RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/776617 / HA ZA 25-1555
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
BRIDGEFUND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
advocaat: mr. H.H.M. Meijroos,
tegen
1 [gedaagde 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
niet verschenen,2. J.C. [gedaagde 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
niet verschenen,3. [gedaagde 3] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 3] ,
niet verschenen,4. [gedaagde 4],
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. A.J. de Hamer,
gedaagde partijen,
Partijen zullen hierna BridgeFund, [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] worden genoemd. Gedaagden zullen gezamenlijk als [gedaagden] worden aangeduid.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties, van 24 september 2025;- de conclusie van antwoord van 28 januari 2026;
- het vonnis van 25 februari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;- het e-mailbericht van 3 april 2026 waarin [gedaagde 4] kenbaar maakt de in zijn conclusie van antwoord ingenomen verweren niet te handhaven, zodat de mondelinge behandeling van 7 april 2026 geen doorgang hoefde te vinden, en waarin BridgeFund en [gedaagde 4] verzoeken om vonnis te wijzen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[gedaagde 1] , [gedaagde 3] en [gedaagde 2] zijn op 7 mei 2024 een ‘Overeenkomst Overbruggingsfinanciering’ (verder: de lening) aangegaan met BridgeFund. Daarin is overeengekomen dat een bedrag van € 50.000,00 wordt geleend. Dit bedrag, vermeerderd met een vaste rente van totaal € 6.000,00 en een premie opslag van € 12.000,00, zou in termijnen worden terugbetaald. Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van BridgeFund van toepassing.
In de toepasselijke algemene voorwaarden staat, voor zover relevant, het volgende:9. Buitengerechtelijke kosten en boeterente
Indien de Leningnemer een verplichting uit de Overeenkomst niet, niet op tijd of niet behoorlijk nakomt, dan zal het op de eerste dag van het verzuim resterende saldo van de Lening worden verhoogd met een percentage van 15% ter vergoeding van buitengerechtelijke kosten, met een minimum van EUR 250.
Over het bedrag van de Lening ten aanzien waarvan de Leningnemer in verzuim is, is de Leningnemer een boeterente verschuldigd van 2% per maand, naast de overeengekomen rente/premie/opnamevergoeding.
[gedaagde 4] heeft een borgstelling getekend, waarmee hij heeft verklaard zich borg te stellen voor de huidige en toekomstige verplichtingen van [gedaagde 1] , [gedaagde 3] en [gedaagde 2] uit hoofde van de lening.
In de termijnbetalingen is een achterstand ontstaan. Deze bedraagt € 43.154,06. BridgeFund heeft [gedaagden] meermaals gesommeerd om tot betaling over te gaan.
3 Het geschil
BridgeFund vordert - samengevat - primair om [gedaagden], ieder voor het geheel, te veroordelen tot betaling van € 43.154,06 aan hoofdsom, € 7.832,46 inclusief btw aan contractuele buitengerechtelijke incassokosten en de contractuele rente tot en met 16 september 2025 ad € 1.744,29. Verder vordert BridgeFund om [gedaagden], ieder voor het geheel, te veroordelen tot betaling van de contractuele rente van 2% per maand over de hoofdsom vanaf 17 september 2025, de wettelijke rente over de incassokosten vanaf datum dagvaarding, en tot betaling van de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
BridgeFund legt aan deze vorderingen ten grondslag dat [gedaagde 1] , [gedaagde 3] en [gedaagde 2] gehouden zijn tot betaling van de achterstand, vermeerderd met rente en kosten. Zij zijn hun verplichtingen uit hoofde van de lening niet nagekomen, waardoor deze in zijn geheel terstond opeisbaar is geworden. [gedaagde 4] is als borg eveneens gehouden om tot betaling over te gaan. [gedaagden] zijn ook de contractuele buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd, zijnde 15% van de hoofdsom. Deze zijn overeengekomen en de werkelijke kosten die BridgeFund maakt aan incassokosten zijn ook hoger dan het in het Besluit Vergoeding Buitengerechtelijke Incassokosten bepaalde tarief. Ook zijn [gedaagden] de contractuele rente van 2% per maand verschuldigd.
[gedaagde 1] , [gedaagde 3] en [gedaagde 2] zijn niet in de procedure verschenen en hebben derhalve geen verweer gevoerd tegen voornoemde vorderingen. [gedaagde 4] heeft aanvankelijk wel verweer gevoerd tegen de vorderingen, maar heeft bij e-mail van 3 april 2026 kenbaar gemaakt zijn verweren niet te handhaven.
4 De beoordeling
[gedaagde 1] , [gedaagde 3] en [gedaagde 2] zijn niet in de procedure verschenen. Tegen hen is verstek verleend. Nu [gedaagde 4] wel in de procedure is verschenen, wordt op grond van artikel 140 lid 3 Rv één vonnis gewezen dat voor alle partijen als vonnis op tegenspraak geldt.
De stellingen van BridgeFund kunnen het gevorderde dragen en zijn, nu [gedaagde 4] heeft aangegeven zijn verweren niet te handhaven, door [gedaagde 4] niet weersproken. Voor wat betreft [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] geldt voorts dat het gevorderde niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Het gevorderde zal daarom worden toegewezen, behoudens het navolgende.
BridgeFund vordert onder meer vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Zij vordert deze kosten op grond van een contractuele bepaling, die haar in geval van verzuim recht geeft op 15% van de openstaande hoofdsom van de lening. BridgeFund heeft daarnaast verhoging van de vergoeding gevorderd met het tarief van de omzetbelasting, omdat zij deze omzetbelasting zelf niet kan verrekenen. Die verhoging zal de rechtbank afwijzen. De vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is een schadevergoeding en is daarom niet belast met omzetbelasting. De algemene voorwaarden geven evenmin een basis voor verhoging van de daar genoemde tarieven met omzetbelasting.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van BridgeFund worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
156,85 |
|
|
- griffierecht |
€ |
2.995,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.290,00 |
(1 punt × € 1.290,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
4.630,85 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De rechtbank
veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 3] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] hoofdelijk om aan BridgeFund te betalen een bedrag van € 43.154,06, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 2% per maand over het toegewezen bedrag, met ingang van 17 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 3] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] hoofdelijk om aan BridgeFund te betalen een bedrag van € 6.473,11 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 24 september 2025;
veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 3] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] hoofdelijk om aan BridgeFund te betalen een bedrag van € 1.744,29 aan contractuele rente,
veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 3] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] hoofdelijk in de proceskosten van € 4.630,85, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] , [gedaagde 3] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 3] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Higler-Huisman en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.