RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/779756 / HA ZA 25-1779
Vonnis van 30 september 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser] B.V. en de in bijlage 1 onder 4 tot en met 309 genoemde overige eisende partijen,
eisende partijen,
hierna te noemen: eisers,
advocaat: mr. J.A. Bussink,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
te [woonplaats 1],
advocaat: mr. J. Brakke,2. [gedaagde 2] ,
te [woonplaats 2],
niet verschenen,
gedaagde partijen,
hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2].
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 november 2025 met producties 1 t/m 13,
- de conclusie van antwoord met producties 1 en 2,
- het tussenvonnis van 24 juni 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte eiswijziging aan de zijde van eisers,
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 15 juli 2026 en de daarin genoemde stukken.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
2 De feiten
Bij vonnis van 11 november 2009 is [gedaagde 1] – samengevat – uitvoerbaar bij voorraad hoofdelijk veroordeeld om aan eisers te voldoen een totaalbedrag van € 22.011.521,50, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 juli 2008.1
Op 18 maart 2008 hebben eisers conservatoir beslag gelegd op het aan [gedaagde 1] toebehorende (onverdeeld) aandeel in de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning).
[gedaagde 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 11 november 2009. Op gezamenlijk verzoek hebben eisers en [gedaagde 1] de zaak vervolgens op de parkeerrol laten plaatsen. Het gerechtshof heeft de zaak op 18 augustus 2015 doorgehaald.
Bij e-mail van 10 juli 2013 schrijft de advocaat van [gedaagde 1] aan de advocaat van eisers:
“(…) Ondanks het vorenstaande is mijn cliënt bereid akkoord te gaan met een verwijzing naar de volgende parkeerrol (…), dit onder de uitdrukkelijke voorwaarden dat:
- uw cliënten in die periode ook niet zullen overgaan tot het nemen van executiemaatregelen van het vonnis in eerste aanleg; (…)”
Bij e-mail van 23 juli 2013 schrijft de advocaat van eisers aan de advocaat van [gedaagde 1]:
“(…) Uiteraard zullen er voorlopig, zoals als voorwaarde is gesteld, geen executiemaatregelen worden genomen. (…)”
Bij e-mail van 26 mei 2014 schrijft de advocaat van eisers aan de advocaat van [gedaagde 1]:
“(…) Gelet op het bovenstaande verzoek ik u vriendelijk in te stemmen met het verwijzen van de hoger beroep procedure naar de volgende parkeerrol. (…) Uiteraard zullen er voorlopig, gedurende die periode, geen executiemaatregelen worden genomen. (…)”
Bij e-mail van 28 mei 2014 schrijft de advocaat van [gedaagde 1] aan de advocaat van eisers:
“(…) Mijn cliënt is bereid akkoord te gaan met een verwijzing naar de volgende parkeerrol (over 53 weken) (…), onder de uitdrukkelijke voorwaarden dat:
- uw cliënten in die periode niet zullen overgaan tot het nemen van executiemaatregelen van het vonnis in eerste aanleg; (…)”
In 2018 is [gedaagde 1] vrijgesproken in de strafprocedure die betrekking had op zijn werkzaamheden ten behoeve van [bedrijf] B.V.
3 Het geschil
Eisers vorderen – samengevat en na wijziging van eis – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. vaststelling van de verdeling van de woning via verdeling van de netto-opbrengst nadat de woning via een makelaar is verkocht, dan wel de verdeling op een andere wijze vast te stellen,
II. eisers te machtigen om opdracht tot verkoop te verstrekken aan een door haar in te schakelen makelaar en om alles te doen wat nuttig is voor de verkoop,
III. [gedaagde 1] te veroordelen om, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of per keer dat [gedaagde 1] in gebreke blijft, tot een maximum van € 100.000,00, volledige medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning, welke in ieder geval omvat:
a. het verlenen van medewerking aan toegang van de makelaar tot de woning voor het maken van foto’s, het uitvoeren van een taxatie, en al het overige dat de makelaar noodzakelijk acht;
b. het toelaten van potentiële kopers in de woning voor bezichtigingen op de tijdstippen door de makelaar te bepalen, en dit op zodanige wijze te faciliteren dat de woning zich tijdens bezichtigingen in een schone, opgeruimde en representatieve staat bevindt en dat [gedaagde 1] tijdens deze bezichtigingen zelf elders verblijft;
c. het dulden en ongewijzigd in stand laten van verkoopborden, biljetten en andere verkoopaanduidingen die op of aan de woning worden aangebracht door of in opdracht van de makelaar;
d. het opvolgen van de adviezen en aanwijzingen van de door eisers in te schakelen makelaar ten behoeve van de verkoop;
IV. [gedaagde 1] te veroordelen om de woning, uiterlijk één dag voor de datum waarop de woning notarieel wordt geleverd aan een koper, te verlaten, te ontruimen en met afgifte van de sleutels aan eisers, althans aan de makelaar, althans aan de notaris, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00,
V. te bepalen dat het in deze zaak te wijzen vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte en door gedaagden ondertekende akte en in de plaats zal treden van die akte of van een door hen te plaatsen handtekening,
VI. [gedaagde 1] te veroordelen in de proceskosten,
VII. te bepalen dat zowel de proceskosten als de kosten van de verkoop en levering van de woning eerst in mindering komen op de opbrengst van de woning voordat de netto-opbrengst zal worden verdeeld.
Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat [gedaagde 1] bij vonnis van 11 november 2009 is veroordeeld tot betaling van een geldbedrag. Daarmee hebben eisers een opeisbare vordering op [gedaagde 1]. Ter voldoening daarvan willen zij op grond van artikel 3:180 van het Burgerlijk Wetboek (BW) verhaal nemen op het aandeel van [gedaagde 1] in de onverdeelde eigendom van de woning. Om zich hierop te kunnen verhalen moet de woning worden verkocht, zodat het aandeel van [gedaagde 1] kan worden uitgewonnen. Uitwinning van een onverdeeld aandeel is immers in de praktijk onwenselijk. De netto-opbrengst van de woning zal tussen beide deelgenoten (en de beslagleggers) moeten worden verdeeld. Daarbij is van belang dat de woning het enige bekende vermogensbestanddeel is van [gedaagde 1]. [gedaagde 2] is de ex-echtgenote van [gedaagde 1] en deelgenoot van de woning. Zij heeft de woning acht jaar geleden verlaten en heeft geen bezwaar tegen de verkoop of verdeling van de woning, aldus steeds eisers.
[gedaagde 1] voert aan dat partijen hebben afgesproken om af te zien van executiemaatregelen, zolang geen uitspraak is gedaan in de procedure in hoger beroep van het vonnis van 11 november 2009. De bedoeling was dat eisers afstand zouden doen van het vonnis van 11 november 2009 in afwachting van de lopende strafprocedure tegen [gedaagde 1]. Na de uitkomst van de strafzaak is de kwestie als een spreekwoordelijke “nachtkaars” uitgegaan, omdat duidelijk was dat [gedaagde 1] niet betrokken was bij de fraude. Ook hebben eisers nadien uitdrukkelijk afgezien van het nemen van executiemaatregelen en evenmin de procedure in hoger beroep voortgezet. Verder staan andere beslagen executie in de weg, wegen de belangen van [gedaagde 1] om niet mee te werken aan de verkoop van de woning zwaarder dan de belangen van eisers, is sprake van misbruik van recht en is de vordering onvoldoende bepaald. Subsidiair dient de verdeling te worden uitgesteld in afwachting van de uitkomst van het alsdan voortzetten van de procedure in hoger beroep, aldus steeds [gedaagde 1]. [gedaagde 1] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van eisers, dan wel tot afwijzing van eisers, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van eisers in de kosten van deze procedure.
[gedaagde 2] is niet in deze procedure verschenen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Vertegenwoordiging eisers
[gedaagde 1] heeft vraagtekens geplaatst bij de vertegenwoordigingsbevoegdheid van mr. Bussink ten aanzien van eisers. Uitgangspunt is dat de advocaat op dit punt op zijn woord wordt geloofd. Mr. Bussink heeft gesteld bevoegd te zijn om de eisers in deze procedure te vertegenwoordigen. Nu het gaat om de mededeling van een advocaat van een procespartij geldt de regel dat hij op zijn woord kan worden geloofd. Dit volgt uit artikel 80 lid 3 van het Wetboek van Rechtsvordering (hierna: Rv) en 3:71 lid 2 BW waarbij de volmacht van de advocaat voortvloeit uit zijn aanstelling als zodanig en het de rechter niet is toegestaan een bewijs van volmacht te verlangen (vgl. Hoge Raad 30 augustus 2019, ECLI:NL:HR:2019:1293). Het betoog van [gedaagde 1] dat in dit geval sprake is van een zeer groot aantal eisers, kennelijk niet alle beslagleggers (meer) meedoen en de voorzitter c.q. woordvoerder van de Stichting Gedupeerden [bedrijf] (waarin de eisers ook (deels) verenigd zijn) heeft aangegeven dat er geen overleg met eisers heeft plaatsgevonden, vergt een beoordeling ten gronde die zich niet verhoudt met de genoemde, heldere regel die er voor is bedoeld om gerechtelijke procedures effectief te laten verlopen. [gedaagde 1] heeft daarnaast andere (zelfstandige) wegen om de positie van mr. Bussink als advocaat van eisers te laten toetsen.
De vordering ten aanzien van [gedaagde 2]
[gedaagde 2] is mede-eigenaar van de woning en deelgenoot in de gemeenschap. Tegen [gedaagde 2] is verstek verleend. Uitgangspunt bij verstek is dat de vordering wordt toegewezen, tenzij deze de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt (artikel 139 Rv). De vordering tot vaststelling van de verdeling komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom op de in het dictum geformuleerde wijze worden toegewezen.
Proceskostenveroordeling ten aanzien van [gedaagde 2]
[gedaagde 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Aangezien er meerdere gedaagden zijn en eisers ten aanzien van [gedaagde 2] in het gelijk worden gesteld, dient de proceskostenveroordeling te worden gesplitst. Het deel van de proceskosten van eisers dat voor rekening van [gedaagde 2] komt, wordt begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
73,07 |
(0,5 × 146,14) |
|
- griffierecht |
€ |
357,00 |
(0,5 × 714,00) |
|
- salaris advocaat |
€ |
326,50 |
(0,5 × € 653,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
945,57 |
De overige gedaagde is wel in het geding verschenen. Tegen [gedaagde 1] wordt in overeenstemming met artikel 140 lid 3 Rv één vonnis gewezen. Dit vonnis wordt, ook ten aanzien van [gedaagde 2], beschouwd als een vonnis op tegenspraak.
De vordering ten aanzien van [gedaagde 1]
De rechtbank zal de vordering van eisers tot verdeling van de woning toewijzen en legt hierna uit waarom.
Juridisch kader
Op grond van artikel 3:180 lid 1 BW kan een schuldeiser die een opeisbare vordering op een deelgenoot heeft, de verdeling van de gemeenschap vorderen, doch niet verder dan nodig is voor het verhaal van zijn vordering. Het bepaalde in artikel 3:178 BW is van overeenkomstige toepassing. Het tweede lid bepaalt dat, indien een schuldeiser een bevel tot betaling heeft verkregen, de verdeling de medewerking van de gemeenschap behoeft.
De vordering is opeisbaar
Vast staat dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] gezamenlijk eigenaar zijn van de woning en dat die gemeenschap (nog) niet is verdeeld. Eisers kunnen dus in beginsel verdeling van de woning vorderen, voor zover dat nodig is voor het verhaal van hun vordering.
[gedaagde 1] erkent dat eisers een vordering op hem hebben, maar betwist de opeisbaarheid daarvan. Hij voert aan dat met eisers is afgesproken dat er niet tot executie zou worden overgegaan zolang er geen uitspraak is gedaan in hoger beroep van het vonnis van 11 november 2009. De uitkomst van de (gelijktijdige) strafprocedure zou namelijk een ander licht op de zaak kunnen werpen. Daarom werd op verzoek van [gedaagde 1] en eisers de procedure in hoger beroep aangehouden, waarna de zaak na zes uitstelverzoeken en het verstrijken van 52 weken ambtshalve is doorgehaald op de rol. Verder betwist [gedaagde 1] dat de gevorderde verdeling niet verder gaat dan voor het verhaal van de vordering van eisers. Er is al betaald op de vordering van eisers door andere schuldeisers en eisers hebben niet onderbouwd dat het vorderen van de verdeling noodzakelijk is voor het verhaal van de vordering.
Eisers betwisten dat zij met [gedaagde 1] hebben afgesproken dat er geen executiemaatregelen zouden worden genomen. De executie van het vonnis van 11 november 2009 is weliswaar opgeschort, maar enkel gedurende de lopende procedure in hoger beroep. Nu die procedure niet is voortgezet en evenmin een minnelijke regeling tot stand is gekomen, is er niet langer aanleiding voor opschorting van de executie en beschikken eisers over een executoriale titel die ten uitvoer kan worden gelegd.
De rechtbank volgt het betoog van eisers en overweegt daartoe als volgt. Het vonnis van 11 november 2009 is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en daarmee hebben eisers in beginsel een opeisbare vordering. Uit de e-mailwisseling tussen de advocaten van partijen in de periode van juli 2013 tot en met mei 2024 volgt duidelijk dat de afspraak om niet tot executie over te gaan betrekking had op een afgebakende periode, te weten de periode waarin de zaak in hoger beroep steeds werd verwezen naar de (volgende) parkeerrol. Ook blijkt nergens uit dat eisers op enig moment onvoorwaardelijk afstand hebben gedaan van de mogelijkheid om over te gaan tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 11 november 2009. Het ging steeds slechts om uitstel van executie. De tussen partijen gevoerde schikkingsonderhandelingen hebben uiteindelijk niet tot overeenstemming (over nieuwe afspraken) geleid. Dit betekent dat [gedaagde 1] onvoldoende heeft onderbouwd dat partijen een afspraak hebben gemaakt dat eisers niet (buiten de periode waarin de zaak steeds werd verwezen naar de (volgende) parkeerrol in hoger beroep) over zouden gaan tot executie van het vonnis van 11 november 2009. Om die reden is er ook geen grond om, zoals aangevoerd door [gedaagde 1], de verdeling in het licht van gemaakte afspraken uit te stellen in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep. Tot slot gaat een verdeling gelet op de hoogte van de opeisbare vordering en de reeds door de andere schuldeisers gedane betalingen niet verder dan nodig is voor het verhaal van de vordering van eisers. De rechtbank komt om die reden niet toe aan de fase van bewijslevering.
Belangenafweging - geen uitstel
[gedaagde 1] heeft verder aangevoerd dat er een belangenafweging moet worden gemaakt, waarbij de belangen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dienen te prevaleren. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] zijn gescheiden en de woning is daarbij noodgedwongen onverdeeld gebleven. Bij een eventuele gedwongen verkoop van de woning zal de helft van de waarde van de woning mogelijk aan [gedaagde 2] toekomen, waardoor mogelijk een procedure tussen [gedaagde 2] en [gedaagde 1] zal moeten worden gestart. Daarnaast is het belang van eisers not existent dan wel zeer gering, omdat bij verkoop van de woning een zeer klein bedrag voor eisers zal resteren nu [gedaagde 1] slechts een onverdeeld aandeel heeft in de woning en er andere beslagen en een hypotheek op de woning liggen respectievelijk rust. Bovendien dient te worden meegewogen dat – in geval van executie – [gedaagde 1] de zaak in hoger beroep alsnog op de rol zal moeten plaatsen en eisers het risico lopen op een onrechtmatige executie en een kortgedingprocedure.
De rechtbank begrijpt dat [gedaagde 1] met dit verweer een beroep doet op artikel 3:178 lid 3 BW. Op grond van die bepaling kan de rechter, indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend, een of meermalen, telkens voor ten hoogste drie jaren een vordering tot verdeling uitsluiten. De rechtbank oordeelt dat de belangen van [gedaagde 1] bij het (voorlopig) onverdeeld laten van de woning niet aanmerkelijk groter zijn dan de belangen van eisers bij de onmiddellijke verdeling daarvan en overweegt daartoe het volgende.
Allereerst faalt het betoog van [gedaagde 1] dat het belang van eisers afhankelijk is van de uitkomst van het alsdan opnieuw te activeren hoger beroep. Het vonnis uit 2009 is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De procesrechtelijke keuze van [gedaagde 1] om al dan niet hoger beroep tegen het vonnis van 11 november 2009 in te stellen, dan wel voort te zetten, tast het belang van eisers bij het verkrijgen van betaling van hun vordering niet aan. Ook kan de rechtbank in het kader van een belangenafweging niet anticiperen op een bepaalde (andere) uitkomst in hoger beroep tegen het vonnis van 11 november 2009. Verder vormt de hoogte van de netto-opbrengst bij verkoop van de woning geen reden om (nog) niet over te gaan tot verdeling van een gemeenschap. Het is overigens onduidelijk hoe hoog de netto-opbrengst van de woning zal zijn, omdat er geen taxatierapport is overgelegd. Ook het gegeven dat er meerdere beslagen op de woning zouden rusten, maakt niet dat er niet tot verdeling kan of moet worden overgegaan. Indien sprake is van meerdere beslagen, geldt immers dat de beslagprioriteitsregels de rangorde regelen bij verdeling van de opbrengst. De stelling van [gedaagde 1] dat er mogelijk opnieuw een procedure tegen [gedaagde 2] door [gedaagde 1] gestart zal moeten worden, vormt evenmin aanleiding om de onmiddellijke verdeling uit te sluiten. Ook die hypothetische situatie maakt niet dat de belangen van [gedaagde 1] zwaarder wegen dan het belang van eisers. Tot slot hebben eisers gesteld en heeft [gedaagde 1] ter zitting erkend dat [gedaagde 1] geen inkomen heeft of zaken van waarde bezit waarop beslag kan worden gelegd. [gedaagde 1] heeft verder geen andere belangen aangevoerd. Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat, zoals [gedaagde 1] heeft aangevoerd, zijn belangen zwaarder wegen dan de belangen van eisers om bij verdeling (na 17 jaar) betaling van hun vordering te verkrijgen.
Geen misbruik van recht
Ook volgt de rechtbank [gedaagde 1] niet in zijn stelling dat sprake is van misbruik van recht. [gedaagde 1] stelt dat sprake zou zijn van een onevenredige benadeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2], maar onderbouwt dit niet. Daarbij geldt dat de vordering tot verdeling van artikel 3:180 BW in de wet is opgenomen om een schuldeiser een aantrekkelijker verhaalsmogelijkheid te bieden. Ook zijn eisers op basis van artikel 3:276 BW in beginsel vrij om hun vordering op alle goederen van de schuldenaar te verhalen. In dat kader is van belang dat [gedaagde 1] tijdens de mondelinge behandeling heeft bevestigd dat de woning zijn enige vermogensbestanddeel is. Bij die stand van zaken valt niet in te zien dat sprake is van misbruik van recht aan de zijde van eisers.
De vordering is voldoende bepaald
[gedaagde 1] voert tot slot aan dat de vorderingen van eisers niet toewijsbaar zijn, omdat een toewijzing van de gevorderde wijze van verdeling – die op veel punten onvoldoende is bepaald –zou leiden tot een ernstige benadeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Ook dit verweer gaat niet op, omdat de rechtbank een discretionaire bevoegdheid heeft ten aanzien van het vaststellen van de wijze van verdeling.
Geen dwangsom
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 1] aangegeven dat hij, in geval van toewijzing van de vordering van eisers, zal meewerken aan de verkoop van de woning. Omdat eisers de gestelde weigerachtige houding van [gedaagde 1] niet hebben onderbouwd, ziet de rechtbank geen aanleiding om een dwangsom op te leggen. Dit betekent dat de vordering van eisers op dit punt zal worden afgewezen.
De gevorderde dwangsom voor een ontruiming zal eveneens worden afgewezen. Indien [gedaagde 1] niet vrijwillig tot ontruiming overgaat, kunnen eisers immers met behulp van een deurwaarder overgaan tot een gedwongen ontruiming. Ook op dit punt zal de vordering van eisers daarom worden afgewezen.
Geen machtiging - benoeming NVM-makelaar
Eisers hebben de gevorderde machtiging om de opdracht tot verkoop te verstrekken aan een door eisers in te schakelen makelaar en alles te doen wat nuttig en nodig is voor de verkoop niet onderbouwd. De vordering zal daarom op dit punt worden afgewezen.
In het kader van de vaststelling van de verdeling zal de rechtbank echter een erkende NVM-makelaar benoemen. Partijen zijn nog niet in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de vraag welke NVM-makelaar deze taak op zich dient te nemen. De zaak zal daarom naar de rol worden verwezen voor het nemen van een akte door eisers. [gedaagde 1] zal daarop bij antwoordakte mogen reageren. De rechtbank geeft partijen ieder een termijn van vier weken, waarbij partijen in overweging wordt gegeven gezamenlijk tot overeenstemming te komen over de vraag wie als NVM-makelaar dient te worden benoemd.
Conclusie
Uit het voorgaande volgt dat de vordering van eisers zal worden toegewezen voor zover nodig is voor het verhaal van de vordering van eisers op [gedaagde 1], in die zin dat de rechtbank de verdeling zal gelasten op de wijze zoals in het dictum zal worden beslist. De rechtbank zal in dit verband bepalen dat de woning aan een derde moet worden verkocht, waarbij de verplichtingen van [gedaagde 1] zo concreet mogelijk zullen worden weergegeven teneinde belemmeringen of vertragingen te voorkomen.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5 De beslissing
verwijst de zaak naar de rol van woensdag 28 oktober 2026 voor het nemen van een akte door eisers zoals overwogen in 4.19, waarna [gedaagde 1] gelegenheid zal worden gegeven om vier weken later een antwoordakte te nemen,
houdt iedere verdere beslissing aan.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. C.J.M. in 't Veld-Vernooij, bijgestaan door mr. L.M.F. van Dijck, en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026 door mr. N. Versteeg. |
||