering of moet de vordering worden afgewezen.

in de zaak met parketnummer 16-258657-25 onder 1.

Met betrekking tot [benadeelde 5]

Volgens raadsman is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

in de zaak met parketnummer 16-258657-25 onder 2. en 3.

Met betrekking tot [benadeelde 4]

Volgens de raadsman is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering met betrekking de materiële en immateriële schadeposten en moet de vergoeding van affectieschade worden afgewezen.

6.4

Oordeel van de rechtbank

In artikel 361, tweede lid onder a, Sv staat – kort gezegd en voor zover van toepassing – dat de benadeelde partij alleen ontvankelijk zal zijn in haar vordering als aan de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd, dan wel in geval van toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Zoals hiervoor overwogen en geoordeeld zal de verdachte vanwege volledige ontoerekeningsvatbaarheid worden ontslagen van alle rechtsvervolging, zonder oplegging van een straf of maatregel. Hierdoor wordt niet voldaan aan een van de ontvankelijkheidsvereisten zoals genoemd in voornoemd artikel.

De benadeelde partijen worden daarom in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Nu de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen, zullen kosten worden gecompenseerd, in die zin dat de benadeelde partijen en de verdachte hun eigen kosten dragen.

De rechtbank legt ook geen schadevergoedingsmaatregel op.

In artikel 36f Sr is bepaald dat een schadevergoeding kan worden opgelegd aan degene die bij rechterlijke uitspraak wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld tot een straf of aan wie bij rechterlijke uitspraak een maatregel wordt opgelegd of voor wie met toepassing van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg een zorgmachtiging of rechterlijke machtiging is afgegeven op de gronden, genoemd in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel 1°, 2° of 4°, van de Wet forensische zorg. Omdat van al deze situaties geen sprake is bestaat er voor oplegging van een schadevergoedingsmaatregel voor de slachtoffers geen rechtsgrond. De rechtbank kan daarom ook geen schadevergoedingsmaatregel opleggen.

7 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

in de zaak met parketnummer 16-256593-25

- verklaart het onder 3 primair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

in de zaak met parketnummer 16-258657-25

- verklaart het onder 3 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bewezenverklaring

  • verklaart bewezen dat de verdachte de overige feiten heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;

  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ten aanzien van deze feiten;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partijen

[benadeelde 1] in de zaak met parketnummer 16-256593-25 onder 4.

  • verklaart [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering;

  • compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en de verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;

[benadeelde 3] in de zaak met parketnummer 16-256593-25 onder 4.

  • verklaart [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering;

  • compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en de verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;

[benadeelde 5] in de zaak met parketnummer 16-258657-25 onder 1.

  • verklaart [benadeelde 5] niet-ontvankelijk in de vordering;

  • compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en de verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;

[benadeelde 4] in de zaak met parketnummer 16-258657-25 onder 2. en 3.

  • verklaart [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering;

  • compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en de verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;

voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Haeck, voorzitter, mr. S.D. Groen en mr. M. Coenen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van Wiggen, griffier en is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.

Bijlage I: De tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

in de zaak met parketnummer 16-132889-25

hij op of omstreeks 30 januari 2025 te Blaricum[slachtoffer 1] heeft mishandeld, door met gebalde vuist tegen de borst van die [slachtoffer 1]te slaan en/of te duwen, waardoor die [slachtoffer 1] ten val is gekomen;

in de zaak met parketnummer 16-223643-25

hij op of omstreeks 14 augustus 2025 te Blaricum [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door- die [slachtoffer 2] meermaals althans eenmaal een kopstoot te geven in het gezicht en/of- die [slachtoffer 2] meermaals althans eenmaal te slaan tegen het lichaam, althans in het gezicht en/of- die [slachtoffer 3] meermaals althans eenmaal te slaan tegen het lichaam, althans in het gezicht;

in de zaak met parketnummer 16-256593-25

1hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Blaricum op/aan de [straat] , op of omstreeks 12 september 2025 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer 4] ) letsel en/of schade was toegebracht;

2hij op of omstreeks 12 september 2025 te Blaricum, [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] meermalen, althans eenmaal- een kopstoot te geven en/of- in het gezicht, althans tegen het hoofd te slaan en/of- tegen het lichaam te slaan en/of te schoppen;

3hij op of omstreeks 28 september 2025 te Blaricum, aan een ander, te weten [slachtoffer 6] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door een glas tegen het gezicht, althans het hoofd van die [slachtoffer 6] te gooien;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 september 2025 te Blaricum, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan een ander, te weten [slachtoffer 6] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een glas tegen het gezicht, althans het hoofd van die [slachtoffer 6] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 september 2025 te Blaricum [slachtoffer 6] heeft mishandeld, door een glas tegen het gezicht, althans het hoofd van die [slachtoffer 6] te gooien;

4hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Blaricum op/aan de [straat] en/of de [straat] , op of omstreeks 28 september 2025 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een of meer anderen (te weten [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] ) letsel en/of schade was toegebracht;

5hij op of omstreeks 28 september 2025 te Blaricum, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzettegen een of meer ambtenaren, [politieagent 1] (aspirant bij de Eenheid Midden-Nederland) en/of [politieagent 2] (hoofdagent bij de Eenheid Midden-Nederland) en/of [politieagent 3] (agent bij de Eenheid Midden-Nederland),werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter aanhouding van verdachte door met kracht- in tegengestelde richting te lopen en/of bewegen en/of- met zijn bovenlichaam voornoemde ambtenaren weg te duwen en/of- trappende bewegingen te maken tegen voornoemde ambtenaren en/of het dienstvoertuig;

in de zaak met parketnummer 16-258657-25

1hij op of omstreeks 1 oktober 2025 te Eemnes een of meer pak(ken) sigaretten (merk Marlboro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] B.V., in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 7] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij devlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte- opzettelijk dreigend een schroevendraaier, althans een scherp voorwerp, heeft getoond en/of voorgehouden aan voornoemde [slachtoffer 7] en/of - met voornoemde schroevendraaier een of meerdere zwaaiende en/of stekende bewegingen in de richting van het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 7] heeft gemaakt.

2hij op of omstreeks 1 oktober 2025 te Blaricum een fatbike, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3hij op of omstreeks 1 oktober 2025 te Eemnes [benadeelde 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (op korte afstand) een schroevendraaier, althans een scherp voorwerp, tetonen en/of voor te houden en/of met voornoemde schroevendraaier een of meerdere zwaaiende en/of stekende bewegingen te maken naar, althans in de richting van die [benadeelde 4] .

Bijlage II: Bewijsmiddelen

Ieder bewijsmiddel is – ook in onderdelen – slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

in de zaak met parketnummer 16-132889-25 1

In een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] staat onder meer vermeld:

“Ik was met vier vrienden op 30 januari 2025 op de Caleskamp/Bergweg in Blaricum. Ik zag dat er een auto stil ging staan, een grijze Honda Jazz voorzien van kenteken [kenteken] . Ik zag dat hij uit zijn auto stapte en zei “stop looking at me”. Ik zag dat de rechterhand van de man een gebalde vuist had en deze hand kwam met kracht tegen mijn borstkast aan. Ik voelde hierna een bonkende pijn op de rechterkant van mijn borstkast, ik raakte uit balans en viel achterover. 2 “

In een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] staat onder meer vermeld:

“Een grijze Honda Jazz met kenteken [kenteken] stopte bij ons, een man stapte uit. 3 Vervolgens gaf de man [slachtoffer 1] een duw/stoot waardoor [slachtoffer 1] naar achter viel. 4 ”

In een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] staat onder meer vermeld:

“Toen we stonden te wachten stopte er opeens een grijze Honda met kenteken [kenteken] . Er stapte een man uit. De man liep richting [slachtoffer 1] en gaf een stomp/duw met gebalde vuist tegen de borstkas van [slachtoffer 1] die hierdoor viel. 5 ”

Verdachte heeft in het politieverhoor van 25 maart 2025 onder meer het volgende verklaard:

V: En wat voor voertuig heeft u?A: Honda Jazz.V: En welke kleur is de autoA: Grijs.V: Wat is het kenteken van u autoA: dit is [kenteken] . 6

Uit een proces-verbaal blijkt onder meer het volgende:

Ik zag in de politiesystemen dat de tenaamgestelde van het voertuig met kenteken [kenteken] ,

[verdachte] is. [verdachte] is geboren op [1988] in Turkije. Dit betekent dat [verdachte] 36 jaar oud is. Ik zag dat [verdachte] ingeschreven staat op de [adres] in [woonplaats] . Dit adres komt dus overeen met de eerder genoemde plaats waar het voertuig later werd gesignaleerd.

Ik zag in het RDW register een foto van [verdachte] . Naar aanleiding van deze foto in het RDW register en naar aanleiding van het signalement wat ik heb gekregen van de getuigen, zag ik dat de licht getinte huidskleur en het zwarte, korte haar overeen komen met elkaar. De leeftijd komt ook overeen met het eerder genoemde signalement.7

in de zaak met parketnummer 16-223643-25 8

In een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] staat onder meer vermeld:

“Op 14 augustus 2025, omstreeks 01:35 uur bevond ik mij op de [straat]

te Blaricum. Ik was hier samen met 2 vrienden: [slachtoffer 3] en [getuige 5] . Wij werken allemaal bij de [winkel 1] te Blaricum. We verlieten [winkel 1] en gingen nog een drankje doen in de kroeg. 9

Rond 01:00 uur ging de kroeg sluiten, dus vertrokken wij. Ik zag dat de man op ons kwam aflopen en hoorde dat hij meerdere keren in het Engels zei: 'waarom lachen jullie?' Ik zag dat de man recht op mij af kwam. Zonder wat te zeggen gaf hij mij een kopstoot in mijn gezicht. Ik voelde dat zijn hoofd op mijn neus en bovenlip terecht kwam. Ik voelde direct pijn aan mijn neus en mijn voortanden. Ik voelde direct dat mijn neus begon te bloeden. Na de kopstoot heeft de man mij ook op mijn gezicht geslagen. Ik voelde dat ik op mijn rechterwang werd geraakt door de klap. Ik voelde een brandende, prikkende pijn. Hierop sprongen [slachtoffer 3] en [getuige 5] tussen mij en de man, ik zag dat zij de man probeerde weg te duwen. Hierop sloeg de man [slachtoffer 3] op zijn gezicht. 10 ”

In een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] staat onder meer vermeld:

“Wij zagen de meneer aan komen lopen. Ik zag dat hij op ons af liep en direct richting [slachtoffer 2] liep. Ik hoorde de meneer zeggen "why are you laughing?" Ik zag dat hij [slachtoffer 2] vervolgens een kopstoot gaf recht in zijn gezicht. Ik zag dat de meneer de confrontatie op bleef zoeken.

Ik kwam tussen de meneer en [slachtoffer 2] in en ontving een klap. 11 ”

In een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5] staat onder meer vermeld:

“Toen kwam de man aanfietsen, legde zijn fiets op de grond en kwam op ons aflopen. Hij begon te roepen, in gebrekkig Engels, 'why are you smiling', riep meerdere dingen en liep op [slachtoffer 2] af. Hij herhaalde vaak 'why are you smiling'. De man gaf direct [slachtoffer 2] een kopstoot en een klap na. Ik zag dat de kopstoot van de man op [slachtoffer 2] zijn neus terecht kwam en de klap op de linker zijkant van zijn hoofd. [slachtoffer 3] kwam ertussen en kreeg vervolgens een klap op zijn linkeroog. Ik zag dat hij dit deed met de vuist van zijn rechterhand. Ik zag dat [slachtoffer 3] begon te bloeden bij zijn linkeroog 12 ”

Uit een proces-verbaal blijkt onder meer het volgende:

Op 14 augustus 2025 belde iemand de politie omdat de verdachte

van de mishandeling weer in de [winkel 1] werd gezien waar beide slachtoffers

werken. Ik zag hier dat de melder getuige [getuige 5] betrof.13

Ter plaatse

Op 14 augustus 2025, omstreeks 19:10 uur, kwamen wij ter plaatse bij de

[winkel 1] in Blaricum. Wij zijn de [winkel 1] ingelopen. Wij zagen een

medewerker van de [winkel 1] een man aanwijzen die de verdachte was.

Ik, verbalisant [verbalisant 1] , heb de identiteit van de verdachte vastgesteld.

De verdachte bleek te zijn:

[verdachte] geboren op [1988] te [geboorteplaats] (TURKIJE) 14

Wij zijn hierna, in de [winkel 1] , in gesprek gegaan met [slachtoffer 3] en [getuige 5] . Wij

hoorden [slachtoffer 3] en [getuige 5] afzonderlijk zeggen dat zij [verdachte] 100% herkenden als de verdachte van de mishandeling. 15

in de zaak met parketnummer 16-256593-25 16

In een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] staat onder meer vermeld:

“Op 12 september 2025 was ik bij een vriend op de [adres] te [woonplaats] . Ik had mijn auto, een Audi Q5, langs de weg voor de woning staan. Wij hadden zicht op mijn auto vanuit de woonkamer. Ik hoorde een vriend van mij, [getuige 6] , zeggen dat hij mijn auto zag bewegen. Ik ging gelijk naar buiten en zag een grijze Honda Jazz vanaf mijn auto wegrijden. Ik zag dat mijn auto een deuk in de voorbumper had, die er nog niet zat toen ik mijn auto geparkeerd had. Ik ben achter de Honda aan gereden. Ik zag dat de auto werd stilgezet op de [straat] en dat het kenteken van de Honda [kenteken] betrof. Ik heb de bestuurder aangesproken. 17 Ik zei dat wij de schade netjes moesten regelen. Ik zag dat hij boos werd en ik hoorde hem "Fuck off" zeggen. Dit herhaalde hij meerdere keren. Ik zag dat hij heel dichtbij mij kwam staan, ik schat op afstand van minder dan 1 meter. Ik zag dat [slachtoffer 5] , een vriend van mij, tussen mij en de man in kwam staan. Ik had het vermoeden dat de man onder invloed was van een of andere stof, want hij reageerde heel vreemd. Ik zag dat hij een snelle beweging met zijn hoofd maakte en ik voelde dat hij zijn voorhoofd opzettelijk en met kracht op mijn neus sloeg. Ik voelde een scherpe pijnscheut aan mijn neus en ik voelde dat het bloed uit mijn neus kwam. Ik zag dat de man vervolgens richting [slachtoffer 5] ging en diverse slaande en schoppende bewegingen richting [slachtoffer 5] maken en dat hij [slachtoffer 5] raakte, zowel met slaan als schoppen. Ik zag dat hij naar zijn auto liep en instapte. Ik zag dat de achteruitrijverlichting aanging en dat hij achteruit tegen de achterkant van mijn auto aan reed en weg reed. Ik zag dat er nu ook schade op achterbumper van mijn auto zat. De bumper zit nu vol met krassen en is ingedeukt. 18 ”

In een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] staat onder meer vermeld:

“Ik zag dat [slachtoffer 4] naar de man toeliep om hem over de aanrijding aan te spreken. Toen [slachtoffer 4] hem aansprak zag ik dat de man neus aan neus ging staan met [slachtoffer 4] en dat de man een kopstoot gaf tegen de neus van [slachtoffer 4] . Ik zag dat [slachtoffer 4] zijn hoofd naar achter ging en dat [slachtoffer 4] zijn beiden handen naar zijn neus bracht. Ik voelde dat de man mij schopte tegen mijn linkerbeen en dat hij naar mijn hoofd uithaalde met gebalde vuist. Hij heeft mij een keer geraakt op mijn linkerwang. 19 Daarna zag ik dat hij wegreed 20 ”

In een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 6] staat onder meer vermeld:

“Ik herken die man. Hij woont op de [adres] te [woonplaats] . Ik weet dat die auto van hem is en hij rijdt ermee. 21

Uit een proces-verbaal blijkt onder meer het volgende:

Bij navraag van het kenteken [kenteken] bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer bleek dat

dit kenteken was afgegeven voor eenHONDA JAZZ; 1.4I in de kleur GRIJS.22

De kentekenhouder betrof de volgende natuurlijk persoon: [verdachte]

Bij onderzoek in het BRP naar het adres: [adres] te [woonplaats] zag ik de volgende

persoon daar ingeschreven stond: [verdachte]

SIGNALEMENT

Ik, verbalisant, bekeek de SKDB/politie-foto van [verdachte] , geboren op [1988] en woonachtig op de [adres] [woonplaats] . Dit betreft een vrij recente

foto, gemaakt op 14 augustus 2025. Op deze foto zag ik dat [verdachte] zwart sluik haar had, zwarte wenkbrauwen en korte baardgroei. Ik zag dat [verdachte] donkere ogen had en een licht-getinte huidskleur.

Wat betreft de gelaatseigenschappen zag ik dat [verdachte] overeenkwam met het

signalement zoals omschreven.23

In een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6] staat onder meer vermeld:

“Op 28 september 2025 zat ik samen met mijn vrienden buiten op het terras een wijntje te drinken te Blaricum. Opeens voelde ik een harde klap op de linkerkant van mijn hoofd. Ik had niemand aan zien komen. Ik was even weg. Toen ik weer bij kwam, voelde ik mij duizelig. Ik zag dat ik bloed op mijn hoofd had. 24 Ik ben enorm geschrokken. Het gebeurde allemaal heel snel. Ik vind het heel erg dat dit gebeurd is en voel mij nog steeds een beetje duizelig. 25 "

In een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] staat onder meer vermeld:

"Ik zat samen met mijn vrienden buiten op het terras. Ik zag een onbekende man voor mij het terras op lopen. Ik zag dat hij in onze richting liep, alsof hij één van ons kende. Ik zag dat de man een wijnglas in zijn hand had, dat hij met dit wijnglas boven en achter zijn hoofd ging en uithaalde. Ik zag dat hij het glas op de linkerzijkant van het hoofd mijn vriend [slachtoffer 6] kapot gooide. Ik zag het glas kapot spatten. Ik zag direct daarna bloed op het hoofd van [slachtoffer 6] mijn vriend. 26 ”

In een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] staat onder meer vermeld:

“Ik zat op het terras met vrienden toen ik zag ik dat een man met een glas het terras op kwam gelopen. Ik zag dat de man een glas kapot sloeg op het hoofd van onze vriend. Ik hoorde dat de man vervolgens riep: "Dit is mijn straat! 27 "

In een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 7] staat onder meer vermeld:

"Op 28 september 2025 omstreeks 15:30 uur hoorde ik een harde knal. Ik zag dat er een auto stil stond, dat de auto draaiende banden had en zichzelf aan het ingraven was. Ik zag dat het voertuig een lekke band had en dat de auto niet wegkwam van zijn plek. Ik zag dat een man uit de auto stapte, dat hij met zijn rechtervoet een trap tegen de bestuurdersdeur gaf en "VICA" riep. Ik hoorde dat hij nog wat riep in een voor mij onbekende taal. Ik zag dat het voertuig voorzien was van kenteken [kenteken] . Ik zag dat het voertuig meerdere krassen en deuken had. Ik kan het voertuig als volgt omschrijven: Honda Jazz. 28 ”

In een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 8] staat onder meer vermeld:

"Ik zag dat er een grijze auto aangereden kwam die veel te hard reed. Ik

hoorde geklapper en zag dat de auto een klapband had, maar door bleef rijden.

Ik zag vervolgens dat de grijze auto hard tegen een Mini aan reed. Ik zag dat de auto vervolgens achteruit reed en tegen een Jaguar aan reed. Ik zag dat de auto vervolgens weer achteruit reed en hard optrok om tegen de laatste auto aan te komen. Ik zag dat de auto stopte. Ik zag dat de man uitstapte, een voorwerp van zijn auto pakte en dat gooide naar een omstander. Ik kreeg het vermoeden dat het bewust was, omdat hij echt naar achter reed.

Het signalement van de man is: buitenlandse man. 29 ”

In een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 3] staat onder meer vermeld:

“ Plaats delict: [adres] , [woonplaats] .

Op 27 september 2025 parkeerde ik mijn voertuig naast mijn woning. Ik zag dat er toen nog geen schade op het voertuig zat.

Op 28 september 2025 omstreeks 16:20 uur zat ik buiten en hoorde ik een knal vanaf de straat. Ik vermoedde dat er een aanrijding had plaatsgevonden. Ik liep naar de straat en zag dat er een voertuig aan kwam rijden en dat het voertuig richting mijn eigen auto reed. Ik zag dat de snelheid van het voertuig verhoogde. Ik zag dat de bestuurder bewust naar links sturen. Ik hoorde dat hij aan het schreeuwen was in een voor mij niet herkenbare taal. Ik zag dat hij mijn voertuig bij het achterportier aan de linkerzijde raakte en hierna verder de straat inreed. Ik zag dat de man stopte. Ik riep: "Wat doe je?". Ik zag dat de man uitstapte en op mij afliep. Ik liep weg om het conflict te vermijden. Ik keek achterom en ik zag dat hij wegreed. Ik kan het voertuig van de man als volgt omschrijven: zilverkleurig, Honda. 30 ”

In een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] staat onder meer vermeld:

“Op 28 september 2025 zag ik omstreeks 16:15 uur dat mijn buurman, [benadeelde 3] , midden op straat stond. Ik liep naar hem toe. We constateerden dat er drie auto's waren aangereden, waaronder die van mij en de Volvo van [benadeelde 3] . Ook zagen wij dat er een Mini Cooper was aangereden.

Ik had mijn auto, een Jaguar, onbeschadigd op de parkeerplaats staan. Ik zag dat er verse schade aan de totale linkerkant aanwezig was, echt zware aanrijdschade. Ik zag dat de

onderdorpel ook behoorlijk van de auto af gescheurd was. Ik zag dat de linker voordeur, linker achterdeur en linker achterscherm zwaar beschadigd waren. Ik zag dat de linker spiegel beschadigd was, met meerdere krassen op de kap. De auto was zelfs een stukje verschoven door de klap. 31 ”

In een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 2] staat onder meer vermeld:

“Op 27 september 2025 parkeerde ik mijn voertuig, een Mini Cooper Countryman, op de [adres] te [woonplaats] . Ik heb mijn voertuig schadeloos achtergelaten.

Op 28 september 2025 liep ik naar mijn auto en zag dat mijn auto scheef stond. Ik zag dat de linker spiegel ingeklapt was en beschadigd. Ik zag een behoorlijke deuk op de bestuurdersportier en op het passagiersportier. De schram is vanaf het begin van de auto tot aan de achterwiel. 32 ”

In een proces-verbaal staat onder meer het volgende vermeld:

Voordat [verdachte] naar binnen ging controleerden wij zijn broekzakken. In zijn rechter broekzak vond ik een autosleutel. Ik vermoedde dat dit de sleutel was van de Honda Jazz. Op een later moment toen wij in Blaricum bij de Honda Jazz kwamen met kenteken [kenteken] deed ik de sleutel in het contact. Ik kon de sleutel omdraaien. Ik zag de

waarschuwingslampjes oplichten. Hiermee werd mijn vermoeden bevestigd.33

Uit enkele processen-verbaal blijkt onder meer het volgende:

“Op 28 september 2025 omstreeks 16:30 uur bevonden wij, verbalisant [politieagent 2]

en collega [collega 1] , beiden in politie-uniform gekleed en met

incidentenafhandeling belast, ons, aan de openbare weg in de gemeente Blaricum. 34

Een collega zei dat [verdachte] zo snel mogelijk de politieauto in moest. Ik pakte [verdachte] bij zijn rechterarm en collega [collega 2] bij zijn linkerarm. Ik zag dat [verdachte] opstond. Ondertussen zag ik collega [politieagent 1] en [politieagent 3] bij ons stonden om hem naar de auto te brengen. Toen wij naar de auto liepen voelde ik dat hij met veel kracht tegenwerkte. Wij wilden hem richting de auto hebben, maar dat lukte niet. Ik hoorde collega [collega 2] zeggen dat hij mee moet werken. Dit deed hij niet en ik voelde dat hij meer kracht gebruikte om de andere kant op te gaan dan wij wilde. Zijn verzet werd zo heftig dat we hem lastig in bedwang konden houden. We duwden hem vervolgens in de politieauto. Dit ging met veel verzet. Ik zag dat hij met zijn rug op de achterbank lag en trappende beweging maakte in onze richting. Wij slaagden erin op het portier dicht te doen. Terwijl ik dat deed voelde en zag ik dat hij meerdere malen tegen het portier trapte. 35 ”

“Op 28 september 2025 was ik, verbalisant [politieagent 1] , belast met de

incidentenafhandeling voor het Basisteam Gooi- en Vechtstreek Noord. Ik was in als

zodanig herkenbaar politie-uniform gekleed.

Ik hoorde van mijn collega dat wij de verdachte in het politievoertuig moesten plaatsen.

Ik zag dat mijn collega's de verdachte optilden om hem op zijn benen te krijgen. Ik

zag dat de verdachte op zijn benen stond. Ik zag dat de verdachte in verzet ging. Ik

zag dat de verdachte met zijn benen tegen de collega's trapte. Ik zag dat de

verdachte met zijn bovenlichaam de collega's weg duwde. Samen met de collega's duwden wij de verdachte het politievoertuig in. Ik zag dat de verdachte bleef trappen met zijn benen tegen ons en tegen het portier van het politievoertuig. Ik probeerde plaats te nemen naast de

verdachte. Ik zag dat de verdachte een trap tegen mijn linkerknie gaf. Ik nam gelijk

afstand en duwde het portier gelijk dicht. 36 ”

Ik zag dat de verdachte wederom in verzet ging. Ik zag dat hij zich probeerde los te trekken en ik zag dat hij trapte.37

in de zaak met parketnummer 16-258657-25 38

In een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 7] staat onder meer vermeld:

"Ik ben voor [bedrijf 1] B.V. werkzaam bij het tankstation in Eemnes. Op 1 oktober 2025, omstreeks 13:40 uur, stond ik achter de kassa aan de balie. De man vroeg of hij twee pakjes Malboro rood mocht. Ik pakte de pakjes sigaretten en legde de pakjes op de balie. Ik hoorde de man zei: "Ik moet even geld pakken buiten."39 Ik zag dat de man de pakjes beetpakte en weg liep richting de uitgang van de winkel. Toen de man buiten de winkel was zag ik dat de man wegrende. Ik zag dat de man een schroevendraaier uit zijn broeksband pakte, een stap in mijn richting zette en de schroevendraaier boven zijn hoofd uit stak en een stekende beweging maakte naar mijn hoofd. Ik had sterk de indruk dat hij mij wilde neersteken met de schroevendraaier. Ik zag dat hij direct daarna wegrende.40”

Uit een proces-verbaal blijkt dat op de camerabeelden van het tankstation onder meer het volgende:

- Op 1 oktober 2025 om 13.43 uur staat een man met een blauwe blouse en een beige

rugzak voor de winkel van [winkel 2] in Eemnes.

- De man met de blauwe blouse besteld in winkel twee pakjes sigaretten en neemt deze

mee zonder daarvoor betaald te hebben

- de man rent de winkel uit en twee klanten en een winkelmedewerker rennen achter de

man aan.41

Uit een proces-verbaal van de politie blijkt onder meer het volgende:

“Wij hielden de verdachte aan, terwijl hij op een bankje zat ter hoogte van de

Capittenweg, waar deze weg kruist met de Tweede Molenweg. Ik zag dat de verdachte een

sigaret aan het roken was en dat hij in zijn rechterhand een schroevendraaier

vasthield. Ik zag dat het een kruiskop schroevendraaier betrof, waarvan het ijzeren

gedeelte ongeveer 10 centimeter lang was. Ik zag dat het handvat grijs gekleurd was

met oranje accenten.

Verdachte: [verdachte]

Geboren: [1988]

Geboorteplaats: [geboorteplaats] in Turkije 42 ”

In een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 4] staat onder meer het volgende vermeld:

“Op 1 oktober 2025, omstreeks 13:15 uur, bevond ik mij te Blaricum. Ik parkeerde mijn fatbike bij het bankje. Ik was aan het bellen. Ik hoorde ineens achter mij dat de standaard van mijn fatbike werd ingeklapt. Ik keek om en zag een man ineens met mijn fatbike weg fietsen. Ik heb niemand het recht of de toestemming gegeven tot het wegnemen van dit goed. 43 ”

De verdachte heeft op 3 oktober 2025 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij de fatbike van aangeefster heeft meegenomen.44

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »